Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.2.2
6.2.2.2 Het vaststellen van individuele verantwoordelijkheden
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461978:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Andere voorbeelden: het bestuur van Vie d’Or had de wijze waarop de vennootschap de markt zou veroveren tevoren grondiger moeten overwegen en had maatregelen moeten nemen ter sanering van de kosten- en opbrengstsituatie (zie OK 9 juli 1998, r.o. 6.6.2); [C] heeft als president-commissaris van De Vries Robbé Groep ten onrechte nagelaten enige maatregel te (doen) nemen ter zekerstelling van een verantwoord verloop van de transactie en de beursgang.
Zie in soortgelijke zin A-G Van Soest in de conclusie (overweging 6.7) bij HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 37 (VHS), die spreekt over ‘individuele aandelen’.
Vergelijk noot 28.
186. Wordt door de Ondernemingskamer steeds bezien of de bestuurders en commissarissen verwijtbaar tekort zijn geschoten in de vervulling van de hen opgedragen taken, uit de overwegingen blijkt eveneens dat de bevestigende beantwoording van deze vraag niet reeds voert tot de conclusie dat zij verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid. Een bestuurder of commissaris wordt blijkens de diverse beschikkingen pas verantwoordelijk gehouden voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid indien dit hem kan worden toegerekend, hetgeen het geval is indien hij in een zekere (ernstige) mate tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak en/of in belangrijke mate heeft bijgedragen aan (een substantieel aandeel heeft gehad in)1 het wanbeleid c.q. onjuiste beleid (in woorden van Sieburgh: de desbetreffende bestuurder of commissaris dient een zekere mate van oorzaakschuld – lees: schuld aan het ontstaan van de problemen – te hebben2). Illustratief is de beschikking inzake Text Lite Holding . Nadat de Ondernemingskamer reeds heeft overwogen dat [Sm] en [W] ernstig tekort zijn geschoten in hun toezichthoudende taak, concludeert zij dat beiden, nu zij hebben meegewerkt aan het verschaffen van foutieve informatie aan de Vereniging van Effectenbezitters en onvoldoende gewicht hebben toegekend aan de alarmerende brief van de accountant, zodanig tekort zijn geschoten dat zij in zoverre verantwoordelijk zijn voor het onjuiste beleid. Tekenend is voorts de overweging in Bobel dat elk van de verweerders door handelen en/of nalaten zodanig heeft bijgedragen aan , samengevat, de situatie die door de Ondernemingskamer in de beschikking van 17 april 1997 is gekwalif iceerd als wanbeleid, dat elk van hen voor het geheel aansprakelijk moet worden gehouden voor de kosten van het onderzoek (rechtsoverweging 4.25)3, alsook het in rechtsoverweging 5 vervatte eindoordeel dat zij ‘in zodanige mate verantwoordelijk zijn voor het onjuiste beleid’ dat zij hoofdelijk tot betaling van de onderzoekskosten veroordeeld dienen te worden. Uit de beschikkingen inzake Spiegelenburg Beheer en De Vries Robbé Groep blijkt voorts dat de Ondernemingskamer zo nodig differentieert naar de mate waarin het onjuiste beleid aan de verschillende functionarissen kan worden toegerekend (de mate van oorzaakschuld). In het bovenstaande is reeds vermeld het onjuiste beleid aan beide bestuurders van Spiegelenburg Beheer kan worden toegerekend, zij het in aanmerkelijk mindere mate aan [K] dan aan [T]. In de beschikking inzake De Vries Robbé Groep is op soortgelijke wijze gedifferentieerd. Weliswaar worden de commissarissen [C] en [M] medeverantwoordelijk gehouden voor het onjuiste beleid omdat zij ten onrechte hebben nagelaten enige maatregel te (doen) nemen ter zekerstelling van een verantwoord verloop van de transactie en de beursgang. In rechtsoverweging 3.26 valt evenwel te lezen dat de ‘omvang’ van de verantwoordelijkheid van [M] ‘beperkter’ is dan die van [C]. Reden hiervoor is dat [C] redelijkerwijs op de hoogte moet zijn geweest van de precaire f inanciële positie waarin BTG en haar dochtervennootschappen verkeerden, terwijl het ervoor moet worden gehouden dat [M] de werkelijke stand van zaken niet kende. Met andere woorden, hoewel beiden verwijtbaar tekort zijn geschoten in hun toezichthoudende taak, rekent de Ondernemingskamer [C] het onjuiste beleid vanwege zijn (veronderstelde) wetenschap zwaarder aan. Een en ander resulteert erin dat [C] hoofdelijk wordt veroordeeld in de onderzoekskosten, terwijl [M] slechts een gedeelte van deze kosten dient te betalen aan de vennootschap.