De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.8:5.8 Slotbeschouwing
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.8
5.8 Slotbeschouwing
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Engelse geschiedenis van wetgeving met betrekking tot de vermogensdelicten laat een problematiek zien die frappante overeenkomsten vertoont met de problematiek in het Nederlandse systeem: beide landen kennen in meer of mindere mate versnipperde, soms moeilijk te hanteren strafbaarstellingen, met leemtes en processuele problemen bij vervolging voor het verkeerde delict. In het Engelse systeem speelden die problemen vóór 1968, toen de law of larceny nog in werking was. De law of larceny kende vrij specifieke strafbepalingen. De belangrijkste problemen waren toen de moeilijkheid en complexiteit van de wet en de omstandigheid dat bepaalde vormen van oneerlijkheid niet strafbaar waren terwijl ze dat wel zouden moeten zijn. Het gevolg was dat het recht niet meer te hanteren was voor jury’s en dat verdachten ten onrechte vrijuit gingen. De law of larceny werd te gebrekkig bevonden en het Engelse systeem van de vermogensdelicten is sinds 1968 daarom volledig herzien.
Het Engelse systeem van de vermogensdelicten is nu gebouwd rondom het zeer ruime delict theft. Het is echter niet zo dat de Engelsen met slechts één vermogensdelict toe kunnen. Andere belangrijke vermogensdelicten zijn robbery, blackmail, burglary en fraud. Grof gezegd komen deze strafbepalingen gezamenlijk overeen met de Nederlandse delicten diefstal, verduistering, afpersing en oplichting. Tussen de Engelse delicten bestaan geen scherpe scheidslijnen. Overlap werd vanaf de inwerkingtreding voorzien.
Het grote verschil tussen het Nederlandse en het Engelse recht is niet dat het Nederlandse recht formele delicten kent en het Engelse materiële. Integendeel, het is inmiddels eerder andersom. Ook in Engeland wordt het onderscheid tussen formele en materiële delicten kennelijk als een soort wetgevingstechniek gebruikt. Door delicten op een materiële manier te beschrijven ontstaan ruime delicten, die een lappendeken van strafbaarstellingen zoals waarvan onder de law of larceny sprake was voorkomen.
Bij vergelijking van het Engelse theft met het Nederlandse diefstal vallen een aantal dingen op. In de eerste plaats is opmerkelijk dat de delicten wat betreft hun bestanddelen niet erg uiteenlopen. Het is eigenlijk alleen het bestanddeel appropriation dat ruimer is dan het Nederlandse wegnemen. Het maakt dat ook wat wij verduistering noemen onder theft kan worden gebracht. Wat vervolgens opvalt, is dat de bestanddelen wegnemen en appropriation zich heel verschillend hebben ontwikkeld. Zoals in hoofdstuk 3 bleek, moet wegnemen in de Nederlandse diefstalbepaling inmiddels materieel worden uitgelegd. Om tot een bewezenverklaring van wegnemen te komen is een gevolg nodig, namelijk dat de verdachte zich de feitelijke heerschappij over een goed heeft verschaft of een goed heeft onttrokken aan de feitelijke heerschappij van een ander. Het subjectieve bestanddeel oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft daardoor veel van zijn belang verloren. In Engeland heeft zich juist een tegengestelde beweging voorgedaan. Appropriation wordt zo ruim uitgelegd dat zo ongeveer iedere handeling ten opzichte van een goed van een ander voldoet. Het is een puur feitelijke handeling geworden. Als gevolg daarvan is het delict ontzettend ruim geworden. Dat maakt dat veel gewicht toekomt aan het subjectieve bestanddeel dishonesty. Theft is daarmee een delict met een vrij formele omschrijving geworden. Vergelijking van oplichting met fraud laat iets soortgelijks zien. Voor oplichting is afgifte van een goed door het slachtoffer vereist. Bij het Engelse fraud ligt de nadruk juist op het verboden gedrag en de intentie van de verdachte, en niet zozeer op de gevolgen.
Het ruime begrip theft maakt dat gevallen die in Nederland problematisch zijn dat in Engeland minder zijn. Met de simkaart-zaak en de tankpas-zaak zullen de Engelsen vermoedelijk geen problemen hebben. Het onbevoegde gebruik levert zonder meer een appropriation op. Wat ook in Engeland lastig is, zijn zaken in zelfbedieningssituaties. Een appropriation is snel aanwezig, maar vervolgens moet wel bewezen worden dat de verdachte op het moment dat hij in een supermarkt een goed uit het schap pakt of bij een tankstation de benzine in zijn tank laat lopen de oneerlijke intentie had om het goed permanent aan de eigenaar te ontnemen. Die intentie moet er op het moment van de appropriation zijn. Een later opkomende intentie zorgt voor moeilijkheden omdat het maar de vraag is of het goed dan nog wel, zoals vereist, aan een ander toebehoort.
Afgrenzingsproblemen in Engeland zijn beperkt tot theft en fraud. Door de opbouw van het Engelse systeem liggen andere afgrenzingsproblemen ook niet voor de hand. In grensgevallen ligt een vervolging voor fraud meer voor de hand dan een vervolging wegens theft. Het delict fraud is zo mogelijk nog ruimer dan theft en bovendien makkelijker te bewijzen.
De Engelse geschiedenis van wetgeving laat verschillende argumenten vóór ruime strafbaarstellingen zien. Ruime strafbaarstellingen zijn eenvoudig en effectief, in die zin dat veel ongewenst gedrag er onder valt. Burgers worden zo bezien goed beschermd. De ontwikkeling die het delict theft, meer in het bijzonder het bestanddeel appropriation, heeft doorgemaakt toont echter meteen een groot nadeel: ruime delicten kunnen ontzettend breed en vaag zijn, waardoor strafbaarheid afhankelijk is van een subjectief bestanddeel. In het kader van de rechtszekerheid lijkt dat geen goede zaak. Op de voor- en nadelen van algemene en specifieke strafbaarstellingen zal in het slothoofdstuk nog nader worden ingegaan.