Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/3.4.5
3.4.5 Samenwerkingsovereenkomst
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975617:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bregman & De Win 2005, p. 104.
Bregman & De Win 2005, p. 133 en Verhees & Verweij 2016. Het samenwerkingscontract dat in deze situaties wordt gesloten wordt aangeduid met de afkorting DBFM dat staat voor Design, Build, Finance en Maintain.
W.L. Valk, Tekst & Commentaar BW, commentaar op art. 6:227 BW.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Haviltex).
Van Kempen 1999, p. 1-2.
Voor een uitgebreid exposé verwijs ik naar Asser/Van Olffen 7-VII 2022.
Zie uitgebreid o.a. Broeksteeg 2021, hoofdstuk 21.
Een samenwerkingsovereenkomst is een “lichte” vorm van samenwerking. Een samenwerking op contractuele basis komt met name voor wanneer ieder van de deelnemers in het kader van de samenwerking duidelijk te omschrijven eigen activiteiten verricht en er geen overtuigende redenen zijn de samenwerking als deelname/participatie of joint venture vorm te geven.1 Voorbeelden zijn een ziekenhuis dat gezamenlijk met andere zorginstellingen kennis wil opbouwen en uitwisselen over een bepaald ziektebeeld of twee onderwijsinstellingen die gezamenlijk een pand willen gaan huren en verbouwen. Een samenwerkingsovereenkomst wordt het meest gehanteerd bij “traditionele” PPS-projecten op het gebied van grote infrastructurele of bouwprojecten.2
Een samenwerkingsovereenkomst is een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke verbintenis tussen twee of meer partijen waaruit rechten en verplichtingen voortvloeien. De overeenkomst is een formele vastlegging van afspraken tussen de deelnemers aan de samenwerking. In art. 6:217 BW is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod van ene partij en de daaropvolgende aanvaarding van de andere partij. Verder is voor de geldigheid van een samenwerkingsovereenkomst noodzakelijk dat de verbintenissen die deelnemers op zich nemen bepaalbaar zijn (art. 6:227 BW). Bepaalbaar zijn de verbintenissen, wanneer de vaststelling naar van tevoren vaststaande criteria kan geschieden.3 Bij de bepaling van de rechtsgevolgen van de overeenkomst staat de in de rechtspraak ontwikkelde Haviltex-leer voorop. Deze leer komt erop neer dat naast een (zuiver) taalkundige uitleg ook gekeken moet worden naar de zin die deelnemers in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.4
Privaatrechtelijk wordt veelal gesproken over een dienstverleningsovereenkomst, die juridisch gezien meestal wordt gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW). Een overeenkomst van opdracht is een rechtsverhouding waarbij de ene deelnemer, de opdrachtnemer, zich jegens de andere deelnemer, de opdrachtgever, verbindt om anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst bepaalde werkzaamheden te verrichten. Voor een overeenkomst van opdracht is geen tegenprestatie vereist; de overeenkomst kan ook om niet worden aangegaan. Verder hangt de exacte invulling van de overeenkomst af van de specifieke afspraken tussen de partijen en de context van de te verrichte activiteiten.
Naast de overeenkomst van opdracht kan binnen het privaatrecht de personenvennootschap als een specifiek type samenwerkingsovereenkomst worden gezien. Een personenvennootschap is een overeenkomst waarbij twee of meer personen geld, goederen, genot van goederen en/of arbeid inbrengen met het doel het voordeel dat daaruit ontstaat met elkaar te delen.5 De personenvennootschap is in het Nederlandse recht geregeld in Boek 7A van het BW en deels in het Wetboek van Koophandel. Een personenvennootschap kan hierbij drie vormen aannemen:6
Vennootschap onder firma (VOF): Een VOF is een samenwerkingsvorm waarbij twee of meer deelnemers onder een gemeenschappelijke naam een bedrijf voeren. Elke deelnemer (vennoot) is met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor de schulden van de VOF.
Maatschap: Een maatschap is een samenwerkingsverband tussen twee of meer deelnemers (maten) die iets inbrengen met als doel het behalen van een gemeenschappelijk voordeel. Dit kan gaan om geld, goederen of arbeid.
Commanditaire vennootschap (CV): Een CV is een vennootschap waarbij er sprake is van één of meer beherende vennoten en één of meer commanditaire vennoten (stille vennoten). De beherende vennoten zijn volledig aansprakelijk, terwijl de commanditaire vennoten alleen aansprakelijk zijn voor het bedrag dat zij hebben ingebracht.
Een personenvennootschap bezit weliswaar geen rechtspersoonlijkheid, maar kan desondanks als een onafhankelijke partij overeenkomsten aangaan en geregistreerd staan in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Hoewel zowel de personenvennootschap als de overeenkomst van opdracht gericht zijn op samenwerking en het uitvoeren van werkzaamheden, onderscheidt de personenvennootschap zich door de specifieke focus op samenwerking met als doel het behalen van economisch voordeel en het verdelen van resultaten, afhankelijk van wat elke deelnemer heeft ingebracht. Indien een samenwerkingsovereenkomst kwalificeert als personenvennootschap heeft dit tot gevolg dat een ander aansprakelijkheidsregime van toepassing is. Bij de maatschap en VOF is er sprake van persoonlijke aansprakelijkheid van de deelnemers, terwijl bij de CV de commanditaire vennoten slechts aansprakelijk zijn tot de hoogte van hun inbreng in de vennootschap. Deze aansprakelijkheidsrisico’s kunnen voor deelnemers een motief vormen om deze samenwerkingsvorm te vermijden.
Het publiekrecht onderscheidt onder de categorie samenwerkingsovereenkomst vier vormen, die alle worden vormgegeven als gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wgr. Deze vormen worden hierna kort toegelicht7:
Het gemeenschappelijk orgaan: opgericht door verschillende publiekrechtelijke lichamen voor het behartigen van specifieke bestuurlijke taken. De taken en bevoegdheden van het gemeenschappelijk orgaan worden vastgelegd in de regeling en kunnen variëren van het uitvoeren van specifieke taken tot het behartigen van de belangen van de deelnemende lichamen.
De centrumgemeente: één gemeente (de centrumgemeente) neemt taken op zich namens een aantal andere gemeenten. Deze constructie wordt vaak gebruikt voor de uitvoering van sociale taken. De centrumgemeente ontvangt hiervoor middelen van de deelnemende gemeenten en is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken.
De regeling zonder meer: een vorm van samenwerking waarbij publiekrechtelijke lichamen afspraken maken over de uitvoering van bepaalde taken zonder een nieuw orgaan op te richten. Deze vorm van samenwerking is flexibeler en minder formeel dan het oprichten van een gemeenschappelijk orgaan. De samenwerkende partijen behouden hun zelfstandigheid en verantwoordelijkheid, maar maken bindende afspraken over de taakuitvoering.
De bevoegdhedenovereenkomst: waarbij bevoegdheden worden overgedragen of gedeeld tussen verschillende publiekrechtelijke lichamen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de uitvoering van ruimtelijke ordeningstaken of milieutaken.
Net als hun tegenhangers in het privaatrecht, delen de genoemde vormen van samenwerkingscontracten de eigenschap dat ze geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Al deze samenwerkingsvormen kunnen echter wel deelnemen aan het economische verkeer en rechten en verplichtingen verkrijgen, hetzij via de wet, hetzij door zelf rechtshandelingen te verrichten, zoals het aangaan van overeenkomsten. Het hangt van verschillende feiten en omstandigheden af of een samenwerkingsverband op basis van een contractuele overeenkomst in het maatschappelijke verkeer wordt erkend als een zelfstandig rechtssubject met daaraan gekoppelde rechten en verplichtingen. Dit heeft vooral te maken met de wijze waarop het samenwerkingsverband naar buiten treedt en deelneemt aan het economische verkeer. Voorbeelden hiervan zijn de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het gezamenlijk aangaan van contracten.
Een voordeel van een samenwerkingsovereenkomst is de contractuele vrijheid die partijen hebben bij de vormgeving van de samenwerking. Een nadeel is echter dat het wettelijke kader voor samenwerking vrij beperkt is. Dit betekent dat er onzekerheid kan bestaan over de te nemen stappen wanneer in de overeenkomst geen duidelijke afspraken zijn gemaakt. Een nadeel van de personenvennootschap vormt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de deelnemers voor de schulden en verplichtingen. Om deze nadelen te beperken kan naar andere samenwerkingsvormen worden gekeken, zoals een deelname/participatie of oprichting van een joint venture.