Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.3.1
15.3.1 Recht op bijstand tijdens of voorafgaand aan het verhoor (Salduz)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940288:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 27 november 2008 (Salduz), nr. 36391/02, NJ 2009, 214. Zie voorts HR 30 juni 2009 (strafkamer), NJ 2009, 349. Dit recht is onder meer gebaseerd op de effectieve verwezenlijking van de waarborg van het nemo tenetur-beginsel, zie Wijsman 2017, p. 189.
Zie art. 5:10a Awb, waarover nader in paragraaf 11.2.6.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.10. Dat het recht om voorafgaand aan een verhoor een advocaat te raadplegen niet geldt voor degene die niet is aangehouden, is op zichzelf in lijn met de jurisprudentie van de strafkamer, zie HR 9 november 2010 (strafkamer), NJ 2010/615, en HR 7 februari 2012 (strafkamer), NJ 2012/115.
Zie ook Wijsman 2017, par. 10.4.2.1.
HR 30 juni 2009 (strafkamer), NJ 2009, 349-351, HR 1 december 2015 (strafkamer), RvdW 2015/52.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.5.1. Zie ook paragraaf 11.4.2.2. Zie over het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in fiscalibus in algemene zin nader paragraaf 11.3.1 en paragraaf 7.3.6.2.
HR 22 december 2015 (strafkamer), NJ 2016/52, r.o. 6.4.2.
Het EHRM heeft geoordeeld dat art. 6 EVRM aan de verdachte het recht geeft op bijstand van een raadsman tijdens een verhoor, althans (ten minste) op raadpleging van een raadsman voorafgaand aan een (eerste) verhoor.1 Ook in het Nederlandse bestuursrecht is er bij bestraffende sancties zoals een bestuurlijke boete sprake van een ‘verhoor’.2 De Hoge Raad heeft voor het fiscale bestuurlijke boeterecht echter uitgemaakt dat dit zogenoemde Salduz-verweer niet op gaat, omdat de boeteling in fiscalibus niet wordt ‘aangehouden’.3 Naar mijn mening volgt daaruit dat het Salduz-verweer alleen in de strafvorderlijke context wordt erkend, en dat het daarbuiten – ongeacht het bestraffende karakter van een bestuurlijke boete – geen betekenis heeft. Ik acht het door de Hoge Raad aangebrachte onderscheid verdedigbaar, nu de inspecteur bij verdenking van een fiscaal beboetbaar feit – anders dan bij verdenking van een strafbaar feit – geen vrijheidsbenemende maatregelen in het kader van het opsporingsonderzoek ter beschikking staan.4
Wel kan een schending van het recht op raadpleging van een raadsman in de strafvorderlijke context, via de sleutel van het onrechtmatig verkregen bewijs, doorwerken naar de fiscale rechtssfeer. In de strafvorderlijke context heeft een dergelijke schending in beginsel namelijk tot gevolg dat de afgelegde verklaring voor het bewijs moet worden uitgesloten.5 De Hoge Raad heeft gesuggereerd dat bewijsmateriaal dat vanwege een schending van de Salduz-norm in strafrechtelijke zin onrechtmatig is verkregen, ook voor wat betreft de fiscale bestuurlijke boete buiten beschouwing moet blijven, omdat ook daarvoor de waarborgen van art. 6 EVRM gelden.6 Gelet op het arrest van de strafkamer van de Hoge Raad van 22 december 2015 zal dat met name aan de orde zijn als aan de verdachte de mogelijkheid is onthouden om in overleg met de raadsman vooraf zijn proceshouding tijdens het verhoor te bepalen.7