Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/6.2.2
6.2.2 Een beroep van de revolutionairen op de antieke wereld
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181183:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Matthias Meirlaen, Een revolutionair experiment. Geschiedenis aan de écoles centrales (1794-1802), Leuven: Universitaire Pers Leuven 2014, p. 121. Meirlaen stelt ten aanzien van de blik van de revolutionairen op het verleden: “De houding van de revolutionairen tegenover het verleden was dubbelzinnig. Enerzijds wilden ze benadrukken dat een nieuw tijdperk was aangebroken door alles wat aan de oude sociale structuren herinnerde, te vernietigen. Anderzijds trachtten ze de politieke orde die ze zelf instelden evenzeer met historische argumenten te legitimeren.”
Meirlaen 2014, p. 121.
Lynn Hunt, Politics, culture and class in the French Revolution, Berkely, Los Angeles, London: University of California Press 1984, p. 28 e.v.
Meirlaen 2014, p. 122.
Zie paragraaf 2.2.1 (‘Burger van Sparta of van Athene: eenzelfde verschijnsel, verschil in uitwerking’).
Meirlaen 2014, p. 122.
Idem, p. 122-125. Zo had de Assemblée Nationale in 1791 een nieuwe volzin toegevoegd aan de Grondwet van 1791 waaruit blijkt dat er een nieuw openbaar onderwijssysteem in het leven zou worden geroepen dat openstond voor alle burgers en dat grotendeels gratis was. Zie Titre Premier, van de Constitution du 3 septembre 1791.
Zie paragraaf 2.2.3 (‘Burgerschap getheoretiseerd: Aristoteles Politica en de wezenlijke karakteristiek van de polis-burger’).
Zie paragraaf 2.5 (‘Burgerschap en revolutie: soevereiniteit en politieke representatie’). Gedurende deze wedergeboorte, zo kan worden opgemaakt uit Hoofdstuk II, wordt wel een beroep gedaan op de rol die burgerschap speelt bij het belonen van burgers en het legitimeren van regelgeving. De gedachte was immers dat de republiek een rechtsverhouding aan zou gaan tot de burgers, waarbij, zoals uit het navolgende zal blijken, actieve burgers zouden worden beloond voor hun inzet. De betrokkenheid van deze burgers zou de regelgeving van de republiek legitimeren.
Hoewel in de uitspraken van de parlementen in toenemende mate consistentie viel te bespeuren in de jaren tussen de zestiende en de achttiende eeuw, bleef de rechtsongelijkheid in en tussen de standen overeind. De revolutionaire raakten ervan overtuigd dat een egalitaire samenleving noodzakelijk was. Net als de humanisten in de jaren van de Renaissance, hadden de revolutionairen gedurende de Franse Revolutie grote bewondering voor de antieke wereld en de wijze waarop de Griekse poleis en de Romeinse Republiek hadden gefunctioneerd.1 De Griekse poleis en de Romeinse Republiek, die beide ter sprake zijn gekomen in Hoofdstuk II, werden door de revolutionairen gezien als de voorspiegelingen van de maatschappij die zij wilden bewerkstelligen.2 Zij hanteerden daarbij de vooronderstelling dat de Grieken en de Romeinen de uitvinders waren van idealen als vrijheid en gelijkheid.3 Om dit beroep op het verleden kracht bij te zetten maakten de revolutionairen gebruik van symboliek. Zo werden in de nieuwe vergaderzaal van de Nationale Conventie in Parijs standbeelden geplaatst van verschillende grondleggers en geleerden, zoals de Atheense Solon.4 De archont heeft een relevante bijdrage geleverd aan de vorming en volgens velen tevens de ontdekking van het burgerschapsbegrip.5 Solon voerde een nieuw politiek systeem in, waarbij de burgerij werd ingedeeld naar vermogen. De vier vermogensklassen – allen burgers – kregen ieder naar vermogen rechten toebedeeld. Aan de titel van het burger-zijn werden hiermee rechten gekoppeld.
De symboliek ging verder dan het plaatsten van levensgrote standbeelden. Straatnamen werden gewijzigd in ‘rue de Brutus’, naar de Romeinse senator, en ‘rue des Gracques’, naar het broederpaar en politici Gracchus, opdat burgers in hun dagelijkse leven kennis zouden maken met de antieke grondleggers van het gedachtegoed van de revolutie.6 Ook het onderwijssysteem diende grotendeels te worden gewijzigd. Het onderwijs trok grote belangstelling van de revolutionairen, omdat zij het onderwijs zagen als een middel tot burgerschapsvorming. Door middel van onderwijs dienden de leerlingen te worden opgeleid tot politiek verantwoordelijke staatsburgers die kennis hadden van de republikeinse moraal.7 Dat er nadruk wordt gelegd op opvoeding en onderwijs van burgers is niet geheel nieuw. Deze gedachte kan tevens worden teruggevonden in Hoofdstuk II, waarin de eerste stappen van Aristoteles tot theoretisering van het burgerschapsbegrip werden besproken. Ook Aristoteles pleitte voor educatie van burgers, teneinde de burgers op te leiden tot bekwame burgers die in staat zouden zijn de polis te besturen en de inrichting van de polis te behouden.8 Net zoals in de discussies in de antieke wereld, werd derhalve ook gedurende de wedergeboorte van het burgerschapsbegrip in de Franse Revolutie het noodzakelijk geacht om bekwame burgers te creëren door middel van goed onderwijs dat gelijkelijk toegankelijk was. Gelijkheid onder burgers was een van de speerpunten van de Revolutie. De oorsprong hiervan vonden de revolutionairen in de in Hoofdstuk II van dit proefschrift aan bod gekomen constitutionele bestellen van de klassieke oudheid. De revolutionairen namen zich voor gelijkheid te verwezenlijken door middel van de (her)introductie van een eeuwenoud concept: burgerschap.9