Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.2.5.2
3.2.5.2 Rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397113:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar bijvoorbeeld J.E.A.M. van Dijck, Belastingheffing van ondernemingen ongeacht de rechtsvorm, WFR 1988/661. P.H.J. Essers, Knelpunten bij de hervorming van de belastingheffing van ondernemingen, Kluwer 1992. A.C. Rijkers, bijlage 2 bij het Advies inzake een ondernemingswinstbelasting van de Raad voor het midden- en kleinbedrijf, Den Haag, 1995. S.J. Mol-Verver, De ondernemingswinstbelasting, Fiscaal wetenschappelijke reeks nr. 10, SDU, 2008 en Studiecommissie belastingstelsel, rapport continuïteit en vernieuwing, blz. 96 e.v.
Zie hierover ook G. van Solinge e.a., Modernisering personenvennootschappen (Serie Van der Heijden Instituut nr. 137), Bijlage I Verslag van de discussie.
Men kan zich afvragen of de wetgever ook het verschil in belastingdruk tussen zelfstandigen en werknemers meer in ogenschouw zou moeten nemen. Ik ben van mening dat de belastingdruk tussen deze twee groepen in de loop der jaren wel heel erg uiteen is gaan lopen. Zelfstandigen hebben naast de ondernemersfaciliteiten ook de mogelijkheid om daadwerkelijk gemaakte kosten in aftrek van hun winst (inkomen) te brengen. Werknemers hebben én geen recht op ondernemersfaciliteiten én ook geen recht op aftrek van gemaakte arbeidskosten. Ik werk dit punt verder niet uit, maar verwijs naar bijvoorbeeld C.A. de Kam, Belastingdruk van zelfstandigen en werknemers: globaal evenwicht? WFR 2009/640, J.F.M. Gielen, Belastingdruk op zelfstandigen en werknemers, NTFR 2009/1155 en H. Dollen, Toekomst van de ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting, WFR 2009/605. H. Vording, Fiscale beleidsnotities 2018, WFR 2017/191, paragraaf 3 en E. Swaving Dijkstra, De fiscale wig tussen zelfstandigen en werknemers; snoeien in het smulbos? WFR 2017/212.
Zie voor een recente discussie over dit onderwerp R.P. van den Dool, Globaal evenwicht tussen dga en ondernemer, TFO 2017/150.2. De auteur komt na uiteenzetting van verschillende oplossingsrichtingen zelf tot de conclusie dat ondernemers in de inkomstenbelasting anders dienen te worden belast. Hun winst moet worden gesplitst in een arbeidsbeloning en in vermogensinkomsten. Splitsing moet plaatsvinden door de winst te verminderen met een normrendement gelijk aan het hoogste box 3 rendement. Dit deel van de winst moet worden belast tegen het tarief van box 3. Het restant van de winst moet worden belast als reguliere arbeidsbeloning. Ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling kunnen dan volgens de auteur vervallen.
Vergelijk P.C. van der Vegt, Enkele hoofdlijnen van een meer beginselmatige en neutrale wet op de vennootschapsbelasting, WFR 2012/340, paragraaf 2. Hij beschrijft het neutraliteitsbeginsel als de wens dat de door de vennootschapsbelasting (en belastingen in het algemeen) in het leven geroepen distorties tot een minimum worden beperkt. Daarbij merkt hij op dat neutraliteit een belangrijk streven is, maar volgens hem nimmer ten volle kan worden bereikt, gezien de verstorende economische effecten die belastingen naar hun aard teweegbrengen. Voor een uitgebreide Duitse uiteenzetting zie F.Wagner, Was bedeutet und wozu dient Rechtsformneutralität der Unternehmensbesteuerung? StuW 2/2006, blz. 101-114.
N. Bosch / A. Lejour, Fiscaliteit en de rechtsvorm van ondernemingen, CPB Policy Brief 2017/12.
Kamerstukken II, 2009-2010, 32128, nr. 3, blz. 90 en 91.
P.H.J. Essers, De fiscale positie van de IB-ondernemer, verleden, heden en toekomst, TFO 2008/147. Alhoewel dit artikel begin januari 2009 is gepubliceerd denk ik dat deze zienswijze nog steeds opgeld doet.
Zie het op 7 april 2010 gepubliceerde rapport “continuïteit en vernieuwing”, nr. NB07042010.
J.J.M. Jansen, Ondernemers in 2011, MBB 2011/01, paragraaf 4.3.
Studiecommissie belastingstelsel, rapport continuïteit en vernieuwing, blz. 96 e.v. Op deze zienswijze is de nodige kritiek gekomen, zie bijvoorbeeld G.T.K Meussen, De belastingheffing van ondernemers in de voorstellen van de commissie-Van Weeghel, WFR 2010/772, paragraaf 3, P.H.J. Essers, Rechtsvormneutraliteit, TFO 2011/3, paragraaf 4 en E. J.W. Heithuis, Toch maar wel die ondernemingswinstbelasting, NTFR 2010/1843, blz. 3.
Kamerstukken, 2004-2005, 30.107, nota werken aan winst, blz. 20.
Kamerstukken, 1959-1960, 5.380, invoering van de wet IB 1964, blz. 17.
Dit zou er mijns inziens ook toe leiden dat het verschil in belastingdruk tussen zelfstandigen en werknemers meer in ogenschouw genomen en gelijk getrokken wordt.
Nederland kent geen (rechtsvormneutrale) ondernemingswinstbelasting. Aan initiatieven, ideeën, varianten en voorstellen hieromtrent is er geen gebrek.1 De meest genoemde voordelen van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting zijn dat het stelsel neutraal is ten opzichte van de rechtsvorm waarin de onderneming gedreven wordt, leidt tot meer neutraliteit ten aanzien van de financiering met eigen of vreemd vermogen (VPB wordt uiteindelijk verrekend met de IB), er recht wordt gedaan aan de functies van winstinkomen en het stelsel eenvoudiger zal worden. Dat laatste is mijns inziens nog maar de vraag, aangezien ingewikkeldheid pas fors pleegt toe te nemen bij de uitwerking in detail van regelingen.
Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen statische neutraliteit en dynamische neutraliteit. Bij statische neutraliteit wordt gekeken welke rechtsvormen er zoal zijn en is het streven die (fiscaal) neutraal te behandelen. Bij dynamische neutraliteit is het streven dat als je in een bepaalde rechtsvorm zit en die bevalt niet, het fiscaal mogelijk is geruisloos naar een andere te kunnen overgaan.2 Mijns inziens is er in de Nederlandse wetgeving wel aandacht voor dynamische neutraliteit. Zo zijn er fiscale faciliteiten als een ondernemer natuurlijk persoon zijn onderneming inbrengt in een BV, bij een terugkeer uit de BV, bij rechtsomzettingen en bij fusies en splitsingen. Onder voorwaarden hoeft er niet te worden afgerekend en de fiscale claim blijft behouden voor de fiscus. In hoofdstuk 10 ga ik uitgebreid in op de dynamische neutraliteit bij fusie en splitsingen.
De Nederlandse wetgever heeft tot op heden echter geen gehoor gegeven aan de diverse oproepen vanuit (met name) de wetenschap om te zorgen voor statische (rechtsvorm)neutraliteit. De wetgever streeft naar een globaal evenwicht (belastingdruk) tussen de ondernemer natuurlijk persoon in box 1 en de directeur-grootaandeelhouder die zijn onderneming door middel van een rechtspersoon uitoefent en belast wordt met vennootschapsbelasting, te maken krijgt met de gebruikelijkloonregeling en bij dividenduitkering met box 2-heffing.3 Beneden een bepaald omslagpunt is de ondernemer natuurlijk persoon fiscaal gezien beter af en daarboven kan fiscaal gezien de onderneming beter gedreven worden door middel van een kapitaalvennootschap. Het omslagpunt is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de hoogte van de winst, het gebruikelijk loon, de van toepassing zijnde (progressieve) tarieven, de relatief vele fiscale faciliteiten en of er wel of niet winst wordt uitgekeerd.4 Dit streven naar globaal evenwicht is dus niet hetzelfde als een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting. Het ontbreken in Nederland van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting zou mijns inziens gezien kunnen worden als het in mindere mate voldoen aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader. Er wordt immers in mindere mate voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel. Ervan uitgaande dat belastingen tot verstoringen in de economie leiden en dat een rechtsvormkeuze niet zou mogen afhangen van hoeveel belasting er moet worden betaald, zou de wetgever moeten streven naar rechtsvormneutraliteit ten aanzien van belastingen.5 Uit een CPB-onderzoek blijkt echter dat de relevantie van fiscale motieven bij de rechtsvormkeuze niet moeten worden overschat.6 Op basis van gegevens tussen 2007 en 2014 blijkt dat ondernemers zelden van rechtsvorm veranderen en dat de eerste keuze voor een rechtsvorm vaak de definitieve keuze is.
De laatste keren dat een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting politiek ter sprake kwam, was in de notitie “Fiscaal bevorderen ondernemerschap’’ in 2010 en de discussie in 2013 en 2014 over de invoering van een rechtsvormneutrale winstbox. In 2010 is door het kabinet opgemerkt dat een ondernemingswinstbelasting als een mogelijke optie voor de langere termijn wordt gezien. Dit zou moeten gebeuren in kleine stapjes, waarbij de verdelingseffecten moeten worden uitgesmeerd in de tijd.7 Een vervolg hierop bleef echter uit en ook het plan voor invoering van een winstbox staat alweer in de ijskast. Volgens Essers komt dat omdat belangenorganisaties erg terughoudend zijn om het palet aan ondernemingsfaciliteiten dat thans beschikbaar is in te ruilen voor een alternatief waarvan ze niet weten wat dat uiteindelijk aan lastendruk voor hun leden gaat betekenen.8 Daarnaast merkt Essers op dat vanuit het departement van Financiën de optie van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting elke keer trouw wordt genoemd, maar dat er iedere keer kanttekeningen worden geplaatst en een warm pleidooi ontbreekt. Jansen laat zich in gelijke bewoordingen uit. Jansen geeft aan dat het standpunt van de Commissie Van Weeghel,9 die geen voorstander is van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting, vooral lijkt te zijn ingegeven door ambtelijk Financiën dat niet echt serieus wil kijken naar de introductie van een ondernemingswinstbelasting.10 De Commissie Van Weeghel is geen voorstander van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting omdat een dergelijke belasting af zou wijken van de juridische realiteit en daardoor een complex stelsel nodig zou zijn. Daarnaast zouden er internationaal gezien de nodige problemen ontstaan als Nederland een dergelijke rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting alleen zou invoeren.11 Tot slot is een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting afgewezen omdat dit zou leiden tot een lastenverzwaring voor kleine ondernemers12 en eventuele negatieve budgettaire gevolgen zou hebben.13
De hierboven geschetste voordelen van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting wegen mijns inziens zwaarder dan de nadelen. Met name dat er met een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting recht wordt gedaan aan de functies van winstinkomen en ons stelsel fiscaal robuuster en transparanter zal worden doordat alle ondernemersfaciliteiten geschrapt kunnen worden spreken mij aan.14 Daarnaast wordt mijns inziens de sterke relatie met de inkomenstenbelasting beter erkend en zorgt dit voor een betere rechtsgrondslag om belasting te heffen van ondernemingen (waaronder lichamen). Mocht een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting (op korte termijn) niet haalbaar zijn, dan zou er mijns inziens op zijn minst gestreefd moeten worden naar dynamische rechtsvormneutraliteit. Daarmee bedoel ik consistente en gestructureerde rechtsregels omtrent rechtsvormwijzigingen en omzettingen. Met andere woorden, er mag geen fiscale belemmering zijn bij een rechtsvormwijziging. In hoofdstuk 10 komt dit aspect nadrukkelijk aan de orde.