Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.3.2
15.3.2 Vertaling van stukken en bijstand van een tolk
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940621:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 12.2.
Art. 6 lid 3 onder a EVRM. Schending van dit vereiste leidt in beginsel tot algeheel verval van de boete, zie Hof Arnhem 7 februari 1991, V-N 1991, p. 1807. Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.3 en paragraaf 12.2.4.
Feteris 2007, p. 373. Zie voor een verdere bespreking van dit aspect nader Feteris 2002, par. 8.2.2.7 (uitgebreid) en Feteris 2007, p. 369 (summier).
Zie omtrent het tijdigheidsaspect nader paragraaf 12.2.3.
Zie – in het kader van een administratieve verkeersboete – HR 18 oktober 1994, FED 1996/164.
HR 9 november 1993 (strafkamer), FED 1994/428.
Te denken valt aan een brief het bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie waarin de gelegenheid wordt geboden om een vormverzuim te herstellen of de nota van het griffierecht van een gerechtelijke instantie.
Feteris 2007, p. 373-374. Hij wijst daarbij op EHRM 28 november 1978 (Luedicke e.a.), NJ 1980, 42, par. 48, waaruit naar mijn mening inderdaad duidelijk blijkt dat de vereisten (veel) verder gaan dan de in art. 6 lid 3 EVRM gecodificeerde waarborgen (zie in het bijzonder par. 48). In feite legt het EHRM nadrukkelijk een materiële toets aan: het gaat erom dat de verdachte de tegen hem gerichte beschuldiging kan begrijpen (zie ook EHRM 19 december 1989 (Kamasinski), NJ 1994, 26). De waarborg omvat daarmee de vertaling of vertolking van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, als dat voor het kunnen voeren van een eerlijk proces noodzakelijk is. Hierbij moet worden bedacht dat de in art. 6 EVRM uitdrukkelijk genoemde garanties voortvloeien uit de overkoepelende norm van de fair hearing. Het zijn dus minimumgaranties, zonder welke een behoorlijk proces in ieder geval niet mogelijk is. Dat blijkt ook duidelijk uit de aanhef van art. 6 lid 3 EVRM. Zie voorts (bezien vanuit het strafprocesrecht) Corstens/Borgers 2014, par. 4.13 en par. 15.17.
Zie art. 6:5 lid 3 Awb voor bezwaar- en beroepschriften. Het niet voldoen aan dit vereiste is een verzuim en kan – bij het uitblijven van herstel na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – dus leiden tot niet-ontvankelijkheid. De noodzaak van een vertaling moet wel worden gemotiveerd, zie HR 24 juni 2022, V-N 2022/30.17. Zie voorts HR 12 december 2008, BNB 2009/54 en Hof Amsterdam 26 mei 2020, V-N 2020/40.10, in welke zaken overigens evenmin boetes in geschil waren. Zie voor het inbrengen van overige processtukken in een vreemde taal HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.18, r.o. 4.2.2 (waarin geen boete in geschil was): de rechter moet, indien hij dat nodig of wenselijk acht, de betreffende partij de gelegenheid geven om een vertaling te overleggen. Dat betekent dat de boeteling die vertaling dan zelf moet (laten) maken. Rb Gelderland 21 juni 2017, V-N 2017/43.13, kende in dit verband een proceskostenvergoeding toe ter zake van de vertaling van de processtukken, waarbij de betreffende tolk werd aangemerkt als deskundige en de vertaling als het verslag van die deskundige (vgl. art. 8:36 lid 2 Awb en art. 2 lid 1 Bpb). In deze zaak was zowel een aanslag als een boete in geschil. De rechtbank maakte echter – net als de wetgever – geen onderscheid tussen beide sferen.
Kamerstukken I 2007/08, 29 702, nr. C, p. 30. Op zichzelf is dat in lijn met de jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat er geen absoluut recht op de integrale vertaling van alle processtukken bestaat. Wel geldt er een ondergrens: de verdachte moet kunnen begrijpen wat de beschuldiging is en moet in staat worden gesteld om zich te verdedigen (zie onder meer EHRM 19 december 1989 (Kamasinski), nr. 9783/82, NJ 1994, 26).
Als uitvloeisel van de norm van de fair hearing heeft de verdachte recht op vertaling van de processtukken en op bijstand van een tolk.1 Deze waarborg is bewijsrechtelijk vooral interessant wanneer deze wordt beschouwd in het licht van de mededelingsplicht.2 De vereiste mededeling van de aard en reden van de beschuldiging dient namelijk te worden gesteld in een taal die hij verstaat.3 Feteris heeft er onder meer in 2007 op gewezen dat het Nederlandse procesrecht in dit verband niet voldoet.4 Ook na de inwerkingtreding van de Vierde Tranche Awb, is deze constatering naar mijn mening nog steeds actueel. Onder het huidige recht is namelijk slechts geregeld dat de gegevens waarop het opleggen van de boete is gebaseerd, desgevraagd in vertaling moeten worden medegedeeld.5 Dat ziet op het inzagerecht, niet op de mededelingsplicht. De wettelijke formulering houdt bovendien slechts een inspanningsverplichting in.6 Verder kan de boeteling die wordt gehoord om zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen om een boete op te leggen, kosteloos bijstand van een tolk krijgen.7 Voor deze beide in de wet voorziene waarborgen geldt wel als voorwaarde dat de verdediging zulks redelijkerwijs vergt.
Met betrekking tot de mededelingsplicht van de aard en reden van de boete is dus niet geregeld dat deze in vertaalde vorm moet worden gedaan.8 Pas bij de uitoefening van het inzagerecht komt een eventuele vertaling in beeld. Naar mijn mening is dat te laat: art. 6 lid 3 EVRM eist nadrukkelijk dat de mededeling, in een taal die de boeteling verstaat, ‘onverwijld’ moet worden gedaan. Het tijdigheidsaspect van het mededelingsvereiste omvat ook het recht op een vertaling van de mededeling.9 Dat is ook logisch, aangezien de boeteling anders het risico loopt dat hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn bezwaren. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat een eerlijk proces vereist dat correspondentie van een bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie die betrekking heeft op de ontvankelijkheid, moet worden vertaald.10 De boeteling mag dus niet het risico lopen dat hij niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij de (niet-vertaalde) stukken niet begrijpt. Deze waarborg geldt zowel voor de boeteling zelf als voor zijn gemachtigde.11 Correspondentie vanwege het bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie, die van invloed kan zijn op de ontvankelijkheid,12 zal daarom steeds moeten worden gevoerd in een taal die de boeteling verstaat. Dat geldt naar mijn mening dus ook voor de mededeling.
Zoals Feteris terecht heeft opgemerkt, zijn er vele andere momenten in de fiscale procedure aan te wijzen, waarop het recht op vertaling of vertolking uit art. 6 EVRM evenzeer moet zijn gegarandeerd.13 Te denken valt aan de correspondentie die tussen partijen wordt gevoerd in de bestuurlijke voorfase, of met de rechter in de beroepsfase. De boeteling die zijn grieven tegen de boete in een bezwaar- of beroepschrift kenbaar wil maken in zijn moedertaal, of stukken in een vreemde taal wil inbrengen, heeft naar nationaal recht echter geen wettelijk verankerd recht om dat te doen. Sterker nog, indien hij daarvoor kiest, is hij onder omstandigheden verplicht om zelf een vertaling aan te leveren.14 Ook kan hij niet afdwingen dat belangrijke processtukken worden vertaald. De wetsgeschiedenis van de Vierde Tranche Awb onderstreept dat: de wetgever heeft uitdrukkelijk aangegeven dat geen recht bestaat op een integrale vertaling van het procesdossier.15 Als de inspecteur meent dat er geen redelijk verdedigingsbelang is, kan hij de boeteling het recht op vertaling of vertolking ontzeggen. Ook de rechter heeft een discretionaire bevoegdheid tot benoeming van een tolk.16 Al deze beperkingen van het recht op vertaling en vertolking vormen naar mijn mening een wezenlijke lacune in het nationale procesrecht. In fiscale bestuurlijke boetezaken zijn die beperkingen veelal in strijd met de waarborgen van art. 6 EVRM.