Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.2.3
II.5.2.2.3 Rechtvaardiging van de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625082:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Let wel, indien de wettelijke verdeling werkt, volgen de betrokken kinderen niet onder algemene titel in de goederen van de nalatenschap op. De langstlevende echtgenoot verkrijgt deze goederen van rechtswege (art. 4:12 lid 2 BW). Vgl. ook art. 6:249 BW: ‘De rechtsgevolgen van een overeenkomst gelden mede voor de rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit. In het geval van verdeling van een nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 gelden de rechtsgevolgen van de overeenkomst niet mede voor de kinderen van de erflater, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.’
Vgl. ook paragraaf 4.4.2.6 ‘Ratio objectieve maatstaf: derdenwerking’. De objectieve maatstaf die geldt voor het bepaaldheidsvereiste in het goederenrecht dient de rechtszekerheid in het rechtsverkeer. Derden dienen duidelijk te weten welk goed tot wiens vermogen behoort.
Rapport Commissie Erfrecht II, p. 169. In aansluiting hierop Kamerstukken I 1967/68, 3771, 73, p. 45 (VV I), Parl. Gesch. Vast. p. 720: ‘Het is immers van belang, dat men op het moment van overlijden weet op wie de rechten en verplichtingen van de erflater zijn overgegaan’.
Rookmaker 2003b. Het verslag betreft de afscheidsbijeenkomst van R.J.W. Meyer als voorzitter van de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat (EPN) met als onderwerp: ‘De grenzen van delegatie van erfrechtelijke bevoegdheden.’ Zie in dit verband ook Rookmaker 2003a.
Rookmaker 2003b, p. 19. Hierbij wil ik terzijde opmerken dat rechtsonzekerheid en benadeling van schuldeisers mijns inziens niet op gelijke voet staan.
Vgl. ook Zwalve 1983, p. 159, waar hij het Franse verbod van legaten met een keuzemogelijkheid behandelt en laat zien dat de rechtvaardiging hiervan gevonden wordt in de systematiek van het recht. Het Frans recht kent het legaat onder algemene titel (vgl. artt. 1003 jo. 1006 en art. 1010 Code civil). Vergelijk hiermee onze erfstelling. Wanneer erflater mag delegeren, is de eigendomstoestand van de gelegateerde zaak onduidelijk. Zwalve merkt hierbij overigens op dat Planiol-Ripert enige moeite hebben met de absolute nietigheid van dit legaat. Volgens hen is de nietigheid slechts zinvol, wanneer erflater de kring van personen tussen wie moet worden gekozen niet precies heeft aangegeven. Indien deze kring wel door erflater bepaald is, moet, huns inziens, een dergelijk legaat geldig geacht worden.
De erfstelling brengt, zoals in paragraaf 5.2.1 naar voren kwam, een opvolging onder algemene titel teweeg. De aangewezen erfgenamen volgen de erflater in zijn rechten en verplichtingen van rechtswege, ofwel onmiddellijk, op.1 In tegenstelling tot bijvoorbeeld het legaat (op grond waarvan men onder bijzondere titel verkrijgt) is een leverings- of vestigingshandeling niet vereist.
Waarom vloeit uit dit principe van onmiddellijke opvolging voort dat de erfgenamen onmiddellijk, te weten volledig aan de hand van de uiterste wil en de op het ogenblik van het overlijden van de erflater bestaande omstandigheden, moeten kunnen worden geïdentificeerd?
Als rechtvaardiging voor het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid van de testamentaire erfgenamen wordt gewezen op de rechtszekerheid:2
‘Met het oog op de belangen van derden en de vereffening van de nalatenschap is het gewenst, dat niet onzeker is de identiteit van de erfgenaam. Daarom kan men billijken, dat de wetgever de testeervrijheid in zover inperkt, dat niet toegestaan is een erfgenaam te benoemen, wiens identiteit enige tijd in het onzekere blijft.’3
Hierbij dient evenwel de kanttekening te worden gemaakt dat de vereffening van de nalatenschap, zoals geregeld in afdeling 4.6.3 BW, schuldeisers gewoonlijk een helpende hand toesteekt. In die zin dat schuldeisers voor de rechtsonzekerheid die ontstaat wanneer onduidelijk is wie erflaters rechtsopvolgers zijn, niet hoeven te vrezen.
De rol die de rechtszekerheid met betrekking tot de rechtvaardiging van de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid speelt, wordt ook benadrukt in het verslag van Rookmaker inzake de knelpunten rondom delegatie:4
‘Als de erfgenamen niet bekend zouden zijn, maar door delegatie later zouden kunnen worden ingevuld, zou dit benadeling van schuldeisers kunnen opleveren volgens een van de inleiders. Helaas werd tijdens deze bijeenkomst niet verder ingevuld waar de benadeling van de schuldeisers uit zou kunnen bestaan. Maar natuurlijk moet ter wille van de rechtszekerheid bekend zijn wie de rechtsopvolgers zijn (curs. NB).’5
Het belang dat is gemoeid met een opvolging onder algemene titel, te weten de rechtszekerheid, pleit er dus voor dat erfgenamen onmiddellijke identificeerbaar zijn. Onmiddellijke opvolging vereist met andere woorden onmiddellijke identificeerbaarheid.6