Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.10.2
5.10.2 Mijn commentaar naar aanleiding van het arrest Kampschöer/Le Roux
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306120:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux).
Zie o.a. navolgende jurisprudentie: HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 (RvdW 2014/1014) (Tulip Air) en HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 (RCI Financial Services). Vgl. Assink 2013, par. 6.
HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux), m.n. r.o. 3.4.3 en 3.4.4.
Vgl. Rechtbank Rotterdam 22 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1671 (Connexxion Openbaar Vervoer/the People Corporation), r.o. 4.6 waar gewezen wordt op het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.
Lennarts 1999, p. 264.
Van Bekkum 2015, par. 5.
HR 21 december 2001, RvdW 2002, 6; JOR 2002, 38 (Hurks II).
Vgl. Van Schilfgaarde en Winter 2009, par. 49.
HR 23 mei 2014, JOR 2014, 229 (Kok/mr. Maas q.q.). Zie ook: Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 13 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:203, r.o. 5.15, die daarbij verwijst naar dit arrest. Vrijwel dezelfde overweging treft men aan in: Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 25 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9126/JOR 2015, 3 (De Vries/mr. Wimmenhove-Kossen q.q.), r.o. 6.6.
Van Bekkum 2014.
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).
Van Bekkum 2014, par. 11.
Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant.14.7.
HR 14 november 1997, NJ 1998, 270 (Henkel/JMG).
Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 622 en Olaerts 2007, p. 178.
Van Bekkum 2015, par. 4.
Elke bestuurder draagt op grond van art. 2:9 BW namelijk verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken en dit artikel schept een hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbehoorlijk bestuur. Vgl. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nrs. 194 en 198.
Van een dergelijke kwalitatieve aansprakelijkheid is in mijn opvatting eveneens sprake bij de combinatie van (onder meer) artt. 6:162 jo. 2:11 BW. Anders dan de Hoge Raad oordeelt in het arrest HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux) dient men naar mijn mening voor iedere tweedegraads bestuurder echter nog steeds te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij door zijn bemoeienis met bijvoorbeeld de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld.
In zoverre wijkt art. 6:162 BW derhalve af van onder meer art. 6:166 BW dat onder voorwaarden een hoofdelijke aansprakelijkheid bevat voor het geval een tot een groep behorende persoon onrechtmatig schade toebrengt.
Vgl. Roest 2016, nr. 7.
HR 5 september 2014, RvdW 2014, 1014 (Tulip Air), r.o. 3.5.2.
Vgl. Assink 2013, par. 9.
Ook Roest 2016 is van mening dat in aanzet individuele aansprakelijkheid zich niet van rechtswege mag vertalen in hoofdelijkheid, zelfs niet als de medebestuurders zich kunnen disculperen. Bartman 2016 (a) merkt op dat het argument van Roest in elk geval niet opgaat wanneer de rechtspersoon-bestuurder slechts één bestuurder heeft. Er ontstaat dan immers volgens Bartman geen hoofdelijkheid op tweedegraads niveau.
Vgl. Hellinga 2013, p. 86.
Vgl Hellinga 2013, p. 85.
Vgl. Kamerstukken 16 631, nr. 6, p. 18 en nr. 9, p. 15-16.
De aansprakelijkheid zelf wordt uiteraard niet vergroot, maar de kans op aansprakelijkheid wordt groter.
Zie: Wezeman 1998, p. 372-373. Wezeman geeft aan dat het zinloos is om art. 2:11 BW toe te passen in geval van aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW, aangezien dit niet meer inhoudt dan dat ook tegen de tweedegraads bestuurder ex art. 6:162 BW kan worden geprocedeerd. Het lijkt erop dat Wezeman deze visie later heeft verlaten. Kroeze en Wezeman 2016, pp. 221-222 merken namelijk op dat de aansprakelijkheid waarop art. 2:11 BW betrekking heeft niet tot een bepaalde categorie beperkt is. Vervolgens merken zij op: “Dit kan zijn aansprakelijkheid tegenover de rechtspersoon uit art. 2:9 BW, tegenover derden uit art. 6:162 BW of tegenover de boedel uit art. 2:138/248 BW.” Kroeze en Wezeman 2016, p. 222 voetnoot 5 voegen daar – zonder nadere onderbouwing/toelichting – aan toe: “Zie (nog) in andere zin voor art. 6:162 BW J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, Deventer: Kluwer 1998, p. 372 e.v.”.
Hellinga 2013, p. 85.
Zie daarover: par. 5.9.3.
Hellinga 2013, p. 86 en Lennarts 1999, p. 263.
Vgl. Wezeman 1998, p. 373 die omkering van de bewijslast ten nadele van de tweedegraads bestuurder indien de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder is vastgesteld eveneens te ver vindt gaan.
De Hoge Raad merkt in het arrest Kampschöer/Le Roux1 op dat hij art. 6:162 BW beschouwt als een (specifieke) grond van bestuurdersaansprakelijkheid die onder de reikwijdte van art. 2:11 BW valt. Ingeval sprake is van aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, dan is de hoofdelijke aansprakelijkheid op dezelfde grondslag van de tweedegraads bestuurder(s) in beginsel gegeven. Door aldus te oordelen, maakt de Hoge Raad een einde aan een al langere tijd in de jurisprudentie en doctrine bestaande onduidelijkheid. Of op een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder een vorm van collectieve bestuurdersaansprakelijkheid vermeld in Boek 2 BW rust of de individuele bestuurdersaansprakelijkheid van art. 6:162 BW, dat maakt in de opvatting van de Hoge Raad in zijn uitwerking niet uit.
Indien een schuldeiser een tweedegraads bestuurder aansprakelijk wenst te houden op grond van art. 6:162 BW, dient die schuldeiser per tweedegraads bestuurder aan te tonen dat voldaan is aan de voor een dergelijke aansprakelijkheid geldende eisen. De schuldeiser in kwestie dient per tweedegraads bestuurder onder meer aan te tonen dat sprake is van een “persoonlijk ernstig verwijt”.2 Dat kan uiteraard lastig zijn. Hoe lastiger de bewijslast voor de schuldeiser is, hoe lastiger het is om daadwerkelijk tot een aansprakelijkheid van een (tweedegraads) bestuurder te komen. De Hoge Raad verbindt aan art. 2:11 BW in combinatie met art. 6:162 BW een regeling omtrent bewijslastverdeling. Daarmee komt de Hoge Raad de schuldeiser tegemoet in zijn lastige bewijspositie. Om tot een indirecte aansprakelijkheid van tweedegraads bestuurders op grond van artt. 6:162 jo.2:11 BW te komen, dient een schuldeiser “slechts” het handelen dat aan de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder kan worden toegerekend te toetsen aan de maatstaven van art. 6:162 BW. Is die eerstegraads rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk, dan zijn de tweedegraads bestuurders in beginsel allen “automatisch” hoofdelijk aansprakelijk.3 De omvang van de aansprakelijkheid verschilt alsdan in beginsel niet per individuele tweedegraads bestuurder. Voordeel van de opvatting van de Hoge Raad – althans vanuit het perspectief van een schuldeiser – is derhalve dat de schuldeiser die erin slaagt bestuurdersaansprakelijkheid van een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder aan te tonen, er in beginsel min of meer automatisch ten minste één (hoofdelijk aansprakelijke) schuldenaar (de tweedegraads bestuurder) bijkrijgt. Het behoeft geen betoog dat het beschikken over meerdere schuldenaren (de eerstegraads bestuurder én de tweedegraads bestuurders) de verhaalsmogelijkheden voor een schuldeiser vergroot ten opzichte van de situatie waarin een schuldeiser slechts over één schuldenaar (de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder) “beschikt”.
Op basis van de tekst van art. 2:11 BW kan men de door de Hoge Raad voorgestane “automatische” aansprakelijkheid van een tweedegraads bestuurder zeer goed verdedigen. In dat artikel staat immers dat de bestuurdersaansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder hoofdelijk rust op de tweedegraads bestuurders. Dat gezegd zijnde, kan ik mij niet verenigen met de wijze waarop de Hoge Raad de bewijslast verdeelt tussen de schuldeiser en tweedegraads bestuurders. Die bewijslastverdeling brengt mee dat tweedegraads bestuurders geconfronteerd kunnen worden met bestuurdersaansprakelijkheid waarmee zij niet of niet noodzakelijkerwijze geconfronteerd zouden worden indien zij rechtstreeks bestuurders zouden zijn geweest. Hierna licht ik mijn kritiek op het arrest nader toe.
De hoge Raad laat ten onrechte de aanpak van misbruik prevaleren boven de rechtszekerheid
Bestuurders dienen onder omstandigheden in het belang van de bestuurde rechtspersoon scherp aan de wind te kunnen zeilen. Zij dienen – soms noodgedwongen – risico’s te nemen die anderen liever vermijden. Het bijzondere karakter van het zijn van bestuurder brengt mee dat aan bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW strenge eisen worden gesteld.4 Om die reden heeft het vereiste van het persoonlijk ernstig verwijt zijn intrede gedaan in de jurisprudentie. Zonder dit aspect uitdrukkelijk te benoemen, laat de Hoge Raad in het arrest Kampschöer/Le Roux de wens om misbruik van rechtspersoonlijkheid tegen te gaan, prevaleren boven de rechtszekerheid. Door de aanname dat een tweedegraads bestuurder van een op grond van art. 6:162 BW aansprakelijke eerstegraads rechtspersoon-bestuurder automatisch aansprakelijk is “via” art. 2:11 BW kan misbruik van rechtspersoonlijkheid worden tegengegaan. Echter: aangezien een dergelijke “automatisch aansprakelijke” tweedegraads bestuurder vervolgens maar dient te stellen en – zo nodig – dient te bewijzen dat hem persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, komt mijns inziens de rechtszekerheid op de tocht te staan. Dat geldt in elk geval voor de tweedegraads bestuurder in kwestie. Het is namelijk maar zeer de vraag of zo’n tweedegraads bestuurder die automatische aansprakelijkheid van zich af kan werpen. Toepassing van art. 2:11 BW op de wijze zoals de Hoge Raad die voorstaat, leidt ertoe dat voor de bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW wordt verondersteld dat de tweedegraads bestuurder(s) een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden. Het aantonen van schuld is in de opvatting van de Hoge Raad in feite niet langer vereist voor een geslaagd beroep op art. 6:162 BW. Mijns inziens druist de bewijsregel die de Hoge Raad – niet de wetgever – introduceert in tegen de onschuldpresumptie waarvan art. 6:162 BW uitgaat. Het uitgangspunt van art. 6:162 BW is namelijk dat eenieder alleen aansprakelijk kan zijn voor zijn eigen daden en nalatigheden, tenzij uitdrukkelijk uit de wet anders voortvloeit. Men kan mij tegenwerpen dat art. 2:11 BW kan worden beschouwd als een dergelijke wettelijke basis waaruit anders voortvloeit. Gelet op onder meer het feit dat ik art. 2:11 BW een neutrale werking toeken en ik in de wetsgeschiedenis geen basis aantref voor de “automatische” werking van art. 2:11 BW in gevallen als de onderhavige (zie hierna), beschouw ik dat artikel niet als een artikel dat afwijking van de basisprincipes van art. 6:162 BW rechtvaardigt.
De Hoge Raad gaat mijns inziens wel erg gemakkelijk voorbij aan de last die hij oplegt aan de in beginsel aansprakelijk geachte tweedegraads bestuurder. Van een (zeer) behoorlijk handelend (tweedegraads) bestuurder mag men mijns inziens verwachten dat hij/zij zich op de hoogte houdt c.q. laat houden van bestuursaangelegenheden. Tevens mag men verwachten dat een dergelijke bestuurder zo nodig – al is het maar om achteraf niet met aansprakelijkstellingen geconfronteerd te worden – kwesties (zoals eigen standpunten) schriftelijk bevestigt c.q. vastlegt of (in notulen) laat vastleggen. Uitgaande van de opvatting van de Hoge Raad geldt echter dat de in beginsel aansprakelijk geachte tweedegraads bestuurder onder meer zal dienen te stellen, aannemelijk zal dienen te maken en “zo nodig” (hetgeen er in de praktijk op neerkomt: altijd of vrijwel altijd) zal dienen te bewijzen dat hij niet, dan wel nauwelijks betrokken is geweest bij de gewraakte handelingen en uitdrukkelijk daarvan afstand heeft genomen. Hij dient aan te tonen dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt treft. Zelfs een (zeer) behoorlijk handelend (tweedegraads) bestuurder zal dergelijk tegenbewijs echter onmogelijk of erg lastig kunnen leveren. Bij een “normale” bewijslastverdeling (lees: een bewijslastverdeling waarin de schuldeiser onder meer het persoonlijk ernstige verwijt aan de zijde van een tweedegraads bestuurder dient aan te tonen) speelt dit tot op zekere hoogte natuurlijk ook. Daar is het echter zo dat de tweedegraads bestuurder zich geconfronteerd ziet met concrete aantijgingen vanuit de schuldeiser die hij (de tweedegraads bestuurder) kan trachten te weerleggen.
Gevolg van de bewijsregel die de Hoge Raad introduceert, is dat het de facto gemakkelijker is om (via art. 2:11 BW) op grond van art. 6:162 BW een (tweedegraads) bestuurder aansprakelijk te houden dan om een willekeurige derde (voor wie de persoonlijk ernstig verwijt-maatstaf niet geldt) aansprakelijk te houden. Daarbij vraag ik mij af in hoeverre nog daadwerkelijk gesproken kan worden over een persoonlijk ernstig verwijt indien je als tweedegraads bestuurder automatisch wordt opgezadeld met een aansprakelijkheid op grond van artt. 6:162 jo. 2:11 BW. Ik vind dat het niet de bedoeling kan zijn dat tweedegraads bestuurders automatisch aansprakelijk zijn, zulks al helemaal niet gelet op het feit dat de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder ook kan berusten op het gedrag van andere functionarissen, zoals andere tweedegraads bestuurders.
In aansluiting op het vorenstaande geldt dat het helemaal niet nodig is om door middel van omkering van de bewijslast “via art. 2:11 BW” misbruik van rechtspersoonlijkheid aan te pakken. Dergelijk misbruik wordt door de geïntroduceerde bewijslastverdeling lastiger gemaakt, maar dat misbruik kon en kan al worden tegengegaan door naast de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder de tweedegraads bestuurders rechtstreeks op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk te stellen.5 De op art. 6:162 BW gebaseerde normen voor de aansprakelijkheid van bestuurders zijn namelijk rechtstreeks van toepassing op tweedegraads bestuurders. Een schuldeiser dient aan te tonen dat de tweedegraads bestuurders zich hebben bemoeid met het beleid en dat zij daardoor een zorgplicht hebben geschonden. Er gold en er geldt geen beperking om het handelen van de individuele tweedegraads bestuurders aan deze normen te toetsen. In de context van art. 6:162 BW is het derhalve niet nodig om art. 2:11 BW toe te passen om te voorkomen dat een natuurlijke persoon zijn aansprakelijkheid als bestuurder kan ontlopen door zijn bestuurstaken formeel te laten verrichten door een rechtspersoon.6
In dit kader wijs ik op een arrest uit 20017 waarin de Hoge Raad de bestuurder van de moedermaatschappij die uit onrechtmatige daad aansprakelijk werd gehouden jegens schuldeisers van haar dochtervennootschap, ook zelf onrechtmatig handelen jegens die schuldeisers verwijt.8 Tevens wijs ik op een arrest uit 2014 waarin de Hoge Raad een tweedegraads bestuurder-natuurlijk persoon rechtstreeks aansprakelijk acht op grond van onrechtmatige daad.9 De Hoge Raad gaat in het betreffende arrest in op de aansprakelijkheid van een tweedegraads bestuurder en op de vraag of voor die aansprakelijkheid relevantie toekomt aan het feit dat die bestuurder niet direct, maar indirect bestuurder is.10 De Hoge Raad oordeelt dat dat niet zo is. Hij stelt dat de maatstaf uit het arrest Ontvanger/Roelofsen11 ook van toepassing is op een tweedegraads bestuurder. De route via art. 2:11 BW naar de tweedegraads bestuurder kan derhalve gevolgd worden, maar dat is niet noodzakelijk.12 De (eerstegraads of tweedegraads) bestuurder die weet of behoort te weten dat schade zal worden aangericht én vanuit zijn positie redelijkerwijs bij machte is om die schade te voorkomen, kan daartoe gehouden zijn. Terzijde merk ik op dat ook personen die niet formeel bestuurder zijn, doch wel (mede) het beleid van een rechtspersoon bepalen onder omstandigheden rechtstreeks op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk kunnen zijn ten opzichte van derden, zoals niet-betaalde crediteuren.13 Een (mede-) beleidsbepaler is niet slechts aansprakelijk indien de vereiste wetenschap (omtrent benadeling van crediteuren) aanwezig is, maar onder omstandigheden eveneens indien hij zich intensief met de bedrijfsvoering bezighoudt en in feite de volledige zeggenschap heeft over de rechtspersoon.14 Naast intensieve bemoeienis met de bedrijfsvoering is voor de aansprakelijkheid eveneens persoonlijke verwijtbaarheid vereist.15
De hoge Raad laat het door art. 6:162 BW verlangde causale verband los
Art. 6:162 BW vereist een causaal verband tussen handelen/nalaten enerzijds en schade anderzijds. Ik ben van mening dat dat causale verband bij de door de Hoge Raad voorgestane “automatische” doorwerking van art. 2:11 BW naar tweedegraads bestuurders wordt losgelaten althans ten onrechte verondersteld wordt aanwezig te zijn. De schade is namelijk niet noodzakelijkerwijs het gevolg van handelen/nalaten van een tweedegraads bestuurder, terwijl die in beginsel wel aansprakelijk wordt gehouden.
De Hoge Raad behandelt ten onrechte collectieve en individuele aansprakelijkheid op dezelfde wijze
Boek 2 BW gaat in het algemeen uit van een collectieve aansprakelijkheid van het hele bestuur.16 Voor de aansprakelijkheid van een eerstegraads bestuurder op grond van art. 2:9 BW geldt bijvoorbeeld in beginsel het uitgangspunt van collegialiteit.17 Men kan stellen dat de aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder op grond van artt. 2:9 jo. 2:11 BW een kwalitatief karakter heeft.18Art. 2:138/248 BW bepaalt dat onder omstandigheden iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is. In beginsel (behoudens disculpatie) is een bestuurder derhalve ook aansprakelijk voor de gedragingen en het nalaten van zijn medebestuurder(s).
Art. 6:162 BW daarentegen biedt geen grondslag voor collectieve aansprakelijkheid. Dat artikel benadert de aansprakelijkheid van een persoon op individuele basis. Zelfs de tekst van art. 6:162 BW benadrukt die individualiteit: “Hij die …”.19 In dat artikel wordt niet gesproken over andere personen dan deze persoon. Steeds is vereist dat de aangesproken bestuurder zich persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige gedraging.20 Een benadeelde zal niet alleen moeten aantonen dat hem persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, maar tevens moeten (kunnen) onderbouwen waarom dat het geval is.21 Wordt ten aanzien van één bestuurder vastgesteld dat hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, dan is de aansprakelijkheid van de andere bestuurders daarmee nog niet gegeven.22 Gegeven deze individuele benadering kan mijns inziens niet het standpunt van de Hoge Raad worden aanvaard dat – indien een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder individueel aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW – diens bestuurders vervolgens “ineens” (via art. 2:11 BW) in beginsel collectief aansprakelijk zijn.23
Bij het doorgrijpen naar een tweedegraads bestuurder via art. 2:11 BW dient men mijns inziens niet aan de collectieve, dan wel individuele aard van de aansprakelijkheden te tornen. Indien men de abstractietheorie toepast, doet men alsof een tweedegraads bestuurder eerstegraads bestuurder is. In dat geval geldt dat – teneinde de bestuurder in kwestie aansprakelijk te kunnen houden op grond van art. 6:162 BW – men onder meer dient aan te tonen dat hem persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ten aanzien van elke bestuurder zal men derhalve stellen en moeten (kunnen) bewijzen dat voldaan is aan de bestanddelen van art. 6:162 BW. Per tweedegraads bestuurder dient de betreffende toets te worden uitgevoerd, waarbij aan die tweedegraads bestuurder de daarbij behorende disculpatiemogelijkheden toekomen. Door de automatische doorwerking van art. 2:11 BW zoals de Hoge Raad die voorstaat, wordt een bestuurder die wellicht geen blaam treft aansprakelijk geacht voor de onrechtmatige gedragingen van een andere bestuurder.24 Indien een bestuurder de bestuurstaak rechtstreeks uitvoert, zou voor zijn aansprakelijkheid het aantonen van een persoonlijk ernstig verwijt zijn vereist, terwijl als hij deze taken indirect (door tussenschakeling van een rechtspersoon-bestuurder) uitvoert, voor zijn aansprakelijkheid ook een persoonlijk ernstig verwijt dat uitsluitend de (eerstegraads) rechtspersoon-bestuurder en zijn tweedegraads medebestuurders treft voldoende kan zijn. Bij die tweedegraads bestuurder kan de persoonlijke verwijtbaarheid ontbreken, terwijl die bestuurder niet slaagt in het bewijs van het ontbreken daarvan. Dat gaat mijns inziens (veel) te ver. Uitgaande van het arrest Kampschöer/Le Roux kan een merkwaardige situatie ontstaan indien sprake is van meerdere tweedegraads bestuurders. Gedragingen van een (tweedegraads) natuurlijk persoon-bestuurder worden toegerekend aan de (eerstegraads) rechtspersoon-bestuurder. Vervolgens kan het echter ook zo zijn dat een andere (tweedegraads) natuurlijk persoon-bestuurder via art. 2:11 BW aansprakelijk wordt gehouden, terwijl laatstgenoemde persoon aan de onrechtmatige gedraging(en) van zijn medebestuurder geen bijdrage hoeft te hebben geleverd. Sterker nog: het kan zo zijn dat hij daarvan geen enkele wetenschap heeft gehad.25
Het zijn van tweedegraads bestuurder verwordt tot een soort risicoaansprakelijkheid
Gedachte achter art. 2:11 BW is dat een natuurlijk persoon vanuit het perspectief van bestuurdersaansprakelijkheid geen voordeel hoeft te hebben van het feit dat hij een (door hem gecontroleerde) rechtspersoon als bestuurder “tussenschakelt”. Was die natuurlijke persoon namelijk direct bestuurder geweest, dan zou hij onder omstandigheden zelf bestuurdersaansprakelijk (kunnen) zijn. Laat diezelfde natuurlijke persoon de functie van bestuurder uitoefenen door een rechtspersoon, dan zou de betreffende natuurlijke person – zonder een bepaling als die van art. 2:11 BW – aan bestuurdersaansprakelijkheid ontkomen. Om die reden is in art. 2:11 BW een hoofdelijke aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurders vastgelegd.26
Dat een natuurlijk persoon geen voordeel hoeft te hebben van het feit dat hij ten minste één rechtspersoon-bestuurder heeft “tussengeschakeld”, betekent mijns inziens nog niet dat hij door aldus te handelen een nadeel dient te hebben. Zoals de titel van dit onderzoek aangeeft, betreft art. 2:11 BW mijns inziens in feite niet meer dan een “doorgeefluik” van aansprakelijkheid. Door de automatische doorwerking “via art. 2:11 BW” van de aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW van de eerstegraads bestuurder naar de tweedegraads bestuurder(s) maakt de Hoge Raad van art. 2:11 BW een soort “aansprakelijkheidsvergroter”.27 Die “vergroting” – of wellicht beter gezegd: “verzwaring” – treedt op ten opzichte van de situatie waarin de tweedegraads bestuurders eerstegraads bestuurders zouden zijn geweest. Daarnaast treedt een verzwaring op ten opzichte van de situatie waarin men rechtstreeks de tweedegraads bestuurders ex art. 6:162 BW aansprakelijk zou stellen. Die verzwaring is gelegen in het feit dat personen aansprakelijk worden gehouden die – waren zij eerstegraads bestuurders geweest – wellicht helemaal niet aansprakelijk zouden zijn. Dat laatste kan het geval zijn indien niet aangetoond kan worden dat die personen persoonlijk een ernstig verwijt treft. De betreffende tweedegraads bestuurders hebben door deze gang van zaken een processueel nadeel. Zij worden namelijk geacht in beginsel aansprakelijk te zijn, tenzij zij zich kunnen disculperen. Daarmee verwordt het zijn van bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder tot een soort “risicoaansprakelijkheid”. Er is als het ware sprake van een soort sanctie op het zijn van tweedegraads bestuurder.
Aanhangers van de opvatting van de Hoge Raad zullen mij tegenwerpen dat van een “aansprakelijkheidsvergroter” toch ook sprake is ingeval art. 2:11 BW wordt toegepast op bijvoorbeeld art. 2:9 BW en op artt. 2:138/248 BW. Waarom dan niet ingeval art. 2:11 BW wordt toegepast op (onder meer) art. 6:162 BW? Mijn antwoord daarop is dat ook in geval van toepasselijkheid van art. 2:11 BW op de op artt. 2:9 en 2:138/248 BW gebaseerde bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake is van een daadwerkelijke vergroting van de aansprakelijkheid. De personen die bij toepassing van laatstgemelde artikelen namelijk via art. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk worden, zouden dat ook zijn indien artt. 2:9 en 2:138/248 BW rechtstreeks op die personen van toepassing zouden zijn. Deze artikelen bevatten een vorm van collectieve aansprakelijkheid. Die collectiviteit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat die artikelen de volgende termen gebruiken: “Elke bestuurder”, “iedere bestuurder”, “hoofdelijk aansprakelijk”, “voor het geheel aansprakelijkheid” en “de aan anderen toebedeelde taken”. Daarnaast geldt dat die collectiviteit blijkt uit het feit dat niet op voorhand van ieder van de in de betreffende artikelen genoemde bestuurders een ernstig verwijt aangetoond behoeft te worden.
De door de hoge raad geïntroduceerde bewijslastverdeling is niet nodig om strijd met het doel en de strekking van art. 2:11 BW te voorkomen
De zware bewijslast die de Hoge Raad aan tweedegraads bestuurders oplegt, is niet nodig om strijd met het doel en de strekking van art. 2:11 BW te voorkomen. Doel van art. 2:11 BW is dat uiteindelijk ten minste één natuurlijk persoon bestuursverantwoordelijkheid draagt. Strekking is het voorkomen van misbruik van rechtspersoonlijkheid door het op tweedegraads bestuurders van overeenkomstige toepassing verklaren van aansprakelijkheidsbepalingen die gelden voor eerstegraads bestuurders. Tegen een tweedegraads bestuurder dienen namelijk dezelfde aansprakelijkheidsbepalingen te kunnen worden ingeroepen als tegen een eerstegraads bestuurder.28 Van misbruik van rechtspersoonlijkheid kan bij een aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW echter geen sprake zijn. De schuldeiser kan bij een dergelijke aansprakelijkstelling zijn pijlen namelijk al rechtstreeks richten op de natuurlijke persoon die uiteindelijk bestuursverantwoordelijkheid draagt (de tweedegraads bestuurder). Alleen de bestuurder die de verweten gedraging persoonlijk heeft verricht, kan daar op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk voor worden gehouden. Bij de aansprakelijkheden die vermeld zijn in Boek 2 BW ligt dat anders. Die bepalingen richten zich namelijk tot de eerstegraads bestuurder. Is dit een rechtspersoon-bestuurder die bijvoorbeeld geen verhaal biedt, dan kan zonder een bepaling met de inhoud van art. 2:11 BW aan de aansprakelijkheid gebaseerd op bepalingen uit Boek 2 BW op gemakkelijke wijze ontkomen worden.29
Wetsgeschiedenis is te onduidelijk om een automatische doorwerking te rechtvaardigen
De Hoge Raad verwijst in het onderhavige arrest naar een passage uit de wetsgeschiedenis waarin een aanknopingspunt kan worden gevonden voor het onder de reikwijdte van art. 2:11 BW scharen van de aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW.30 De betreffende passage heeft naar mijn mening inderdaad als strekking dat art. 2:11 BW van toepassing is op de bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. Mijns inziens kan uit de opmerking van de Minister echter niet meer worden afgeleid dan dat hij niet inziet waarom art. 2:11 BW in het geschetste geval niet van toepassing zou zijn.31 De Minister heeft tijdens de parlementaire behandeling van (de voorloper van) art. 2:11 BW niet klip en klaar gezegd dát art. 2:11 BW betrekking heeft op (onder meer) de aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. Het is naar mijn mening derhalve niet zo dat de wetgever heel goed heeft nagedacht over toepasselijkheid van art. 2:11 BW op de aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW en al zeker niet over de wijze waarop die toepasselijkheid gestalte dient te krijgen. Anders dan de Hoge Raad blijkbaar meent, hoeft het mede daarom helemaal niet zo te zijn dat art. 2:11 BW in dit geval praktische betekenis dient toe te komen.
Mijns inziens dient aan art. 2:11 BW in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW geen praktisch/bewijsrechtelijk nut toe te komen. Aan het woord “hoofdelijk” in art. 2:11 BW komt naar mijn mening in dat kader geen betekenis toe (ik verwijs naar de abstractietheorie). De opvatting van de Hoge Raad is naar mijn mening slechts redelijk in de situatie waarin ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder sprake is van slechts één tweedegraads bestuurder en overigens geen sprake is van functionarissen wier gedrag toegerekend kan worden aan de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder. Veelal zal het zo zijn dat juist het gedrag van de tweedegraads bestuurder wordt toegerekend aan de eerstegraads bestuurder en dat op deze wijze tot aansprakelijkheid van die eerstegraads rechtspersoon-bestuurder wordt gekomen. Indien er – zoals zo vaak – meerdere tweedegraads bestuurders zijn, werkt de opvatting van de Hoge Raad naar mijn mening niet redelijk uit.32
Conclusie commentaar op het arrest Kampschöer/Le Roux
Art. 2:11 BW is ooit bedoeld om de figuur van de rechtspersoon-bestuurder in het Nederlandse rechtspersonenrecht te kunnen handhaven. Alle mooie bedoelingen die de Hoge Raad wellicht heeft ten spijt (schuldeisers en curatoren zien hun kansen toenemen om hun vorderingen te verhalen), kan de door hem geïntroduceerde bewijslastverdeling meebrengen dat die figuur aan populariteit zal inboeten. Gelet op de zienswijze van de Hoge Raad is het voor een persoon namelijk in het algemeen gunstiger om direct bestuurder te zijn van een rechtspersoon dan om (indirect) “via” een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder te zijn. In laatstgemeld geval kan een tweedegraads bestuurder immers opgezadeld worden met een “automatische aansprakelijkheid” en daardoor met de zware last om een negatief feit (“mij valt persoonlijk geen ernstig verwijt te maken”) aan te tonen.