Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.6.2
4.6.2 Uitkeringsverbod in de WS 1956
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388545:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Grinten 1943, p. 264. Daaraan voegde hij toe: “In de systematiek van ons recht past het niet, de stichting toe te laten, waar de verschillende vennootschappen haar taak vinden. Een zeker materieel onderscheid tussen de verschillende vormen van rechtspersonen is ongetwijfeld aanbevelenswaardig. Wij merkten alleen op, dat de behoeften van het maatschappelijk verkeer niet opgeofferd moeten worden aan de systematiek en dat aan een rechtspersoon een zekere vrijheid mag worden gelaten op een gebied, dat niet voor andere rechtspersonen gereserveerd is.”
Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 2, p. 1. Zie wat betreft de parlementaire geschiedenis over het uitkeringsverbod ook Van Veen 2013.
Handelingen II 1955-1956, p. 2090-2093.
Bregstein 1955.
Handelingen II 1955-1956, p. 2113-2114.
Handelingen II 1955-1956, p. 2132.
Aldus ook Schwarz 2011, p. 38. Ook Polak 1956, p. 73 en Asser/Rensen 2-III* 2012/324 menen dat onder het doel in artikel 2:285 lid 3 BW ook moet worden verstaan het feitelijke of werkelijke doel. Uniken Venema (Uniken Venema 1988, p. 348) lijkt hier anders over te denken. Uniken Venema meent dat het uitkeringsverbod slechts betrekking heeft op uitkeringen, die – rechtstreeks – voortvloeien uit de statutaire doelomschrijving van de stichting. Er is dan immers sprake van uitkeringen, die door de stichting – zònder daartoe ten opzichte van de ontvangers krachtens enige overeenkomst verplicht te zijn – worden gedaan ten laste van het vermogen van de stichting. Mijns inziens kunnen ook onverplichte uitkeringen die niet rechtstreeks voortvloeien uit het statutaire doel maar wel uit het feitelijke doel oftewel de feitelijke werkzaamheden van de stichting onder het uitkeringsverbod vallen.
Voor de inwerkingtreding van de WS 1956 kwamen stichtingen voor die ten doel hadden winst te behalen die ten goede kwam aan oprichters, bestuurders of anderen die “zeggenschap op de stichting uitoefenden”. Van der Grinten meende echter dat stichtingen die niets anders beogen dan inkomsten te verschaffen aan oprichters, bestuurders of anderen, die de stichting gebruiken ter behartiging van hun stoffelijke belangen, verwerpelijk zijn.1 De wet kent andere rechtsvormen, zoals de NV, die geschikt zijn voor samenwerking ter verkrijging van inkomsten, aldus Van der Grinten. De stichting zou volgens hem immers misbruikt worden indien iedere ondernemer zijn onderneming in een stichting kan inbrengen, waarmee hij persoonlijke aansprakelijkheid uitsluit maar wel de winsten uit die onderneming naar zichzelf kan laten vloeien.
Op winst gericht doel
Het uitkeringsverbod stond aanvankelijk niet in artikel 1 van het ontwerp van de WS 1956. Artikel 1 het wetsontwerp luidde eerst: “Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een niet op winst gericht doel te verwezenlijken.”2
Tijdens de openbare behandeling van het wetsontwerp merkte Tweede Kamerlid Ten Hagen op dat de achtergrond van deze bepaling was om de stichting af te grenzen van de naamloze vennootschap (de BV bestond toen nog niet).3 Het wezenskenmerk van de NV is volgens hem echter niet zozeer het op winst gerichte doel, maar het feit dat een NV door middel van te maken winst inkomen verschaft aan aandeelhouders en eventueel aan anderen, die deze naamloze vennootschapsvorm daarvoor gebruiken. In de definitie van de NV wordt het winstdoel ook niet gesteld. Winst maken is nooit een doel op zich zelf maar een middel voor een verder liggend doel, aldus Ten Hagen. Dit geldt ook voor stichtingen. Om die reden concludeerde hij dat niet het maken van winst uitgesloten moet worden, maar slechts het zichzelf verschaffen van inkomen uit de activiteiten van de stichting.
Duplicering van persoonlijkheid
Een stichting mag dus wel winst maken die aan de “rechthebbenden” ten goede komt, maar daarbij moet duidelijk gemaakt worden wie de rechthebbenden wel en niet mogen zijn, aldus Ten Hagen. De rechthebbenden mogen niet de “machthebbers in de stichting zelf” zijn. Een stichting die beoogt de machthebbers zelf financieel voordeel te verschaffen creëert een “verdubbeling van de persoonlijkheid”, die juist voorkomen moet worden, aldus Ten Hagen. Hiermee herhaalde hij een opmerking die Bregstein eerder maakte: “De stichting mag niet dienen ter duplicering van de persoonlijkheid van de stichter of de beheerders der stichting.”4 Om die reden werd een andere formulering van artikel 1 voorgesteld: “een rechtspersoon, welke niet tot doel heeft geldelijke, of daarmede gelijk te stellen, uitkeringen te doen aan machthebbers, of aan anderen, tenzij, wat deze laatsten betreft, een ideële doelstelling aanwezig is.”
Minister Donker beaamde dat een stichting winst moet kunnen maken om die winst te bestemmen voor de ideële doeleinden die de stichting nastreeft en dat een verduidelijking van artikel 1 nodig was.5 Hij meende echter dat het begrip “machthebbers” weer tot andere onduidelijkheden aanleiding kan geven aangezien dit begrip in de wetgeving niet voorkomt. Om die reden werd de tekst opgenomen die nu nog in de wettelijke omschrijving van de stichting staat: “Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatste betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.”6
Wat er precies onder het uitkeringsverbod valt is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen, aldus Minister Donker. Minister Donker gaf nog wel aan dat er in beginsel geen beletsel is voor het toekennen van een redelijk bestuurdersloon. Zo kon hij zich voorstellen dat het mogelijk is een bestuurder van een stichting “van grote omvang en met een groot belang een full-time vergoeding te geven”.
“Wanneer men echter een andere figuur heeft waarbij de inkomsten van de stichting geheel naar één bepaalde man gaan, ook al besteedt deze zijn gehele dag aan de stichting, zal men, naar ik geloof, moeten zeggen, dat het doel van de stichting inderdaad is gericht op het doen van uitkeringen aan die bestuurder.”7
Onder meer uit dit citaat kan worden afgeleid dat het uitkeringsverbod niet alleen moet worden gerelateerd aan het statutaire doel maar ook aan het feitelijke doel van de stichting, zoals dat blijkt uit de feitelijke werkzaamheden van die stichting.8