Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/5.4.1
5.4.1 Art. 6:170 als inspiratiebron voor de toepassing van art. 6:181
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS305212:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 727 en p. 745.
Lubach 2005, p. 37.
Lubach 2005, p. 370-371.
Zo ook Lubach 2005, p. 241-242; Lubach 2006, p. 48-49.
De contractuele aansprakelijkheid voor hulppersonen van art. 6:76 spreekt kortweg van ‘hulp van andere personen’ en maakt evenmin – anders dus dan de buitencontractuele equivalenten art. 6:170 en 171 – onderscheid tussen ondergeschiktheid en zelfstandigheid. Het contractuele art. 6:77 ziet kortweg op ‘hulpzaken’.
Zo ook Keijzer en Oldenhuis 2011, p. 101.
Vgl. in die zin reeds Kolder 2010, p. 295-307, alsook mijn noot in JA 2011/56 (Loretta) en in JA 2014/59 (Trainen paard op manege).
De aansprakelijkheden van art. 6:170, 171 en 181 zijn zoals gezegd als ‘gelijksoortig’ te beschouwen. Daarbij wekt art. 6:181, afgaande op de wettekst en structuur, meer associatie op met art. 6:171 dan met art. 6:170. Art. 6:171 spreekt van een aansprakelijkheid voor een niet-ondergeschikte die voor een ander ‘werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht’, terwijl art. 6:181 vergelijkbaar geformuleerd een aansprakelijkheid bevat voor zaken ‘gebruikt in de uitoefening van een bedrijf’. De aansprakelijkheid van art. 6:170 is op dit punt op een afwijkende wijze vormgegeven: ‘Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk.’ Verder valt qua aansprakelijke persoon op dat zowel art. 6:171 als 181 ‘bedrijf’ als sleutelbegrip kent. In de parlementaire geschiedenis wordt dit begrip, in het bijzonder het onderscheid met de term ‘beroep’, bovendien voor beide bepalingen gezamenlijk verdedigd.1 Art. 6:170 is ook hier anders (en verhullender) opgebouwd: uit lid 2 van art. 6:170 blijkt dat het eerste lid betrekking heeft op een brede(re) groep opdrachtgevers, te weten iedere rechtspersoon en ieder natuurlijk persoon, mits beroeps- of bedrijfsmatig handelend. Voorts springt ten aanzien van het functioneel verband tekstueel gezien een gelijkenis tussen art. 6:171 en 181 in het oog. Laatstgenoemde bepaling spreekt van het gebruik van een zaak ‘in de uitoefening van’ het bedrijf van de gebruiker, terwijl art. 6:171 spreekt van werkzaamheden van de niet-ondergeschikte ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van de opdrachtgever. En ook hier wijkt art. 6:170 lid 1 af, door het functioneel verband-vereiste uit te drukken door middel van het element van kansvergroting en een zeggenschapseis. Hierbij komt nog dat in de parlementaire geschiedenis het op zaken betrekking hebbende art. 6:181 tot twee maal toe als ‘tegenhanger’ van het voor personen geldende art. 6:171 is aangemerkt.2 Tot slot valt vanuit historisch perspectief een vergelijking te trekken tussen art. 6:171 en 181: de aansprakelijkheid voor hulppersonen van art. 1403 lid 3 OBW was niet van toepassing op niet-ondergeschikten, terwijl het oude recht geen andere, met art. 6:171 vergelijkbare aansprakelijkheid kende.3 Voor art. 6:181 geldt dat het OBW evenmin een daarmee vergelijkbare bepaling kende. Waar art. 6:170 ten tijde van de invoering in 1992 reeds als geldend recht werd beschouwd, werden zowel art. 6:171 als art. 6:181 toen als geheel nieuwe aansprakelijkheden tot wet verheven. Op het eerste gezicht lijkt het dan ook geëigend bij de uitleg van art. 6:181 aansluiting te zoeken bij art. 6:171. Zo meent bijvoorbeeld ook Lubach dat bij art. 6:181 zoveel mogelijk ‘dezelfde maatstaven’ aangelegd moeten worden als die ook worden gehanteerd bij het bepalen van de grenzen van art. 6:171. Hij spreekt van een ‘parallelle interpretatie’ van beide bepalingen, die zijns inziens ook past bij het feit dat in de wetsgeschiedenis art. 6:181 wel de tegenhanger van art. 6:171 wordt genoemd.4 Een op art. 6:171 geïnspireerde uitleg van art. 6:181 zou leiden tot een restrictieve toepassing van art 6:181 gebaseerd op ‘eenheid’.
Een nadere beschouwing wijst in mijn ogen echter anders uit, namelijk dat art. 6:181 de meeste verwantschap vertoont met art. 6:170, zodat juist een ruim toepassingsbereik van art. 6:181 in de rede ligt waarbij ‘zeggenschap’ een centrale rol vervult. Doorslaggevend acht ik dat aan de basis van art. 6:170 en 171 het onderscheid tussen de ondergeschiktheid en zelfstandigheid van de ingeschakelde hulppersoon ligt. Binnen de aansprakelijkheidsregel van art. 6:171 wordt zodoende een duidelijke paradox aangetroffen. Het onderscheidende kenmerk van een niet- ondergeschikte hulppersoon is dat hij zich als juridisch zelfstandige en economisch onafhankelijke entiteit in het maatschappelijk verkeer beweegt. In de regel heeft de niet-ondergeschikte hulppersoon een eigen bedrijf (zzp’er) ofwel wordt in de eerste plaats gewerkt in het bedrijf dat voor de toepassing van art. 6:171 de hulppersoon vormt. Een dergelijke hulppersoon werkt zodoende in beginsel juist niet in het bedrijf van een ander. De vraag bij art. 6:171 is of desondanks voor fouten bij deze zelfstandige, eigen bedrijfsuitoefening een ander aansprakelijk kan zijn, omdat deze zijn begaan in het bedrijf van die ander. Aldus is aan de regel van art. 6:171 een zekere spanning inherent: aan de ene kant het dienen van het eigen bedrijfsbelang door de zelfstandige hulppersoon en aan de andere kant het verrichten van werkzaamheden ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van een ander, de in art. 6:171 bedoelde opdrachtgever.5
Bezien we art. 6:181, dan blijkt ten eerste – nogal voor de hand liggend – dat voor zaken en dieren één regime geldt: waar bij art. 6:170 en 171 wordt onderscheiden in de soort hulppersoon (ondergeschikt versus niet-ondergeschikt), wordt bij art. 6:181 op het gebied van zaken geen onderscheid gemaakt in ‘ondergeschiktheid’ of ‘zelfstandigheid’.6 Belangrijker acht ik het dat binnen art. 6:181 een met art. 6:171 vergelijkbaar spanningsveld niet wordt aangetroffen. Bij het binnenhalen door de bedrijfsmatige gebruiker van zaken en dieren in zijn risicosfeer is van een ‘tegenkracht’ – vergelijkbaar met de zelfstandigheid van de ingeschakelde hulppersoon uit art. 6:171 – geen sprake. De in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken en dieren worden ‘direct’ ingezet in het bedrijf van de in art. 6:181 bedoelde gebruiker. Een spanningsveld zoals binnen art. 6:171 treffen we evenmin aan binnen de op personen betrekking hebbende regeling voor niet-zelfstandige hulppersonen van art. 6:170. Evenals de in art. 6:181 bedoelde hulpzaken worden de in art. 6:170 bedoelde hulppersonen, bij gebreke van een tegenkracht wegens ‘zelfstandigheid’, direct ingezet in het bedrijf van de opdrachtgever.7 De in art. 6:170 en 181 bedoelde hulppersonen en -zaken zijn, anders dan een hulppersoon in de zin van art. 6:171, eenmaal ingezet (meer) ‘ingebed’ in de organisatie van de opdrachtgever/gebruiker. Nu hét onderscheid tussen het toepassingsgebied van art. 6:170 en 171 is gelegen in de ondergeschiktheid dan wel zelfstandigheid van de hulppersoon terwijl bij het gebruik van zaken ex art. 6:181 evenals bij de inzet van ondergeschikten ex art. 6:170 een ‘tegenkracht’ vanwege ‘zelfstandigheid’ ontbreekt, vertoont art. 6:181 mijns inziens meer samenhang met art. 6:170 dan met art. 6:171.8 Hierbij teken ik aan dat een autonome uitleg van de (soortgelijke) criteria in art. 6:171 en 181 niet botst met de bedoeling van de wetgever, nu in de toelichting op deze beide bepalingen is opgetekend dat de termen van deze twee artikelen moeten worden uitgelegd ‘in het licht van de strekking van die bepalingen zelf’.9 Kortom, de restrictieve uitleg van artikel 6:171 wordt gerechtvaardigd door de (economische) zelfstandigheid van de hulppersoon. Net zoals bij op voet van art. 6:170 ingeschakelde ondergeschikten, is bij zaken die op voet van art. 6:181 als ‘bedrijfsmiddel’ worden ingezet van een dergelijke ‘zelfstandigheid’ juist geen sprake.