Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.1
2.2.1 Inleiding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715370:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 2021, p. 147; Van Kempen & Fedorova 2015, p. 50. Vgl. Duff 1996, p. 386.
Buruma 2006, p. 817.
Peters 1966, p. 21-22. Datzelfde geldt voor de subjectieve zijde van het delict: zelfs als een strafbepaling geen subjectief bestanddeel bevat, dan nog is schuld een element van ieder strafbaar feit (Ten Voorde 2012b, p. 79).
De Jong 2009, p. 37; Fletcher 2000, p. 138 en 158-159.
Peters 1966, p. 24.
Rutgers 1992, p. 296.
Fletcher 2000, p. 800; Mousourakis 1998, p. 60-61. Karakteraansprakelijkheid zou volgens sommige auteurs slecht verenigbaar zijn met vergelding, omdat voor vergelding iemand een verwijt moet kunnen worden gemaakt en het dan nodig is dat diegene ook anders kon handelen (Remmelink 1968, p. 120). De veronderstelling is dan dat karakter is gedetermineerd, bijvoorbeeld door iemands aard (nature) en/of levensloop (nurture, persoonlijke ervaringen en morele opvoeding) (vgl. Mousourakis 1998, p. 54). Als karakter echter (deels) voor menselijke wijziging vatbaar is, zijn karakteraansprakelijkheid en vergelding wel te verenigen (Mousourakis 1998, p. 54-55, 56 en 57).
Vanuit het oogpunt van het privacy is het natuurlijk niet problematisch als de verdachte uit vrije wil zelf informatie aandraagt als tegenbewijs voor zijn vermeende kwade karakter.
Prakken & Roef 2004, p. 235.
Fletcher 2000, p. 801.
Sikkema meent bijvoorbeeld dat de gebreken bij voorbereiding in zekere zin worden gecompenseerd, nu er volgens hem hoge eisen worden gesteld aan het bewijs van het opzet (Sikkema 2012, p. 30). Geen enkele mate van opzet kan echter het ontbreken van een voldoende afbakenende gedraging compenseren, anders zou het daadstrafrechtbeginsel nog steeds vervuld zijn als de wetgever ‘ademhalen met terroristisch oogmerk’ strafbaar zou stellen. Bovendien is bij voorbereiding slechts voorwaardelijk opzet vereist, terwijl dan toch eerder een vereiste als ‘oogmerk’ in beeld moet komen.
Prakken & Roef 2004, p. 237-238; Van Eck 1947, p. 84-85. Vgl. ook: De Jong 1992, p. 39, voetnoot 8; Jakobs 1985, p. 759. Het is echter niet zo dat alle voorfasedelicten een intentie om schade te veroorzaken vereisen. Bij gevaarzettingsdelicten is juist vaak niet vereist dat de dader de intentie had om daadwerkelijk een rechtsgoed te schenden. Dat geldt bijvoorbeeld evenmin voor vuurwapenbezit; het OM hoeft niet te bewijzen dat de dader de intentie had het vuurwapen voor een delict te gebruiken. Daarin verschillen deze delicten wezenlijk van bijvoorbeeld de poging en de voorbereiding. Zie: Prakken & Roef 2004, p. 232 en 233.
Fletcher 2000, p. 143.
De Jong 1992, p. 40-41; Peters 1966, p. 22. Merk op dat binnen de liberale benadering niet alles wat naar positief recht strafbaar is, daarmee bij voorbaat als gedraging moet kunnen worden gekwalificeerd. Het daadstrafrechtbeginsel dient in de liberale benadering immers juist om (ook) het (bestaande) strafrecht kritisch te kunnen beoordelen en moet dus in zekere zin los staan van de geldende normen (Peters 1966, p. 23).
Husak 2010, p. 26. Vgl. Barendse-Hoornweg & Docter-Schamhardt 1989, p. 1. Nog los van het punt dat dan ook de subjectieve zijde van het delict niet kan worden bewezen.
Husak 2010, p. 27. Husak illustreert dit punt met een fictieve strafbaarstelling van het doodwensen van het staatshoofd in combinatie met het vereiste dat de dader recent moet hebben gegeten. De eet-gedraging is dan wel een noodzakelijk vereiste, maar (uiteraard) niet de reden voor bestraffing (Husak 2010, p. 26).
Lestrade 2018, p. 160; Keulen 2014, p. 212; Strijards 1995, p. 41 en 114-115.
Beginselen hebben vanuit liberaal perspectief als doel beperkingen aan te brengen op overheidsmacht. De gedraging moet daarom worden gezien als een zelfstandig kernelement van ieder strafbare feit.1 Vandaar dat Buruma zo stellig kan schrijven: “Wat de wetgever ook verzint: zonder gedraging geen strafbaar feit.”2 Zelfs als de delictsomschrijving geen gedraging bevat, maar spreekt van het veroorzaken van een gevolg of het in het leven roepen van een bepaalde toestand, dan nog moet een gedraging kunnen worden aangewezen die dat gevolg of die toestand heeft veroorzaakt.3 De gedraging moet bovendien los worden gezien van de intenties van de dader en moet een zelfstandige toegevoegde waarde hebben.4 Het aanbrengen van een onderscheid tussen intenties en gedragingen is weliswaar kunstmatig, maar daarmee nog niet zinloos.5 Het zorgt ervoor dat de overheid niet overgaat tot wat wel Gesinnungsschnüffelei wordt genoemd: de overheid moet geen aanleiding hebben om de volledige belevingswereld van de verdachte uit te pluizen.6 Dat het strafrecht slechts naar één gedraging kijkt en niet naar iemands volledige karakter, hangt dan niet zozeer samen met de vergeldingstheorie, maar vooral met klassieke grondrechten.7 De privacy van de verdachte zou te zeer worden aangetast als diens volledige aard en levensloop onder de loep zou mogen (of zelfs moeten) worden genomen.8 In het verlengde daarvan dient de focus op de gedraging ook het gelijkheidsbeginsel, omdat deze een behandeling van de zaak zonder aanziens des persoons mogelijk maakt.9 Er wordt zo dus opzettelijk potentieel relevante informatie buiten beeld gelaten om het individu tegen de staat te beschermen.10
Het streven naar bescherming van het individu tegen de staat is ook de reden waarom gebreken aan de objectieve zijde van het delict vanuit liberaal oogpunt eigenlijk niet zouden mogen worden gecompenseerd door een ‘overschot’ aan de subjectieve zijde. Beide zijden moeten daarin aan hun eigen ondergrens voldoen; zij hebben immers elk een zelfstandige staatsmachtbeperkende functie.11 Het schuldbeginsel kan aansprakelijkheid voor gedragingen in de liberale visie strikt genomen enkel verder inperken, door erop te wijzen dat niet iedere gedraging de verdachte kan worden verweten.12 Omgekeerd stelt het daadstrafrechtbeginsel in sommige benaderingen zelfs eisen aan het bewijs van de subjectieve zijde van het delict: willen we het daadstrafrechtbeginsel – waarin de gedraging het kernelement van het strafbare feit vormt – serieus nemen, dan moet in deze visie de subjectieve zijde van het delict eigenlijk volgen uit de (aard van de) gedraging en moet deze niet op een andere wijze (bijvoorbeeld uit dagboekaantekeningen of bekennende verklaringen) kunnen worden afgeleid.13
Wil het daadstrafrechtbeginsel aan zijn staatsmachtbeperkende functie voldoen, dan moet het gedragingsbegrip een zekere inperkende werking hebben: niet alles kan een strafrechtelijk relevante gedraging zijn.14 Een alledaagse gedraging – bijvoorbeeld eten of ademhalen – gekoppeld aan een bepaalde criminele intentie kan vanuit liberaal oogpunt bijvoorbeeld niet volstaan: dan is de toegevoegde waarde van de gedraging materieel gezien nihil.15 Niet alleen moet ieder strafbaar feit daarom een gedraging bevatten, die gedraging moet ook redengevend zijn voor de strafbaarheid.16 De redenering dat bijvoorbeeld voorbereiding en samenspanning uiteindelijk (per definitie) altijd nog ‘een’ gedraging vereisen en reeds om die reden aan het daadstrafrechtbeginsel voldoen, kan daarom ook niet zonder meer worden gevolgd.17 De vraag waar het om gaat, is wat die gedraging precies inhoudt en of deze voldoet aan de eisen van het liberale gedragingsbegrip.
2.2.1.1 Criteria voor het gedragingsbegrip2.2.1.2 Relatie met het grondfeit2.2.1.3 Formeel omschreven delicten