Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.3.3
3.3.3 Een redelijke strekking voor wettelijke normen
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS587413:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader § 7.3.1.
Zie nader § 7.3.3.
Met dien verstande dat de regelingen van art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW de secundair gelaedeerde een aanspraak tegenover de laedens geven die is afgeleid van de aanspraak op schadevergoeding van de primair gelaedeerde. Niet is door de wetgever voor de weg gekozen om vast te leggen welke personen naast de primair gelaedeerde zijn beschermd tegen welke schade en welke wijzen van ontstaan. Voor zover sprake is van aansprakelijkheid vanwege onrechtmatige daad, bestaat in theorie tussen beide mogelijke systemen mijns inziens geen wezenlijk verschil.
Zie § 15.2.3.
Zie § 15.2.1 en ook § 15.8.1.
Vrij naar: BGH 16 februari 1972, BGHZ 58, 162, NJW 1972, 904.
Vrij naar: BGH 2 juli 1991, BGHZ 115, 84, NJW 1991, 2568.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 637, 638 (M.v.A. II). Zie hierover § 2.8.2.
Zie § 2.9.
De andere situatie wordt besproken in § 3.3.4.
153. In de situaties die ik in het voorgaande behandelde, werd het relativiteitsvereiste gebruikt als vehikel om een redelijk geachte grens aan aansprakelijkheid, die niet werd ontleend aan een gebleken bedoeling met de geschonden norm, tot uitdrukking te brengen. Het relativiteitsvereiste vormt hier als het ware het sluitstuk van een redenering. In nu te bespreken situaties speelt het omgekeerde. Vanwege het in art. 6:162 BW neergelegde jegensvereiste dient de vraag te worden beantwoord of jegens de gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld, maar laat zich niet bepalen of met de geschonden norm beoogd is om deze gelaedeerde te beschermen. Omdat het antwoord op de vraag of jegens de gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld, niet volgt uit de met de geschonden norm beoogde bescherming, wordt de strekking van de geschonden norm bepaald door te beoordelen of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen indien ook de gelaedeerde een aanspraak op schadevergoeding wordt gegeven.
Dit probleem speelt met name in het geval van de schending van een wettelijke plicht en dan in het bijzonder indien sprake is van een secundair gelaedeerde. Ik spreek van een secundair gelaedeerde, indien door een onrechtmatige daad schade door iemand, de primair gelaedeerde, geleden wordt en als gevolg daarvan schade voor een derde, de secundair gelaedeerde, ontstaat. Doorgaans is onduidelijk of met de wettelijke norm ook beoogd is deze secundair gelaedeerde te beschermen. De vraag rijst hoe dan bepaald dient te worden of jegens de secundair gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld.
Dit probleem bij de beantwoording van de vraag of jegens een gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld, speelt niet in het geval van een inbreuk op een subjectief recht van de primair gelaedeerde: dan is in beginsel alleen onrechtmatig tegenover de primair gelaedeerde, als rechthebbende, gehandeld.1 Indien sprake is van de schending van een norm van ongeschreven recht, geldt dat onrechtmatig is gehandeld tegenover diegene wiens belang men had dienen te ontzien.2 Het vaststellen welke belangen men had dienen te ontzien is niet steeds eenvoudig, maar wel is betrekkelijk helder op welke wijze dit dient te worden vastgesteld.
In het navolgende bespreek ik in welke gevallen zich dit probleem voordoet en hoe vastgesteld kan worden of de schending van een wettelijke norm jegens zo’n secundair gelaedeerde onrechtmatig is.
Letsel en overlijden en secundair gelaedeerden
154. Soms wordt door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis letsel aan iemand toegebracht en/of komt die persoon ten gevolge van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis te overlijden, en lijden derden ten gevolge daarvan schade.
Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarin ten gevolge van een verkeersfout letsel wordt toegebracht en naasten van de gelaedeerde aanzienlijke lasten van verzorging en verpleging op zich nemen.
Wanneer de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis bestaat uit de schending van een wettelijke plicht, laat zich mijns inziens doorgaans niet uit de met die plicht beoogde bescherming afleiden of jegens zo’n secundair gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld. Omwille van de rechtszekerheid heeft de wetgever in art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW in beginsel limitatief geregeld welke secundair gelaedeerden aanspraak hebben op vergoeding van welke schade.3 In de door de genoemde artikelen bestreken gevallen schiet de wet aldus zelf te hulp bij de bepaling of ook een secundair gelaedeerde aanspraak dient te hebben op schadevergoeding.4 Op welke wijze heeft de wetgever bepaald welke secundair gelaedeerden zo’n aanspraak dienen te hebben? De genoemde bepalingen zijn grotendeels gebaseerd op de notie van verplaatste schade.5 Deze notie houdt, kort gezegd, in dat als bepaalde schade, waarvan de gelaedeerde zelf vergoeding zou hebben kunnen vorderen indien deze voor zijn rekening zou zijn gekomen, door min of meer bijzondere omstandigheden voor rekening van een derde is gekomen, het niet redelijk zou zijn om de laedens door de verplaatsing van schade te laten wegkomen zonder deze schade te vergoeden en het tevens niet redelijk zou zijn de derde een andere positie tegenover de laedens te geven dan de gelaedeerde zou hebben gehad indien de schade voor zijn rekening zou zijn gekomen.6 Het antwoord op de vraag of zo’n secundair gelaedeerde aanspraak heeft op schadevergoeding wordt via deze regeling dus in de redelijkheid gevonden en in dit kader is de met de geschonden norm beoogde bescherming slechts een factor.
155. In uitzonderlijke omstandigheden kan een secundair gelaedeerde die schade lijdt doordat ten gevolge van de schending van een wettelijke plicht aan een ander letsel is toegebracht en/of die ander is overleden, aanspraak hebben op schadevergoeding buiten de regelingen van art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW om. Ook dan rijst de vraag hoe bepaald dient te worden of jegens de secundair gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld. In het Taxibus-arrest7 heeft de Hoge Raad voor een bijzondere situatie een specifieke regel over de strekking van veiligheids- en verkeersnormen gegeven. De Hoge Raad oordeelde:
“[i]ndien iemand door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, handelt hij in een geval als hier bedoeld niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond.”
Uit de met de geschonden norm daadwerkelijk beoogde bescherming laat zich mijns inziens niet afleiden dat ook bedoeld is om secundair gelaedeerden in deze omstandigheden te beschermen. Naar mijn mening wordt op grond van andere omstandigheden aan de geschonden norm een zodanige strekking gegeven dat een redelijk geachte begrenzing aan aansprakelijkheid wordt verkregen. Welke omstandigheden dat in dit geval dan precies zijn, kan hier verder in het midden blijven.
Andere situaties en secundair gelaedeerden
156. Ook buiten de situaties van personenschade zijn er gevallen waarin een wettelijke plicht is geschonden en sprake is van een secundair gelaedeerde en daarom de vraag rijst of de schending van deze plicht ook jegens de secundair gelaedeerde onrechtmatig is.
Ik geef twee voorbeelden. (1) In een straat in de stad rijdt een vrachtwagen op onrechtmatige wijze een auto aan. Deze auto kan daardoor niet verder rijden en de straat raakt geblokkeerd. Zowel de aanrijding als het blokkeren van de straat is in strijd met art. 5 WVW. Ongeduldige bestuurders van enkele achteropkomende vrachtauto’s proberen via naastgelegen fiets- en voetpaden de vrachtwagen en auto te passeren. Deze paden raken hierdoor beschadigd. Strekte de door de chauffeur van de vrachtwagen die de aanrijding veroorzaakte geschonden norm ook tot bescherming van de gemeente voor wiens rekening deze schade kwam?8 (2) Een in strijd met art. 5 WVW veroorzaakte aanrijding tussen twee voertuigen veroorzaakt een luide knal. Biggen in een nabijgelegen stal raken hierdoor in paniek met als gevolg dat diverse dieren worden vertrapt en doodgaan. Heeft degene die onrechtmatig de aanrijding veroorzaakte, ook onrechtmatig jegens de eigenaar van de biggen gehandeld?9
Mijns inziens ligt voor de hand dat degene die in strijd met art. 5 WVW een kettingbotsing veroorzaakt, onrechtmatig handelt jegens degenen die bij de botsing betrokken zijn. Maar wat als de schade van een secundair gelaedeerde, zoals in de gegeven twee voorbeelden, op een minder alledaagse wijze ontstaat? In deze twee situaties laat zich naar ik meen niet uit de bedoeling van de wetgever met de geschonden norm afleiden of aansprakelijkheid jegens de secundair gelaedeerde dient te bestaan. Of door de schending van de wettelijke plicht jegens de secundair gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld, kan hier mijns inziens niet anders worden beoordeeld dan door te bepalen of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.
De dogmatiek die de wetgever voor ogen had en de interpretatie van de Hoge Raad
157. De ontwerpers van Boek 6 BW hebben willen voorkomen dat bij een onduidelijke bedoeling van de wetgever de strekking van de geschonden norm aan de hand van andere omstandigheden van het geval vastgesteld zou moeten worden. In het driemanschapsontwerp was ter oplossing van het probleem van de onduidelijke bedoeling van de wetgever, de hoofdregel opgenomen dat degene die handelt in strijd met een wettelijke plicht in beginsel tegen eenieder een onrechtmatige daad pleegt die dientengevolge schade kan lijden welke op het tijdstip van het plegen van de daad met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg te voorzien was. Tevens was de hoofdregel opgenomen dat de verplichting tot schadevergoeding zich in beginsel uitstrekte tot de schade welke bij het plegen van de daad met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg te voorzien was. Een en ander was slechts anders als zou blijken dat de overtreden norm een andere strekking had.
Het gewijzigd ontwerp heeft deze hoofdregels uit de wet gehaald, maar hen wel in de memorie van antwoord onderschreven. Het gewijzigd ontwerp ging volgens deze memorie
“[e]venals het [driemanschaps]ontwerp (…) ervan uit dat een norm in beginsel strekt ter bescherming van allen die als gevolg van overtreding ervan schade kunnen lijden en dat wel ter bescherming tegen alle schade die aan de dader op de voet van [het ontwerp voor art. 6:98 BW] als een gevolg van die overtreding kan worden toegerekend”.10
Wanneer de strekking van de geschonden norm onduidelijk was, werd met dit uitgangspunt het begrenzen van aansprakelijkheid uit het relativiteitsvereiste gehaald en ondergebracht in de schadetoerekening.
De Hoge Raad heeft deze kanalisatie naar de schadetoerekening echter afgewezen.11 In de interpretatie die de Hoge Raad aan het wettelijke systeem heeft gegeven, moet steeds worden vastgesteld of jegens de gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld door de vaststelling van de strekking van de geschonden norm. De door de Hoge Raad aan het wettelijke systeem gegeven interpretatie dwingt er dus toe om met name indien ten gevolge van de schending van een wettelijke norm een keten van gelaedeerden ontstaat, de strekking van de geschonden norm te bepalen door te beoordelen of een redelijke begrenzing aan aansprakelijkheid wordt verkregen.12 De strekking van de geschonden norm dient dan te worden bepaald aan de hand van andere omstandigheden dan de door de wetgever beoogde bescherming, waarbij beslissend is of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.