De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.3:4.6.3 Uitkeringen aan twee groepen
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.3
4.6.3 Uitkeringen aan twee groepen
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387354:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Onder meer Asser/Rensen 2-III* 2012/323 maakt dit onderscheid.
Duynstee 1978, p. 62.
Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 2.2.2.a, p. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft verboden uitkeringen kan een onderscheid gemaakt worden tussen twee groepen: (1) uitkeringen aan de oprichters en aan hen die deel uitmaken van de stichtingsorganen; en (2) uitkeringen aan derden.1 Wat betreft de tweede groep zijn uitkeringen slechts toegestaan indien zij een “ideële of sociale strekking” hebben. Hiervoor in par. 4.3.2 werd opgemerkt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de begrippen “ideële of sociale strekking” niet te eng moeten worden geïnterpreteerd. Ook private doelstellingen, zoals het voorzien in het levensonderhoud van familieleden, vallen onder het begrip.
Algemeen wordt aangenomen dat de eerste groep (oprichters en “orgaanbemensers”) wel een uitkering kan ontvangen in een andere hoedanigheid. Duynstee meent dat een oprichter gelijk moet worden gesteld met een derde als de uitkering wordt gedaan in het kader van een algemene regeling waarin wordt voorzien in uitkeringen waarvan de grootte in beginsel vast staat. De oprichter ontvangt dan immers een uitkering als iemand die deel uitmaakt van de groep waarop die algemene regeling betrekking heeft. Van een mogelijkheid dat de oprichter zich zelf speciaal bevoordeelt middels de stichting is dan geen sprake.2
Ook Dijk/Van der Ploeg is van mening dat, voor zover personen vallen onder de algemene regels die de stichting heeft gesteld om tot uitkering over te gaan, zij gelijkelijk worden behandeld met anderen die daarvoor in aanmerking kunnen komen:
“Zou bijvoorbeeld een stichting zich ten doel stellen om de kosten van psychotherapie voor oorlogsslachtoffers te vergoeden en een van de oprichters zou als oorlogsslachtoffer een zodanig therapie nodig hebben, dan zou de door de wet gegeven beperking niet op dit geval van toepassing moeten zijn. Als enige uitzondering hierop dient te worden gesteld de situatie dat oprichters en zij die deel uitmaken van de organen de enigen zijn die onder de doelcategorie vallen.”3
In het laatste geval zou immers weer gezegd kunnen worden dat sprake is van “duplicering” van de persoon van de oprichter of van degenen die deel uitmaken van de stichtingsorganen.