Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.3.4
15.3.4 Initiatief voor rechterlijke toetsing en voortvarendheid van de autoriteiten
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940473:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 21 februari 1975 (Golder), NJ 1975, 462 en (voor de bestuurlijke boete) EHRM 21 februari 1984 (Öztürk), NJ 1988, 937, par. 57. Het EHRM leest deze waarborg impliciet in, aangezien het effectueren van de waarborgen van art. 6 EVRM anders eenvoudig zou kunnen worden gefrustreerd door de verdragsstaten. Zie hierover uitgebreid Feteris 2002, hoofdstuk 6.
EHRM 9 oktober 1979 (Airey), NJ 1980, 376.
Zie paragraaf 14.2.1 (‘full jurisdiction’).
Vgl. EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun), nr. 12547/86, BNB 1994/175, par. 46, waarin duidelijk werd gemaakt dat de mogelijke hoogte van die boetes daarbij op zichzelf geen rol speelt. Deze lijn is bevestigd in EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 92-94 en EHRM 7 juni 2012 (Segame), nr. 4837/06, AB 2012/334, par. 54-55. Zie over de houdbaarheid van het Nederlandse bestuursprocesrecht in dit verband nader: Feteris 2007, par. IX.3.6.5. Zie voorts Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9, r.o. 4.21.3 en 4.21.4, welk Hof de EHRM-arresten Jussila en Västberga Taxi aanhaalt.
Zie EHRM 21 februari 1984 (Öztürk), NJ 1988, 937 (par. 56), waarin de praktische voordelen van een dergelijk systeem ronduit als rechtvaardiging werden erkend. Zie voorts Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9, r.o. 4.21.3 en 4.21.4.
EHRM 31 mei 2016 (Tence), nr. 37242/14, NJB 2016/1712, zie met name par. 30-35.
Aldus ook Rb Zeeland-West Brabant 22 maart 2017, V-N 2017/52.5, r.o. 4.4 e.v..
De Hoge Raad denkt daar ook zo over, zie HR 5 juli 2019, V-N 2019/33.19, BNB 2019/142, r.o. 2.6.3. Uit de jurisprudentie van het EHRM heeft de Hoge Raad afgeleid dat het niet in strijd is met art. 6 EVRM om van degene die de termijn overschrijdt, ook het bewijs te vragen van de oorzaak van die termijnoverschrijding. Of dat helemaal juist is, kan worden betwijfeld (zie paragraaf 15.4.3.3).
Zie daarover nader paragraaf 15.4.3.3.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 95 tot en met (in het bijzonder) 102.
Het gaat hier niet zozeer om het recht op een berechting binnen een redelijke termijn, maar om het überhaupt kunnen verkrijgen van toegang tot de rechter. Zie in dit verband ook EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 97.
De fair hearing garandeert de boeteling dat hij de gelegenheid krijgt om de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke rechter, in een procedure die voldoet aan de eisen die art. 6 EVRM stelt.1 Het initiatief voor de rechterlijke toetsing mag bij de boeteling worden gelegd. Waar het om gaat is dat de mogelijkheid daartoe bestaat en dat de overheid geen onnodige hindernissen opwerpt om die mogelijkheid de facto te frustreren.2 Een systeem als het Nederlandse, waarin de inspecteur zonder tussenkomst van de rechter boetes kan opleggen, maar er na de bezwaarfase beroep kan worden aangetekend bij de onafhankelijke rechter die vol toetst,3 kan op zichzelf door de beugel.4 Hieraan doet niet af dat de boeteling zelfstandig actie moet ondernemen om een rechterlijk oordeel te krijgen. Het EHRM heeft begrip voor de massaliteit van de boeteoplegging in fiscalibus.5 Ook het bestaan en het handhaven van wettelijke termijnen voor het aanwenden van rechtsmiddelen is volgens het EHRM niet in strijd met het recht op toegang tot de rechter.6 Naar mijn mening voldoet de Nederlandse beroepstermijn van 6 weken op zichzelf aan de eisen van art. 6 EVRM, net als het rechtsgevolg dat aan een te laat ingediend beroepschrift (niet-ontvankelijkheid) is verbonden. De boeteling kan immers een beroep doen op verschoonbaarheid (art. 6:11 Awb),7 zodat eventuele belemmeringen door een (te) strikte toepassing van de beroepstermijn kunnen worden weggenomen.8 Wel is het bezien vanuit de waarborg van de toegang tot de rechter naar mijn mening spijtig dat de Hoge Raad de afzonderlijke, soepelere beoordeling van ontvankelijkheidskwesties in boetezaken medio 2019 heeft verlaten. In de huidige benadering van de Hoge Raad schuilt mogelijk zelfs een risico in het licht van art. 6 EVRM.9
In de praktijk kan een inactieve of besluiteloze houding van de autoriteit die de boete kan opleggen of toetsen, zoals de inspecteur, het recht op toegang tot de rechter effectief belemmeren.10 Een te lang gerekte bezwaarfase kan het recht op toegang tot de rechter bijvoorbeeld frustreren, eenvoudigweg omdat er geen voor beroep vatbare beslissing tot stand komt.11 De Nederlandse boeteling heeft wel enkele wettelijke instrumenten tot zijn beschikking om een beslissing af te dwingen: hij kan in beroep komen tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar en de inspecteur in gebreke stellen en een dwangsom laten verbeuren.12 Daarmee realiseert hij echter nog steeds geen rechterlijke toetsing van de boete zelf. Ook de rechter die over het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar of de dwangsom oordeelt, zal daarom voortvarend te werk moeten gaan, zodat die rechterlijke toetsing er uiteindelijk wel komt.