Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.4.10
3.3.4.10 De houder van een economisch belang
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649949:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Spruitenburg 2018, p. 86-123.
Zie de lijn die uiteen is gezet in achtereenvolgens HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, JOR 2003/161 m.nt. Josephus Jitta (Scheipar); HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6077, NJ 2010/665 m.nt. Van Schilfgaarde (Bûtot); HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4943, NJ 2011/338 m.nt. Van Schilfgaarde (TESN) en HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7833, NJ 2013/304 m.nt. Van Schilfgaarde (Chinese Workers).
Spruitenburg 2018, p. 87-88 met verwijzing naar A-G Timmerman sub 3.6 van de conclusie voor HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6077, NJ 2010, 665 m.nt. Van Schilfgaarde (Bûtot).
Wetsvoorstel Wijziging van de artikelen 53-54c van het Wetboek van Koophandel (Herziening van het enquêterecht), Kamerstukken II 9596, nr. 3 (MvT), p. 5.
Kamerstukken II 1969/70, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 12. Zie voorts Kamerstukken II 1969/70, 10 751, nr. 8 (Voorlopig verslag), p. 10. Voor de BV werd later op soortgelijke wijze bepaald, zie Van den Ingh 1991, p. 9-10.
Hierover uitgebreid Oosterhoff 2017.
Oosterhoff 2017, p. 168-171.
Voor wat betreft de toegang tot het enquêterecht worden in de jurisprudentie sommige houders van een economisch belang gelijkgesteld met aandeel- en certificaathouders.1 De Hoge Raad heeft bepaald dat de enquêtebevoegdheid toekomt aan een verschaffer van risicodragend kapitaal, indien en voor zover zijn belang op één lijn kan worden gesteld met het belang van de aandeelhouder of de certificaathouder.2 Hieraan ligt ten grondslag dat een van de uitgangspunten van het enquêterecht is dat aan de verschaffer van risicodragend kapitaal de enquêtebevoegdheid toekomt.3 Bij de herziening van het enquêterecht in 1971 is het recht om een enquête te verzoeken toegekend aan zowel de houder van bewilligde als niet-bewilligde certificaten.4 In de MvT overweegt de minister, in navolging van de commissie Verdam:
“De certificaathouders zijn, evenals de aandeelhouders, verschaffers van risicodragend kapitaal, doch missen, in tegenstelling tot de aandeelhouders, zeggenschap in de n.v. Voor de bijzondere bescherming die de mogelijkheid van een enquête biedt, bestaat in hun geval dan ook alle reden (…).”
Juist omdat de wetgever ervoor heeft gekozen om het enquêterecht tevens toe te kennen aan de certificaathouder zonder zeggenschapsrechten (de niet-bewilligde certificaathouder), is het gerechtvaardigd het enquêterecht ook toe te kennen aan andere verschaffers van risicodragend kapitaal zonder zeggenschapsrechten. Ten aanzien van het agenderingsrecht ligt dit anders. Bij de invoering van de structuurregeling – eveneens in 1971 – is er bij de NV bewust voor gekozen om slechts houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten zeggenschapsrechten in de vennootschap toe te kennen:
“(…) van betekenis is of de aandelen met medewerking van de vennootschap zijn gecertificeerd, dan wel buiten de vennootschap om door een willekeurige aandeelhouder. In het eerste geval heeft de vennootschap zelf bewerkstelligd dat er een groep risicodragende kapitaalverschaffers zonder zeggenschapsrechten ontstaat; het is billijk dat zij tegenover deze groep tot een zo ruim mogelijke openheid wordt verplicht. Voor een zodanige verplichting voor de vennootschap bestaat geen aanleiding, indien buiten haar om een aandeelhouder zijn aandeel heeft gecertificeerd.”5
Bij de flexibilisering van het BV recht is het medewerkingsvereiste bij de BV vervangen. Daarvoor in de plaats is gekomen dat certificaathouders zeggenschapsrechten hebben als de statuten hen vergaderrecht toekennen (zie par. 3.3.4.7). Ook in dit systeem is betrokkenheid van de vennootschap (nu door middel van de inrichting van de statuten) de bepalende factor. Als de vennootschap (lees: de algemene vergadering) niet bij de certificering betrokken is, heeft de certificaathouder geen zeggenschapsrechten. De houder van een economisch belang kan worden gelijkgesteld met de houder van een niet-bewilligd certificaat (NV) respectievelijk een certificaat zonder vergaderrecht (BV). Bij de creatie van zijn belang is de vennootschap niet betrokken.6 Naar huidig recht zijn er dan ook geen aanknopingspunten om zeggenschapsrechten toe te kennen aan andere houders van een economisch belang dan aandeelhouders, houders van bewilligde certificaten (NV) respectievelijk certificaten met vergaderrecht (BV) en bepaalde pandhouders en vruchtgebruikers.7 Dit brengt met zich dat de houder van ‘slechts’ een economisch belang geen agenderingsrecht heeft.