Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/3.4.3
3.4.3 Publiekrechtelijke en privaatrechtelijke samenwerkingen
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975561:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Tervoort 2015, p. 7 en de daar opgenomen verwijzingen. Ik abstraheer van het op 10 oktober 2022 gepubliceerde consultatiewetsvoorstel ‘Modernisering personenvennootschappen’ waarin is voorgesteld om de openbare maatschap en de VOF te vervangen door de openbare personenvennootschap en de stille personenvennootschap wordt geïntroduceerd. Het wetsvoorstel beoogt daarmee om rechtspersoonlijkheid te introduceren voor de openbare personenvennootschap. Deze rechtspersoonlijkheid wordt verkregen op het moment dat de personenvennootschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder eigen naam aan het rechtsverkeer gaat deelnemen. De stille personenvennootschap heeft daarentegen geen rechtspersoonlijkheid. De maatschap en de VOF in oude vorm zouden daarmee verdwijnen, terwijl de CV blijft bestaan. Zie: www.internetconsultatie.nl/moderniseringpv2 (geraadpleegd op 15 juni 2024).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2013, p. 11.
De Greef 2010, p. 11.
Voor een toelichting op deze samenwerkingsvormen verwijs ik naar de notitie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2013, p. 11-14. Zie ook: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gemeenten/intergemeentelijke-samenwerking (geraadpleegd op 15 juni 2024).
Voor een toelichting wordt verwezen naar Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2013, p. 19-22. Omdat deze samenwerkingsvormen juridisch op verschillende manieren kan worden vormgegeven (met name het shared service center) worden deze vormen omwille van de overzichtelijkheid hierna niet meer integraal behandeld.
Zie Staat van het Bestuur 2022, p. 82 en hoofdstuk 4.
In de zin van de Wgr.
Afhankelijk van de juridische status en de exacte maatschappelijke activiteiten van de non-profitorganisaties die een interne of externe vorm van samenwerking aan willen gaan, kan deze samenwerking een privaatrechtelijke basis of publiekrechtelijke basis krijgen. Dit onderscheid is van belang om het juridische kader te kunnen bepalen dat de samenwerking beheerst. Dit kader biedt duidelijkheid over de ‘spelregels’ op grond waarvan het samenwerkingsverband en de deelnemers aan het economische verkeer deelnemen.
Privaatrechtelijke samenwerkingsvormen zijn gebaseerd op het BW. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen lichamen met rechtspersoonlijkheid en lichamen zonder (volwaardige) rechtspersoonlijkheid. In de jurisprudentie en literatuur wordt vrijwel algemeen aangenomen dat onder deze laatste categorie de maatschap, de VOF en de CV vallen.1 Daarnaast zijn er publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden. Deze samenwerkingen worden in het leven geroepen op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) en staan uitsluitend open voor bestuursorganen van gemeenten, provincies, waterschappen en in mindere mate ook voor de Staat. De Wgr vormt daarmee het wettelijk kader dat de samenwerking tussen (met name) lokale overheden reguleert en biedt de juridische basis voor de verschillende vormen van interbestuurlijke samenwerking. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn derhalve te karakteriseren als verlegd lokaal bestuur.2 De gemeenschappelijke regeling is een publiekrechtelijke overeenkomst (een meerzijdige publiekrechtelijke handeling).3 De Wgr onderscheidt vijf vormen van samenwerking: het (gemeenschappelijk) openbaar lichaam4, het gemeenschappelijk orgaan5, bedrijfsvoeringsorganisatie6, de centrumgemeente (enkelvoudige en meervoudige centrumregeling)7 en de regeling zonder meer8.9 Ten slotte komen er binnen het publieke domein nog een aantal organisatorische samenwerkingsvormen voor, namelijk de netwerkconstructie, het matrixmodel en de bevoegdhedenovereenkomst. Deze samenwerkingsvormen staan los van de Wgr en kunnen dus zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk worden geregeld.10 Veelal betreft het samenwerkingen waarin bevoegdheden worden gedelegeerd en gemandateerd aan publiekrechtelijke lichamen.
Een moderne samenwerkingsvorm is het samenwerken via zogenoemde ‘deals’. De meeste van deze deals zijn vormgegeven in een convenant en zijn gericht op beleidsvoorbereiding.11
Voor het overzicht zal bij de toelichting van de samenwerkingsvormen in de volgende paragraaf telkens afzonderlijk worden aangegeven welke privaatrechtelijke en publiekrechtelijke samenwerkingen12 onder de betreffende categorie vallen.