Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.2.1
6.2.2.1 Verwijtbaar tekortschieten
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461977:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie OK 9 juli 1998, r.o. 6.2.1, onder (n) voor het uitgebreider oordeel van de OK hieromtrent.
Zie over het onderscheid tussen de daad en de (persoonlijke kenmerken van de) dader resp. toerekening krachtens schuld: Sieburgh 2000; Asser-Hartkamp 4-III 2006, hoofdstuk 3. Sieburgh (2000, p. 158) onderscheidt faalschuld van oorzaakschuld (iemand is direct of indirect de veroorzaker van iets) en vereffeningsschuld (iemand is iets aan een ander verschuldigd). Vergelijk ook Assink 2007, p. 395-397.
Zie ook het in tekstnummer 179 weergegeven oordeel in de beschikking inzake Laurus wat betreft het handelen van de RvC.
185. In de vorige paragraaf is getoond dat de onderscheiden eindoordelen dat de bestuurders, commissarissen en de Verzekeringskamer verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid, wat betreft formulering soms van elkaar verschillen. De overwegingen vertonen echter ook een belangrijke samenhang. In aanloop naar de eindoordelen wordt door de Ondernemingskamer niet alleen overwogen dat de betrokkenen tekort zijn geschoten in de vervulling van de hen opgedragen taak, maar in de overwegingen ligt tevens besloten dat hen hiervan een verwijt kan worden gemaakt (zij hadden gelet op hun persoonlijke kenmerken anders kunnen en behoren te handelen; zij hebben faalschuld).1 Dit komt allereerst duidelijk tot uiting in de beschikking inzake Vie d’Or: het kan de Verzekeringskamer als gemachtigde onder de noodregeling worden toegerekend dat zij heeft nagelaten zich ter zake van de Merrill Lynch-contracten nader op de hoogte te stellen en het nodige onderzoek te (laten) doen, althans dit onvoldoende heeft gedaan. Ook in de andere overwegingen ligt besloten dat de desbetreffende personen een verwijt kan worden gemaakt omdat zij anders hadden kun-nen handelen en behoren te handelen (wat betreft de commissarissen: omdat zij hadden kunnen en moeten bedenken dat de handelwijze van het bestuur onbehoorlijk was). De Ondernemingskamer doet hiertoe zelfs suggesties. Zo hadden [Sm] en [W], gewaarschuwd door de brief van de accountant, dienen na te gaan of de voorraadwaardering door het bestuur van Text Lite Holding op redelijke gronden was gebaseerd en als zodanig verantwoord geacht kon worden – zij hebben dit ten onrechte nagelaten2 – en had [B] als bestuurder moeten tegenhouden dat De Vries Robbé Groep teveel betaalde voor de drie dochters van BTG.3 Ik wijs ten slotte nogmaals op het oordeel in Bobel dat uit de door [N] overgelegde bewijsstukken weliswaar blijkt dat hij onderscheidenlijk de RvC bij een enkele gelegenheid heeft verlangd dat besluiten van het bestuur vooraf werden goedgekeurd, doch niet dat [N] – bij de voortzetting van het tekortschieten van het bestuur op dit punt – met voldoende scherpte is opgetreden, ‘desnoods door tijdig (te dreigen) af te treden, de ava in te lichten, een of meer bestuurders te schorsen of daartoe voorstellen te doen (...).’