Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/1.2
1.2 Probleemstelling
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855320:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met deze definitie van ‘niet-particulieren’, het handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, sluit ik aan bij art. 7:404, art. 7:405 lid 1 en art. 7:409 lid 3 BW.
Tjittes 1994, p. 2; Tjittes 1997, p. 376; Tjittes 2009, p. 39; De Vries, De overeenkomst in het algemeen (Mon. BW nr. B54) 2016/1.18.
Bouma en Frouws hanteerden als ‘laag tarief’ (omgerekend) minder dan € 20 per uur (Bouma & Frouws 2011, p. 48). Uit hun onderzoek blijkt dat bij deze grens het tarief in belangrijke mate door de opdrachtgever wordt bepaald. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de werkzaamheden die de opdrachtnemer met een tarief van minder dan € 20 per uur verricht, zich meestal kenmerken door een bepaalde mate van laagdrempeligheid, waardoor de opdrachtgever in beginsel de keuze heeft uit grotere aantallen werkenden die (op papier) de opdracht zouden moeten kunnen uitvoeren. Dit leidt tot de verslechtering van de onderhandelingspositie van deze opdrachtnemer aan de onderkant (Laagland 2018, p. 6) en brengt mee dat hij vaak ‘prijsnemer’ is. Onder ‘laag tarief’ wordt in deze studie gedacht aan (omgerekend) minder dan € 20 per uur. Dat het onderzoek van Bouma en Frouws afkomstig is uit 2011 en in dit tarief geen rekening is gehouden met bijv. de inflatie en huidige arbeidsmarktkrapte, die mogelijk deze grens hebben doen stijgen, is geen onoverkomelijk probleem, omdat de afbakening van minder dan € 20 per uur (slechts) ter indicatie dient.
In dit onderzoek hanteer ik dezelfde omschrijving als het CBS: ‘economisch afhankelijk’ is de opdrachtnemer die maar één opdrachtgever heeft of meerdere opdrachtgevers heeft, maar voor het merendeel van de inkomsten afhankelijk is van één opdrachtgever (CBS 2020). In 2020 was 24,4% van de opdrachtnemers die hoofdzakelijk door middel van hun eigen arbeid tegen beloning zelf diensten verrichtten economisch afhankelijk (CBS 2020). Overigens wordt in de Richtsnoeren betreffende de toepassing van het mededingingsrecht van de EU op collectieve overeenkomsten inzake de arbeidsvoorwaarden van zelfstandigen zonder personeel (PbEU 2022/C 123/01), waarin de mogelijkheden tot collectief onderhandelen voor opdrachtnemers (zzp’ers) is verruimd, nagenoeg eenzelfde definitie gehanteerd: de opdrachtnemer verwerft ten minste de helft van zijn totaal beroepsinkomen via één opdrachtgever in een periode van één of twee jaar (PbEU 2022/C 123/01, punt 24-25).
Bouma & Frouws 2011, p. 48; PbEU 2022/C 123/01, punt 24-25.
Met deze term sluit ik aan bij het nooit ingediende conceptwetsvoorstel Wet minimumbeloning zelfstandigen en zelfstandigenverklaring (Wmz). Ook de ACM hanteert deze term in haar Leidraad tariefafspraken zzp’ers (ACM 2023, p. 6 en 23). Mijn definitie wijkt overigens wel enigszins af t.o.v. de Wmz, terwijl de ACM geen expliciete definitie geeft van dit begrip.
In par. 1.1 kwam het begrip ‘precariaat’ al aan bod met als omschrijving een groep werkenden die aangewezen is op tijdelijk en slecht betaald werk en daardoor langdurig of zelfs permanent in onzekerheid verkeert (Standing 2011; Savage e.a., Sociology 2013/47 (2); SCP 2014, p. 290-291), wat doorgaans leidt tot een onevenwichtige verdeling van de typische risico’s die verbonden zijn aan het werk of de arbeidsmarkt ten nadele van deze groep werkenden (Gerbrandy & Kreijger 2017, p. 7-8, onder verwijzing naar Frade & Darmon 2003).
Met deze definitie sluit ik aan bij de definitie van De Galan & Van Miltenburg 1980, p. 128. In veel studies wordt een vergelijkbare definitie gegeven (De Beer 2022, p. 55).
Zie o.a. Wagenaar 1996, p. 55 en 70; CPB 2018, p. 51 en 61.
Overigens bevindt de opdrachtnemer zich van oudsher op de productmarkt en niet op de arbeidsmarkt, maar omdat ik in deze studie mij focus op de opdrachtnemer die hoofdzakelijk d.m.v. eigen arbeid diensten verricht, spreek ik toch over de arbeidsmarkt.
Frenken e.a. 2017, p. 106.
Tjittes 1994, p. 24 en 44; Tjittes 1997, p. 378; Schelhaas 2018, p. 18 en 33; Tjittes 2022, p. 30 e.v.
Schelhaas 2018, p. 18 en 37; Asser/Sieburgh 6-III 2022/41. Meer in algemene zin komt Nieuwenhuis tot drie beginselen van het verbintenissenrecht: (i) het autonomiebeginsel, dat contractsvrijheid veronderstelt, (ii) het vertrouwensbeginsel en (iii) het causabeginsel (Nieuwenhuis 1979, p. 6 e.v.). Sieburgh onderscheidt in dit kader zes beginselen: (a) het autonomiebeginsel, dat contractsvrijheid veronderstelt, (b) het vertrouwensbeginsel, (c) het beginsel van maatschappelijke rechtvaardigheid, (d) het beginsel van de trouw aan het gegeven woord, (e) het schuldbeginsel, het risicobeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en (f) het beginsel van maatschappelijke aanvaardbaarheid (Asser/Sieburgh 6-III 2022/41).
Hartlief 1999a, p. 9; Jansen 2003, p. 134; Asser/Sieburgh 6-III 2022/41.
Hartlief 1999a, p. 13; Freudenthal, Milo & Schelhaas, NTBR 2003/2; Pavillon 2021, p. 16, die wijzen op de wet, de openbare orde, de goede zeden, de redelijkheid en billijkheid en het opgewekte vertrouwen van de wederpartij. Ook op EU-niveau heeft de contractsvrijheid, waar de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 HGEU) onderdeel van uitmaakt, geen absolute gelding, maar moet deze in relatie tot haar maatschappelijke functie worden beschouwd (HvJ EU 22 januari 2013, C-283/11, ECLI:EU:C:2013:28 (Sky Österreich/Österreichischer Rundfunk); HvJ EU 12 januari 2023, C-356/21, ECLI:EU:C:2023:9 (J.K./TP S.A.)). Daardoor kan de contractsvrijheid aan beperkingen worden onderworpen, voor zover dergelijke beperkingen beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (HvJ EG 28 april 1998, C-200/96, ECLI:EU:C:1998:172 (Metronome Musik/Music Point Hokamp)).
Zie impliciet Molengraaff, RM 1895/14; zie expliciet Jansen 2003, p. 134.
Jansen 2003, p. 134. Om deze reden wordt in de rechtsliteratuur wel opgemerkt dat het verbintenissenrecht inmiddels in ieder geval twee meesters dient: die van de contractsvrijheid en die van de bescherming van de zwakke partij (Hartlief 1999b, p. 19; Hondius 1999, p. 393).
De bestaanszekerheid van de bevolking is een van de voorwerpen van zorg van de overheid (art. 20 lid 1 Gw). De regering is voornemens de bestaanszekerheid te verbeteren via het aanpakken van onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt en het tegengaan van armoede en schulden (Coalitieakkoord 2021-2025, p. 2 en 26).
Niet voor niets waren bij de invoering van de Wet op de arbeidsovereenkomst 1907 al regels te vinden op het gebied van loon (art. 1637o-1637t en 1638-1638v BW (oud)), aansprakelijkheid (art. 1638y BW (oud)) en opzegging (art. 1639h en 1639ii BW (oud)). Zie uitgebreider over deze regels Jacobs & Roozendaal, SMA 2007/11.
Wiarda 1999, p. 76.
In dit onderzoek staat de verhouding tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf centraal. Zij zijn dus beiden ‘niet-particulieren’.1 Op voorhand maak ik geen onderscheid tussen de verschillende soorten en maten opdrachtgevers. Dat neemt niet weg dat onder meer de ‘grootte’ en ‘deskundigheid’ van de opdrachtgever wel degelijk van invloed kunnen zijn op de wijze waarop het toepasselijke verbintenisrechtelijke normenkader kan worden ingekleurd, gezien de rol die de onderlinge hoedanigheid van partijen daarbij (kunnen) spelen.2 Daar waar relevant ga ik dan ook in op de eventuele verschillen die kunnen ontstaan door de hoedanigheid van de opdrachtgever, maar een categorisering blijft vooraf achterwege. Ten aanzien van de zeer diffuse groep opdrachtnemers maak ik op voorhand wél onderscheid door mijn vizier te richten op de ‘opdrachtnemer aan de onderkant’. Daaronder versta ik de opdrachtnemer die hoofdzakelijk door middel van zijn eigen arbeid tegen een ‘laag tarief’3 zelf (in persoon) diensten verricht. Daarbij gaat het om de opdrachtnemer die vaak, maar niet uitsluitend ‘economisch afhankelijk’4 van één opdrachtgever is. De veronderstelling is dat deze opdrachtnemer zijn marktgedrag doorgaans niet onafhankelijk kan bepalen.5 Omdat deze opdrachtnemer zich aan de onderkant van de ‘arbeidsmarkt’ bevindt, spreek ik over de ‘opdrachtnemer aan de onderkant’,6 die meestal in een precaire situatie verkeert.7 Ook het begrip ‘arbeidsmarkt’ verdient in deze context enige verduidelijking. Hieronder versta ik het samentreffen van vraag en aanbod van arbeid waardoor ruil en prijsvorming tot stand komen.8 Onder het aanbod van arbeid vallen alle werkenden en niet-werkenden die werk zoeken. Dat betekent niet dat alle werkenden en werkzoekenden met elkaar concurreren. De arbeidsmarkt is gesegmenteerd en bestaat als het ware uit deelmarkten,9 op basis waarvan ik in deze studie aanneem dat de groep opdrachtnemers aan de onderkant – dat kan bijvoorbeeld een schoonmaker of vertaler zijn – niet actief is op dezelfde deelmarkt als onder andere de groep opdrachtnemers die een hoog tarief in rekening brengt en economisch onafhankelijk is, waarvan de advocaat een voorbeeld kan zijn.10
De reden dat het zwaartepunt juist op de opdrachtnemer aan de onderkant ligt, is dat uit de geschetste probleemanalyse volgt dat de opdrachtnemers aan de onderkant een groeiende groep van precaire opdrachtnemers vormen. Bovendien verrichten zij steeds vaker werkzaamheden die aanvankelijk (alleen) door werknemers werden verricht.11 Hierdoor lijken zij feitelijk (nog) meer op de beschermde werknemer, terwijl ‘bescherming’ tegenover de opdrachtnemer aan de onderkant in de regel ontbreekt en in plaats daarvan ‘contractsvrijheid’ vooropstaat.12
Contractsvrijheid is een van de fundamenten van het Nederlandse verbintenissenrecht.13 Ook op Europees niveau heeft dit fundament gestalte gekregen in de vorm van de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). Contractsvrijheid houdt in dat partijen in principe vrij zijn met wie zij wel of niet een overeenkomst aangaan en dat zij kunnen afspreken wat zij willen en waarover.14 Deze vrijheid is op zowel nationaal als Europees niveau niet onbegrensd.15 Zo wordt de mate van contractsvrijheid mede bepaald door misbruik van recht, misbruik van positie (overwicht of uitbuiting) of buitengewone benadeling.16 Deze voorbeelden kunnen worden aangemerkt als concrete uitwerkingen van een meer algemeen beginsel, namelijk dat van de bescherming van de zwakke(re) partij.17 In deze studie definieer ik ‘bescherming’ als het geheel van normen dat is gericht op het ondersteunen van de opdrachtnemer aan de onderkant voor werkgerelateerde risico’s op het gebied van inkomen en veiligheid. Daarbij onderscheid ik in wezen twee vormen van het meer overkoepelende begrip ‘bescherming’, namelijk ‘structurele bescherming’, waarmee ik bedoel dat de opdrachtnemer als uitgangspunt in aanmerking komt voor een bepaalde bescherming, en ‘incidentele bescherming’, waaronder ik de situatie versta waarin bescherming niet het uitgangspunt is, maar door de omstandigheden van het geval bescherming toch op zijn plaats is en de opdrachtnemer daarom in het concrete geval bescherming wordt geboden.
Waar de vorige alinea toe leidt, is dat de contractsvrijheid haar begrenzing kan vinden in onder meer de bescherming van een bepaalde partij. Deze begrenzing en de onderlinge verhouding tussen de contractsvrijheid en bescherming vormen in deze studie het startpunt van een zoektocht naar de mogelijkheden om de opdrachtnemer aan de onderkant meer bescherming te bieden zonder dat dit onevenredig doorschiet in de beperking van de contractsvrijheid voor alle opdrachtnemers. Deze zoektocht zal plaatsvinden vanuit een verbintenisrechtelijke invalshoek, waarbij drie thema’s centraal staan: (a) het loon van de opdrachtnemer, (b) de schade die de opdrachtnemer lijdt of veroorzaakt en zijn aansprakelijkheid in dit kader en (c) de opzegging van de overeenkomst door de opdrachtgever. Deze thema’s zijn doelbewust geselecteerd. Uit de geschetste probleemanalyse blijkt namelijk dat de bestaanszekerheid van de opdrachtnemer aan de onderkant onder druk staat, mede vanwege het lage tarief, het doorgaans ontbreken van sociale zekerheid en de onzekerheid van onvoldoende opdrachten, waardoor hij kwetsbaar is voor concurrentie, leegloop en een teruglopende vraag.18 De gekozen thema’s houden alle drie verband met die bestaanszekerheid. Zij vormen immers de essentialia van het uitvoeren van de werkzaamheden en zijn (daarmee) van wezenlijke betekenis voor de economische en juridische positie van de opdrachtnemer aan de onderkant.19 Meer specifiek uit de wezenlijkheid van het thema loon voor de bestaanszekerheid van de opdrachtnemer aan de onderkant zich in zijn bestaansrecht, aangezien hij zonder adequaat loon financieel kwetsbaar is, wat mogelijk ertoe kan leiden dat hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Het thema schade is voor de bestaanszekerheid van de opdrachtnemer aan de onderkant ook elementair, omdat een grote schadepost of schadeclaim rechtstreeks zijn vermogenspositie aantast en daarmee zijn economische voortbestaan bedreigt. Het fundamentele aspect van het thema opzegging voor de bestaanszekerheid van de opdrachtnemer aan de onderkant is dat een (te) gemakkelijke opzegging die niet is omgeven met bepaalde (financiële) zekerheden, regelrecht zijn economische en juridische positie kan aantasten, nu dat ervoor kan zorgen dat zijn enige, hoofdzakelijke of belangrijke inkomstenbron direct wegvalt.
De drie thema’s benader ik uitsluitend vanuit het verbintenissenrecht, zowel het algemene gedeelte (Boek 6 BW) als delen van het bijzondere gedeelte (Boek 7 BW). Daarbij zoek ik naar de ruimte die de open normen van het verbintenissenrecht bieden om de opdrachtnemer aan de onderkant zo nodig additionele bescherming te kunnen verlenen. Die ruimte kan vervolgens worden ingevuld door rechtsregels, die kunnen worden gevonden door toepassing van de in de wet liggende regels, door interpretatie of door analogie.20 Ook in het geval van interpretatie of analogie wordt recht toegepast binnen de kaders die de wet geeft.21 Een rechtsregel kan namelijk alleen via een van deze methoden worden gevonden als die regel is gebaseerd op een objectief gegeven, zoals de ratio van een wettelijke bepaling, algemene rechtsbeginselen of rechtsvergelijking.22
1.2.1 Vraagstelling1.2.2 Hypothese1.2.3 Verantwoording en relevantie1.2.4 Afbakening