Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.3.4:3.3.4 Verruiming van de strekking buiten de beoogde bescherming
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.3.4
3.3.4 Verruiming van de strekking buiten de beoogde bescherming
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS589787:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader § 8.2. In de regelingen van art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW speelt het relativiteitsvereiste geen rol omdat de aanspraak van de derde daar wordt gebaseerd op de aansprakelijkheid van de laedens jegens de gewonde. Du Perron 1999, nr. 138 schrijft in zoverre terecht dat in situaties van verplaatsing van zaakschade het relativiteitsvereiste in wezen wordt geschrapt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
158. In de tot slot te bespreken situaties wordt de strekking van de geschonden norm ruimer gekozen dan de met deze norm beoogde bescherming teneinde te voorkomen dat een onredelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen. Bij de bestudering van de jurisprudentie springt deze werkwijze veelal niet dadelijk in het oog omdat dit in de rechterlijke motivering doorgaans enigszins verhuld wordt.
Gelijkenis met een schadesituatie waartegen wel beschermd wordt
159. Soms ontstaat ten gevolge van de schending van een norm een schadesituatie waarvoor het volgende geldt. Met de geschonden norm is niet beoogd te beschermen tegen deze schadesituatie. Maar deze schadesituatie lijkt, qua persoon van de gelaedeerde, het soort schade en de wijze waarop de schade is ontstaan, wel op de schadesituaties waartegen de norm wél bescherming biedt. Deze gelijkenis is zodanig dat het onredelijk zou zijn om de laedens weg te laten komen zonder de veroorzaakte schade te vergoeden en het eveneens onredelijk zou zijn de gelaedeerde een andere positie te geven dan degenen die schade lijden waartegen de geschonden norm wel bescherming biedt. Om die reden wordt soms de strekking van de geschonden norm ruimer uitgelegd dan de met die norm beoogde bescherming.
Dit verschijnsel bespreek ik nader in § 8.3.2. Het is onder meer zichtbaar in de daar te bespreken zaken Claessens/Tijssen,1Cijsouw/De Schelde I2 en Legionella.3 In Claessens/Tijssen werd de strekking van een veiligheidsnorm waarmee de wetgever beoogd had werknemers te beschermen, zodanig uitgelegd dat ook anderen die in opdracht van een werkgever werkzaamheden uitvoerden door deze norm beschermd werden. In Cijsouw/De Schelde I werd de strekking van een voor een werkgever geldende veiligheidsnorm waarmee werd beoogd tegen asbestose en longkanker te beschermen, maar niet tegen mesothelioom, zodanig uitgelegd dat zij toch strekte tot bescherming daarvan. In Legionella werd de strekking van de voor een whirlpoolhouder geldende norm waarmee kennelijk werd beoogd te beschermen tegen het gezondheidsgevaar dat bestond bij het baden in een whirlpool met door bacteriën verontreinigd water, zodanig uitgelegd dat deze ook strekte tot bescherming tegen het gevaar dat legionellabacteriën zich via de lucht onder bezoekers van een expositie zouden verspreiden.
Het is hier het beginsel dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden en ongelijke gevallen verschillend naar de mate van ongelijkheid, dat ertoe kan nopen om het beschermingsbereik van een norm zich te laten uitstrekken tot buiten de schadesituaties waartegen met de norm beoogd is te beschermen. Bij de toepassing van het relativiteitsvereiste is hier niet de met de geschonden norm beoogde bescherming beslissend, maar of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.
Verplaatste schade
160. Een belangrijke species van het, omwille van het verkrijgen van een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid, verruimen van de strekking buiten de beoogde bescherming, wordt gevormd door de gevallen van verplaatste schade. Het probleem van verplaatste schade doet zich onder meer voor in casus waarin ten gevolge van een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis letsel, eventueel met de dood als gevolg, aan een persoon wordt toegebracht en naasten, in persoonlijke of beroepsmatige zin, van die persoon hierdoor ook schade lijden. In nr. 154 zagen wij al dat de wetgever in art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW heeft geregeld welke derden aanspraak hebben op vergoeding van welke schade en tevens dat deze regelingen grotendeels zijn gebaseerd op de notie van verplaatste schade. Het aan een derde laten toekomen van een aanspraak op schadevergoeding wordt er dan, als gezegd, door gerechtvaardigd dat de rechtstreeks getroffene zelf vergoeding zou hebben kunnen vorderen indien deze voor zijn rekening zou zijn gekomen, deze schade door min of meer bijzondere omstandigheden voor rekening van een derde is gekomen, en het niet redelijk zou zijn om de laedens door de verplaatsing van schade te laten wegkomen zonder deze schade te vergoeden en het evenmin redelijk zou zijn de derde een andere positie tegenover de laedens te geven dan de rechtstreeks getroffene zou hebben gehad indien de schade voor zijn rekening zou zijn gekomen. Het is hier aldus de gelijkenis met een andere situatie waarin de rechtstreeks getroffene wél aanspraak zou hebben op vergoeding van dezelfde schade veroorzaakt door dezelfde gebeurtenis, die redelijk doet zijn om de derde, die de schade heeft geleden, een aanspraak op vergoeding daarvan te geven.
161. Het probleem van verplaatste schade speelt ook buiten de, door de regelingen van art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW beheerste, gevallen van personenschade.
Door een onrechtmatige daad wordt een woning beschadigd. Niet de eigenaar maar de huurder maakt de kosten voor het herstel ervan. Heeft de laedens ook jegens deze huurder onrechtmatig gehandeld? De Hoge Raad heeft in Friesland/Salverda4 deze vraag bevestigend beantwoord en daarbij overwogen “dat het toch redelijk is dat de huurder niet deze omweg [van het aanspreken van de verhuurder] volgt, doch [als de huurder de zaak zelf herstelt] door hem door de beschadiging van de gehuurde zaak geleden schade – eventueel tezamen met door hem als huurder nog geleden verdere schade – van de pleger van de onrechtmatige daad terug te vorderen”.
In deze situaties van verplaatste schade laat zich niet uit de met de geschonden norm beoogde bescherming afleiden of degene naar wie de schade zich heeft verplaatst, aanspraak heeft op vergoeding daarvan. In deze situaties kan zich wel opdringen dat het onredelijk zou zijn om de gelaedeerde (de huurder) een andere positie tegenover de laedens te geven dan degene die met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen (de verhuurder) zou hebben indien de schade voor diens rekening zou zijn gekomen. Evenzeer kan duidelijk zijn dat het onredelijk zou zijn de laedens te laten wegkomen zonder de door zijn onrechtmatige daad veroorzaakte schade te vergoeden slechts omdat die schade voor rekening van een ander is gekomen. In hoofdstuk 15 bespreek ik nader onder welke omstandigheden de redelijkheid verlangt om degene naar wie de schade zich heeft verplaatst aanspraak te geven op vergoeding daarvan. Hier is van belang dat in deze situaties van verplaatste schade de strekking van de geschonden norm zodanig wordt vastgesteld dat een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen en daarbij niet de met de geschonden norm beoogde bescherming doorslaggevend is.
Dogmatische inbedding
162. Men zou in de gevallen zoals besproken in het voorgaande kunnen zeggen dat het relativiteitsvereiste niet geldt, omdat het bij wijze van uitzondering onredelijk zou zijn om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van de met de norm beoogde bescherming.5 Een dergelijke opvatting verhoudt zich moeilijk tot het jegensvereiste van art. 6:162 BW en de categorische bewoordingen van art. 6:163 BW (“[g]een verplichting tot schadevergoeding bestaat indien (…)”). Bovendien is deze benadering minder praktisch, omdat ook in deze gevallen wel grenzen aan het beschermingsbereik van de geschonden norm blijven bestaan. Om niet het relativiteitsvereiste aan de kant te hoeven zetten, wordt het probleem in de jurisprudentie veelal opgelost door de strekking van de geschonden norm, meestal enigszins verdekt, ruimer uit te leggen dan de met de norm beoogde bescherming. In deze gevallen is naar mijn mening sprake van beslissende aanvullende werking van de redelijkheid. Het jegensvereiste en de categorische bewoordingen van art. 6:163 BW maken dat het wettelijke stelsel ertoe dwingt om niet de beoogde bescherming beslissend te laten zijn maar om de strekking van normen te bepalen aan de hand van redelijkheidsoverwegingen.
Opmerking verdient dat de correctie-Langemeijer, waarover nader in § 8.3.4, in deze situaties lang niet altijd een alternatieve route biedt om de gelaedeerde een aanspraak op schadevergoeding te geven. In allerlei situaties is het namelijk niet goed mogelijk om een specifieke zorgvuldigheidsnorm te construeren die beschermt tegen de door de normschending veroorzaakte schade waarvan redelijk is dat deze vergoed wordt. Dit is onder meer het geval in de in nr. 159 genoemde zaken Claessens/Tijssen,6Cijsouw/De Schelde I,7Legionella,8Friesland/Salverda9 en Amro/Bromet.10 Zie over de ontoereikendheid van de constructie met de zorgvuldigheidsnorm in gevallen van verplaatste schade uitvoerig nr. 681 e.v.