Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/7.3.5.6
7.3.5.6 Rechterlijke machtiging
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS495377:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 7:835 lid 2 sub e BW
Artikel 2:18 lid 4 BW.
P.J. Dortmond, `De besturende commanditaire vennoot; de openbare houdstervennootschap', Ondernemingsrecht 2003-4, p. 107.
Artikel 2:18 lid 5 derde zin BW.
Artikel 7:835 lid 3 BW
Artikel 2:181 lid 2 BW.
Zie voor wat betreft de vennoten voor wie dit geldt hiervoor onder 4.3.5. Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 68.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 68.
C.W. de Monchy, 'Nieuwe omzettingen in het vennootschapsrecht', Ondernemingsrecht 20034, p. 124-132.
M.J.G.C. Raaijmakers, 'Reorganisaties van personenvennootschappen in het ontwerp Titel 7.13 NBW', WPNR 2003-6524, p. 253.
Ibidem.
Artikel 2:318 lid 2 BW
Artikel 2:334n lid 2 BW.
Rechterlijke machtiging1 is hier vereist vanwege het verschillende karakter van beide rechtsvormen waaraan specifieke problemen verbonden zijn. In Boek 2 BW is rechterlijke machtiging vereist indien een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid van rechtsvorm wordt gewijzigd in een vereniging.2
De rechter heeft in elk geval de volgende weigeringsgronden:
indien het vereiste besluit nietig is of indien een rechtsvordering tot vernietiging daarvan aanhangig is;
indien de belangen van de aandeelhouders die niet hebben ingestemd onvoldoende zijn ontzien;
indien een aandeelhouder die niet heeft ingestemd en geen vennoot wil worden van de besloten vennootschap op zijn schriftelijk verzoek geen schadeloosstelling heeft verkregen voor het verlies van zijn aandelen.
Zoals hiervoor gezegd, is ook deze opsomming niet limitatief. Het staat de rechter vrij de machtiging op andere, goede, gronden te weigeren. Te denken valt bijvoorbeeld aan de toets of de OVR voldoet aan de definitiebepaling van artikel 7:801 lid 1 BW.3 De gronden genoemd onder 1 en 2 zijn eveneens opgenomen in artikel 2:18 BW Artikel 2:18 BW breidt dit echter uit door ook anderen, van wie ten minste iemand zich tot de rechter heeft gewend, te beschermen.4 Hoewel ook artikel 7:835 BW deze categorie niet noemt, kan de rechter bij de beoordeling deze belangen in acht nemen.
Het feit dat de rechter de belangen van niet-instemmende aandeelhouders bekijkt, houdt in dat bij het overleggen van het verzoekschrift duidelijk dient te zijn wie van de aandeelhouders voor en wie tegen de beoogde rechtsvormwijziging heeft gestemd. Dat zal dienen te blijken uit het te overleggen besluit. Een aandeelhouder kan om diverse redenen ageren tegen rechtsvormwijziging in een OVR. De aandeelhouder kan tegen het besluit hebben gestemd, van oordeel zijn dat de hem toekomende deelgerechtigdheid te summier is ofwel zijn potentiële winstgerechtigheid zien verminderen. Vanwege de persoonlijke aansprakelijkheid van de rechtsvorm OVR kan er weerstand zijn tegen een dergelijke rechtsvormwijziging. Het zal niet altijd eenvoudig zijn een gedegen schadeloosstelling vast te stellen met inachtneming en weging van al deze factoren om tot een voor alle betrokkenen bevredigend resultaat te komen.
Het bestuur van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid dient een verzoekschrift bij de rechtbank in. De functie van de rechterlijke machtiging ligt vooral in bescherming van de positie van de aandeelhouders die hun aandelen verliezen en al dan niet als vennoot terugkeren.5 Deze bescherming is vergelijkbaar met de bescherming die Boek 2 BW biedt bij de rechtsvormwijziging van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvoor eveneens een regeling met betrekking tot schadeloosstelling geldt.6 Een aandeelhouder die geen vennoot wenst te worden, kan schadeloosstelling verzoeken vanwege het verlies van zijn aandeel. De wet stelt wel als eis voor toekenning van schadeloosstelling dat de vennoot niet heeft ingestemd met het besluit tot rechtsvormwijziging.7 De waarde daarvan wordt bepaald met inachtneming van artikel 2:351 en 2:352 BW indien niet tot onderlinge overeenstemming wordt gekomen.
Aandeelhouders worden na rechtsvormwijziging geconfronteerd met persoonlijke aansprakelijkheid voor verbintenissen van de vennootschap die na rechts-vormwijziging ontstaan.8 De aandeelhouder moet de keuze hebben om dat te aanvaarden of niet. Daarom dient de wettelijke regeling een reële keuze mogelijk te maken. De eis van rechterlijke machtiging in combinatie met de mogelijkheid voor aandeelhouders tot schadeloosstelling voor het verlies van hun aandelen voorziet in een deugdelijke bescherming.
De Monchy9 stelde voor in plaats van rechterlijke machtiging een verzetrecht voor aandeelhouders te introduceren zodat de rechter alleen een rol vervult indien dat noodzakelijk is. Ik onderschrijf een dergelijk voorstel niet vanwege het feit dat een verzetrecht een actieve rol van een aandeelhouder verwacht die meent geschaad te worden. Zonder actie van de aandeelhouder geen bescherming. Ook is de suggestie geopperd dat in de algemene vergadering van aandeelhouders waarin tot rechtsvormwijziging besloten wordt, deze mededeling gedaan kan worden.10 Deze suggestie ondersteun ik evenmin aangezien een aandeelhouder niet aanwezig hoeft te zijn op de betreffende vergadering waarin tot rechtsvormwijziging besloten is.
Bij de huidige regeling van schadeloosstelling wordt elke aandeelhouder betrokken. Dat vind ik essentieel vanwege de persoonlijke verbondenheid van vennoten na rechtsvormwijziging. Ik acht het noodzakelijk dat een aandeelhouder op de mogelijkheid van schadeloosstelling in persoon wordt gewezen zodat deze niet in een later stadium geconfronteerd kan worden met persoonlijke gevolgen die wellicht niet gewenst zijn.
Raaijmakers11 stelde voor in plaats van rechterlijke machtiging een voetverklaring te introduceren zoals ook voor juridische fusie12 en splitsing13 geldt. Vanwege de bescherming van de uittredende aandeelhouders is rechterlijke bescherming echter terecht op zijn plaats.
Bij rechtsvormwijziging op grond van Boek 2 BW worden niet-instemmende aandeelhouders niet per definitie beschermd. De voorgestelde regeling gaat dus beduidend verder in het beschermen van niet-instemmende aandeelhouders. Dat acht ik gerechtvaardigd vanwege het feit dat een OVR persoonlijke gebondenheid van de vennoten tot gevolg heeft.
Een dergelijke persoonlijke gebondenheid kan alleen voorkomen worden door rechtsvormwijziging in een commanditaire openbare vennootschap (CVR) op grond waarvan de aandeelhouders als commanditair vennoot kunnen optreden waardoor hun aansprakelijkheid evenzeer beperkt wordt. De regeling van artikel Boek 7 BW is ook op een dergelijke rechtsvormwijziging van toepassing inclusief alle daarin opgenomen beschermende bepalingen, zoals het recht op schadeloosstelling. Dat betekent dat een aandeelhouder evenmin tegen zijn wil commanditair vennoot in een CVR kan worden. In sommige gevallen kan de mogelijke rechtsvormwijziging in een CVR wel uitkomst bieden vanwege het aansprakelijkheidsregime.