De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.4:4.6.4 Reikwijdte; orgaanbegrip in de zin van artikel 2:285 lid 3 BW
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.4
4.6.4 Reikwijdte; orgaanbegrip in de zin van artikel 2:285 lid 3 BW
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388546:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de uiteindelijke wettekst duidelijker is dan de oorspronkelijk voorgestelde wettekst, geeft Polak mijns inziens terecht aan dat het begrip orgaan in de wettekst evenmin als het begrip machthebber vastomlijnd is:
“Met Van der Grinten (N.V. 1956, p. 182) ben ik van oordeel, dat in de zin van het onderhavige artikellid als organen moeten worden aangemerkt de personen of colleges, die statutair zelfstandige bevoegdheden in de stichting hebben, zodat behalve het bestuur ook een toezichthoudend college hieronder valt.”1
De wetgever geeft geen definitie van het begrip orgaan. Wel komt de term op een aantal plaatsen in Boek 2 BW voor, zoals in artikel 2:14 en 15 BW. Sommige auteurs merken op dat de term niet altijd in dezelfde zin wordt gebruikt, zodat bij de bepaling van de betekenis van het begrip orgaan steeds gekeken moet worden in welk verband het begrip voorkomt (zie ook paragraaf 5.2.2 hierna). De raad van toezicht zal onder het orgaanbegrip van artikel 2:14 en 15 BW en mogelijk ook onder het orgaanbegrip van artikel 2:285 lid 3 BW vallen, aangezien de raad eigen statutaire en wettelijke (beslissings-)bevoegdheden heeft.
Beslissende zeggenschap
Blijkens de hiervoor genoemde wetsgeschiedenis werd aanvankelijk de term “machthebbers” gebruikt. Aangezien dit begrip niet in de wet voorkomt, maar het begrip orgaan wel, werd het begrip orgaan voorgesteld.2 Volgens Pitlo/Raaijmakers3 beoogt artikel 2:285 lid 3 BW te verhinderen dat stichtingsvermogen of de opbrengsten daarvan als uitkeringen toekomen aan oprichters of “aan degenen die beslissen over het beheer en bestuur van het stichtingsvermogen”. Rensen verstaat het begrip orgaan in de zin van artikel 2:285 lid 3 BW aldus dat het beslissende zeggenschap kan uitoefenen binnen de stichting.4
Gelet op de achtergrond en de wetsgeschiedenis van het uitkeringsverbod, te weten: het voorkomen van duplicering van de oprichter en van degenen die de macht kunnen uitoefenen, ben ik het eens met de interpretatie van het orgaanbegrip van de hiervoor genoemde auteurs dat sprake moet zijn van doorslaggevende (beslissende of doorslaggevende) zeggenschap. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het, zoals hierna bij de beschrijving van het ledenverbod zal blijken, niet altijd eenvoudig om vast te stellen wanneer sprake is van beslissende zeggenschap.
De wetgever wilde met het uitkeringsverbod de stichting afbakenen van een bepaald soort corporatieve rechtspersonen: “commerciële” corporatieve rechtspersonen, dat wil zeggen: NV’s, BV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.5
Samenhang tussen materiële kenmerken
De inhoud van het ledenverbod (zoals in paragraaf 4.7 zal worden omschreven) kan – evenals het uitkeringsverbod – worden uitgelegd aan de hand van de vraag of sprake is van zeggenschapsrechten. Zowel het uitkeringsverbod als het ledenverbod zijn materiële kenmerken waarmee de wetgever beoogt de stichting te onderscheiden van corporatieve rechtspersonen. Mijns inziens kan gezegd worden dat de materiële kenmerken een zekere onderlinge samenhang vertonen. In deze lijn past ook de opmerking die te lezen is in Pitlo/Raaijmakers dat het doen (of eigenlijk ontvangen) van uitkeringen uit de gemaakte winst, wat betreft een stichting met een onderneming, een element van lidmaatschap is dat de stichting niet in die vorm kent.6Ik meen dat zowel het ledenverbod als het uitkeringsverbod beter worden begrepen als zij met elkaar in verband worden bezien, maar ook in verband met het derde materiële kenmerk: het hebben van een doelgebonden vermogen.