De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.1:4.6.1 Inleiding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.1
4.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386128:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wet bepaalt dat het stichtingsdoel niet mag inhouden: het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een “ideële of sociale strekking” hebben (artikel 2:285 lid 3 BW). Deze negatieve omschrijving van het doel wordt ook wel het uitkeringsverbod genoemd. Voor de vereniging geldt een vergelijkbaar verbod tot het verdelen van winst onder de leden (artikel 2:26 lid 3 BW), welk verbod echter niet geldt voor coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen (artikel 2:53a BW). De stichting onderscheidt zich met het uitkeringsverbod dus zowel van NV’s en BVs als van coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.
Het is een stichting niet verboden om commerciële activiteiten te verrichten en om winst te maken. De gegenereerde winst moet echter aangewend worden ten behoeve van het stichtingsdoel en mag niet uitgekeerd worden aan oprichters of aan degenen die deel uitmaken van de stichtingsorganen. Aan anderen dan oprichters en “orgaanbemensers” mogen slechts uitkeringen worden gedaan die in overeenstemming zijn met het stichtingsdoel.
Dit hoofdstuk gaat in op de achtergrond en reikwijdte van het uitkeringsverbod en op de rol van de raad van toezicht in verband met (het voorkomen van het overtreden van) het uitkeringsverbod.