Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/2.2.1
2.2.1 Betrouwbaarheidseisen
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268516:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Tabel 2.1. De AFM voert de betrouwbaarheidstoetsingen uit bij beheerders van een beleggingsinstelling, beleggingsmaatschappijen, beheerders van een icbe, maatschappijen voor collectieve belegging in effecten, beleggingsondernemingen, bewaarders, financiëledienstverleners en pensioenbewaarders met zetel in Nederland (art. 4:9, eerste lid, Wft en art. 12 t/m 16 en bijbehorende Bijlage C BGfo Wft, De AFM beoordeelt voorts de betrouwbaarheid van dagelijks beleidsbepalers bij marktexploitanten (art. 5:29, tweede lid Wft en art. 2 en 3 Besluit gereglementeerde markten Wft).
Zie Tabel 2.1. DNB voert de betrouwbaarheidstoetsingen uit bij verzekeraars, premiepensioeninstellingen, betaalinstellingen, clearinginstellingen, afwikkelondernemingen, elektronischgeldinstellingen, entiteiten voor risico-acceptatie, kredietunies en wisselinstellingen (art. 3:9, eerste lid, Wft en art. 5 t/m 9 en bijbehorende Bijlage A Bpr Wft), verzekeringsholdings (art. 3:271 Wft), (beroeps)pensioenfondsen (art. 106, derde lid, Pw en art. 110c, vierde lid, Wvb en art. 29 en 31 t/m 35 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en bijbehorende Bijlage), trustkantoren (art. 10, tweede lid, Wtt 2018 en art. 4 t/m 8 en de bij art. 5 bijhorende Bijlage Besluit Wtt 2018) en aanbieders van diensten voor het wisselen van virtuele en fiduciaire valuta en aanbieders van bewaarportemonnees (art. 23h, tweede en vierde lid Wwft). DNB voert voorts de betrouwbaarheidstoetsingen uit bij in Nederland gelegen bijkantoren (art. 3:11, 3:12, 3:13, 3:13a, 3:14, 3:37 en 3:47 Wft). Voor banken geldt hetzelfde regime, neergelegd in art. 3:9, eerste lid, Wft en art. 5 t/m 9 en bijbehorende Bijlage A Bpr Wft, maar worden de betrouwbaarheidstoetsingen uitgevoerd door zowel DNB als de ECB. Zie par. 2.3.3 voor de bevoegdheidsverdeling tussen DNB en de ECB. Ditzelfde geldt voor toetsingen bij financiële holdings en gemengde financiële holdings (art. 3:271 Wft).
Vergelijk ook Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 4 (“Voorts wordt opgemerkt dat in de lagere regelgeving zoveel mogelijk een eenduidige uitleg wordt gegeven bij de invulling van de betrouwbaarheidseis, zodat er weinig interpretatieverschillen kunnen ontstaan [tussen DNB en AFM].”)
Art. 23h, tweede en vierde lid Wwft. Het betreft een implementatie van art. 47, eerste en tweede lid van de gewijzigde Vierde Anti-witwasrichtlijn. De betrouwbaarheidstoets is op de bekende wijze uitgewerkt in art. 5-9 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 (zie Implementatiebesluit wijziging vierde anti-witwasrichtlijn van 11 mei 2020. Stb. 2020/147, p. 13 en 14 en de bijgevoegde transponeringstabel). Met personen die het beleid van de cryptodienstverlener bepalen of medebepalen, wordt ook op de dagelijks beleidsbepalers gedoeld.
Art. 4, aanhef en onderdeel a Wet toezicht trustkantoren (Wtt).
Beleidsregel van DNB, PVK, AFM en het Ministerie van Financiën inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat-)(mede) beleidsbepalers en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen van 19 april 2000 (Stcrt. 2000, 78), aangepast op 28 januari 2005 (Stcrt. 2005,20) en gewijzigd bij besluit van 8 november 2005 (Stcrt. 2006, 20), hierna: Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing.
Stb. 2006, 519, p. 75 en 101-103 en Stb. 2006, 520, p. 124 en 168-170.
Per 1 januari 2019 is de Wtt vervangen door de Wtt 2018 (Stb. 2018, 443). Het betrouwbaarheidsregime is neergelegd in art. 10, tweede lid, Wtt 2018 en art. 4 t/m 8 en de bij art. 5 bijhorende Bijlage Besluit Wtt 2018.
Of daadwerkelijk sprake is van een gekwalificeerde deelneming en (daarmee) van een verplichte betrouwbaarheidstoets, kan overigens aanleiding zijn voor discussie, zie bijvoorbeeld CBb 17 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:5.
Art. 3:95, 3:99 en 3:100, eerste lid, onder a Wft en, wat betreft centrale tegenpartijen: art. 31, eerste en tweede lid en art. 32, eerste lid, onder a van de EMIR-Verordening. Uitzondering zijn de gekwalificeerde deelnemingen in een marktexploitant. Hier geldt wel een vvgb-plicht, maar geen reputatietoets (art. 5:32d Wft jo de Beleidslijn verklaringen van geen bezwaar gekwalificeerde deelneming in een marktexploitant ex art. 5:32d Wft). Voorwaarde voor het verlenen van de vvgb is onder meer de betrouwbaarheid van de aanvrager van de vvgb. Andere relevante elementen zijn de financiële soliditeit van de aanvrager en, indien deze daadwerkelijk invloed kan hebben of heeft op (het beleid van) de marktexploitant, de deskundigheid van de aanvrager. Deze eisen zijn vrijwel gelijk aan de eisen gesteld in de reputatietoets. Voor deelnemingen in banken, beleggingsondernemingen, verzekeraars, herverzekeraars en centrale tegenpartijen gelden de Gemeenschappelijke richtsnoeren van EBA, ESMA en EIOPA inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector, 20 december 2016, JC/GL/2016/01. Deze richtsnoeren worden besproken in par. 2.4.2.
Zie art. 2:68, tweede lid, Wft, art. 23h, vierde lid, Wwft, art. 27, zesde lid CSD-Verordening en art. 13, derde lid van de CSD-Gedelegeerde Verordening (voor wat betreft aandeelhouders van de CSD en personen die in een positie verkeren om direct of indirect zeggenschap over het management van de CSD uit te oefenen) en art. 10, derde lid, Wtt 2018. Ook de UBO’s van wisselinstellingen, trustkantoren en cryptodienstverleners dienen betrouwbaar en geschikt te zijn, zie art. 47, tweede lid van de gewijzigde Vierde Anti-witwasrichtlijn.
Zie art. 3:9, eerste lid en 3:272 Wft. Zie Tabel 2.1 voor een overzicht van de betreffende inkomende bijkantoren. DNB toetst slechts de betrouwbaarheid van leden van het tweede echelon en laat de geschiktheidstoets in beginsel over aan de instellingen zelf, Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 5.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 3 en 4.
Zie Hoofdstuk 1, par. 1.10. Wanneer deze personen feitelijk het dagelijks beleid bepalen, dienen zij eveneens aan de geschiktheidseisen te voldoen (zie par. 2.2.2).
Voor (beroeps-)pensioenfondsen is dit geregeld in art. 106, derde en vierde lid Pw en art. 110c, derde en vierde lid Wvp en art. 29, tweede lid, Besluit uitvoering Pw en Wvb. DNB toetst de betrouwbaarheid van een persoon die houder is van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie voorafgaand aan de benoeming van deze persoon en de betrouwbaarheid of geschiktheid op ieder ander moment indien daar, naar haar oordeel, aanleiding toe bestaat. Personen die uitsluitend betrokken zijn bij het vervullen van een dergelijke sleutelfunctie dienen eveneens betrouwbaar (en geschikt) te zijn. Uitgangspunt is dat het (beroeps-)pensioenfonds hier zelf op toeziet. DNB kan, indien zij daartoe aanleiding ziet, de betrouwbaarheid en de geschiktheid van deze personen op ieder moment toetsen. Verplichte voorafgaande toetsing door DNB wordt echter niet noodzakelijk geacht. De wetgever geeft aan dat dit op grond van de richtlijn niet is vereist en onwenselijk is, gegeven de kosten van het intensieve proces dat bestaat uit volledige toetsing vooraf op geschiktheid en betrouwbaarheid van alle personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie. Zie Kamerstukken II, 2017/18, 34 934, nr. 3, p. 8, 9, 30 en 31 en Stb. 2018, 516, p. 29. Voor premiepensioeninstellingen is dezelfde regeling opgenomen voor de interne controlefunctie (interne auditfunctie) en de risicobeheerfunctie, zie art. 17aa, derde lid en art. 26.01 Bpr Wft en Stb. 2018, 516, p. 29 en 58.
DNB toetst uitsluitend de houders van interne controlefuncties bij de verzekeraar, als onderdeel van het tweede echelon. Voor personen die een sleutelfunctie vervullen of uitoefenen, zonder houder te zijn, geldt een andere regeling dan bij (beroeps-)pensioenfondsen. Deze personen worden niet door DNB getoetst. Volgens de wetgever zou dit in strijd zijn met de richtlijn en onevenredig belastend voor zowel de verzekeraars als DNB. (Toezicht op) het beleid dat een verzekeraar moet voeren in het kader van de beheerste bedrijfsvoering wordt voldoende geacht. Zie Kamerstukken II, 2011/12, 33 273, nr. 3, p. 39-40.
Zie art. 12 t/m 16 BGfo Wft en bijbehorende Bijlage C, art. 5 t/m 9 Bpr Wft bijbehorende Bijlage A, art. 29 en 31 t/m 35 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en bijbehorende Bijlage, art. 4 t/m 8 Besluit Wtt 2018 en de bijhorende Bijlage. Voor ontheffingshouders gelden art. 2 en 3 BGfo Wft, welke artikelen verwijzen naar de art. 12 t/m 16 BGfo Wft. Deze regelgeving is nagenoeg gelijkluidend. Hierna zal nog slechts worden gerefereerd aan de bepalingen uit het BGfo Wft en het Bpr Wft en de toelichting daarop.
Stb. 2006, 519, p. 74 en Stb. 2006, 520, p. 167 en, voor wat betreft de uitbreiding naar leden van het tweede echelon, Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 3. Doel is het handhaven van het maatschappelijk vertrouwen in de financiële sector die een cruciale rol vervult in het economisch verkeer, zie Kamerstukken II, 1995/96, 24 843, nr. 1, p. 3 en Kamerstukken II, 1988/89, 21 038, nr. 3, p. 2 en de aldaar beschreven doelstellingen van de financiële toezichtwetten.
Stb. 2006, 519, p. 75 en Stb. 2006, 520, p. 168.
Zie onderdeel 2.4, 3.3, 4.2 en 5.3 van de Bijlagen. Alleen in de categorie Overige antecedenten ontbreekt een dergelijke “restcategorie”. Een betrouwbaarheidsoordeel dat uitsluitend gebaseerd is op een restcategorie vereist een zware motivering, zie CBb, 19 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2222, r.o.5.
Zie onderdeel 2 van de Bijlagen. De strafbeschikking is bij het Wijzigingsbesluit financiële markten 2019 (Stb. 2019, 397) expliciet aan de lijst toegevoegd. Strafrechtelijke antecedenten zijn daarnaast ook andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de strafbare feiten die staan genoemd bij onderdeel 2.1 van de Bijlagen (zie onderdeel 2.5 van de Bijlagen).
Stb. 2006, 519, p. 75 en Stb. 2006, 520, p. 168. Uit de rechtspraak volgt dat bij de toets of de betrouwbaarheid van een bestuurder buiten twijfel staat kan worden afgegaan op een serieus te nemen verdenking van een relevant strafbaar feit. De toezichthouder zal zich met betrekking tot die verdenking een zelfstandig oordeel dienen te vormen (zie CBb 18 april 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE2368, r.o. 5.2, CBb 27 september 2005, ECLI:2005:AU3491, r.o. 4.3.1). Zie ook CBb 29 september 2016, ECLI:NL:CBB:2016:306, r.o. 6.10, waar het College aangeeft dat DNB terecht heeft aangenomen dat betrokkene, die werd verdacht van ernstige (witwas-)misdrijven, de betrouwbaarheidstoets niet zou hebben doorstaan.
Zo werd bijvoorbeeld waarde gehecht aan een verkeersovertreding, waarbij betrokkene een lasershield in zijn auto had geplaatst om op voorhand op de hoogte te zijn van verkeerscontroles. Hiermee onttrok betrokkene zich volgens het CBb aan controle door een toezichthoudende instantie en dat was voor de betrouwbaarheidsbeoordeling relevant, omdat de toezichthouder erop moet kunnen vertrouwen dat de onder toezicht staande financiëledienstverlener een open houding heeft jegens de toezichthouder (CBb 9 oktober 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG1630, r.o. 5.3). In vergelijkbare zin oordeelde de Rechtbank Rotterdam dat het herhaaldelijk in aanraking komen met Justitie (twee veroordelingen wegens rijden onder invloed en een veroordeling wegens het niet meewerken aan een onderzoek daarnaar) doet veronderstellen dat betrokkene niet in voldoende mate over de eigenschap van wetsgetrouwheid beschikt, en dat de feiten daarmee relevant zijn voor het betrouwbaarheidsoordeel (Rb. Rotterdam, 24 maart 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH8575, r.o. 2). Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 27 februari 2009, waar werd geoordeeld dat geweld (mishandeling), bedreiging en belaging richting de ex-partner niet getuigden van het op integere wijze omgaan met de belangen van anderen, welke eigenschap onmisbaar is voor het op verantwoorde wijze verlenen van financiële diensten (Rb. Rotterdam, 27 februari 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH4914, r.o. 2).
Zie voor een bijzonder geval waarin hiervan sprake was en betrokkenen a) jarenlang opzettelijk onjuiste aangifte hadden gedaan en b) niet aan de toezichthouder hadden gemeld dat zij van de inkeerregeling gebruik hadden gemaakt: CBb 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:46, JOR 2017/133, m.nt. S.M.C. Nuijten. Hoewel deze antecedenten voldoende werden geacht voor een negatief betrouwbaarheidsoordeel, werd het besluit tot heenzending als een te verstrekkende maatregel beschouwd. Zie hierover ook Hoofdstuk 7, par. 7.4.1.
Ook situaties waarbij een ondertoezichtgestelde “in conflict” is geweest met een toezichthouder of toezichthoudende instantie en dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens de ondertoezichtgestelde, kwalificeren als toezichtantecedenten (zie onderdeel 4.1, vierde gedachtestreepje van Bijlage C bij het BGfo Wft en Bijlage A bij het Bpr Wft). Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijk toezichtantecedent is niet nodig dat betrokkene de situatie als een conflict heeft ervaren of dat een discussie is gevoerd waarin de van elkaar afwijkende standpunten van toezichthouder en de ondertoezichtgestelde met elkaar botsen, aldus het CBb in zijn uitspraak van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:498, r.o. 6.3.1. Het College begrijpt de passage “conflict met de toezichthouder” zo dat sprake is van een conflict met de toezichthouder wanneer betrokkene in conflict is met de toepasselijke wet- en regelgeving.
Relevante antecedenten dienen bij aanvangstoetsingen op het Formulier Betrouwbaarheidsonderzoek te worden vermeld (https://www.toezicht.dnb.nl/5/11/5/4/4/50-206424.jsp en http://www.digitaal.loket.afm.nl/nl-NL/Diensten/FinancieelDienstverleners/Vergunning/Pages/betrouwbaarheidsonderzoek.aspx?tab=4). Na aantreden dienen voorts alle nieuwe antecedenten aan de toezichthouder te worden gemeld (zie art. 88, 94 en 102 Bgfo Wft en art. 34 en 40 Bpr Wft). Het niet-nakomen van deze meldingsplicht kan worden bestraft met een bestuurlijke boete van de tweede categorie (basisbedrag €500.000; zie art. 1:81 Wft en art. 10, zesde lid Besluit bestuurlijke boetes financiële sector) en vormt op zichzelf een toezichtantecedent in de zin van art 4.1, eerste gedachtestreepje van de Bijlage (“Het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens aan de toezichthouder”). Anderzijds kan volledige openheid gelden als een verzachtende omstandigheid (zie https://www.toezicht.dnb.nl/4/2/16/50-229357.jsp). De toezichthouder geeft dan ook als vuistregel dat relevante gebeurtenissen beter te veel dan te weinig kunnen worden gemeld. Zie over de meldplicht ook: A.E. van Lamsweerde, J. de Wolf & A.B. Schoonbeek, ‘Meldplicht betrouwbaarheid. Weet wat je zegt, zeg alles wat je weet?’, in: C.A. Wielenga e.a.(red), Jaarboek Compliance 2014, Capelle aan de IJssel: C.A. Wielenga 2014, p. 175-192.
Stb. 2006, 519, p. 102 en Stb. 2006, 520 p. 168 en 169.
Stb. 2006, 519, p. 102 en Stb. 2006, 520 p. 168.
Stb. 2006, 519, p. 101 en Stb. 2006, 520 p. 168.
Stb. 2006, 519, p. 75 en Stb. 2006, 250, p. 168.
De Beleidsregel Betrouwbaarheid maakte melding van “gedragingen die blijk geven van het niet hebben van eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid, openheid, oprechtheid, prudentie, punctualiteit, onkreukbaarheid, discretie en rechtschapenheid”, zie art. 1, tweede lid van de Beleidsregel.
Zie bijvoorbeeld M.J.C. Somsen, ‘Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing betrouwbaar?’, FR 2005, afl. 3, p. 67 e.v., die wijst op de ambiguïteit van de begrippen, de mogelijke botsing tussen de verschillende eigenschappen (“openheid” versus “discretie”) en daarmee samenhangende rechtsonzekerheid. Bij het opstellen van de betreffende amvb’s is aansluiting gezocht bij de Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing. De (afwezigheid van) genoemde eigenschappen komt niet terug in de amvb’s, maar wel in de bijbehorende nota’s van toelichting. Daarbij zijn de eigenschappen vervangen door een wat kortere lijst gedragingen, en komen de meest archaïsche begrippen zoals “rechtschapenheid” en “onkreukbaarheid” niet terug.
Zie art. 1.7 Beleidsregel Geschiktheid en de door DNB gegeven toelichting (http://www.toezicht.dnb.nl/4/2/16/50-229357.jsp). Zie voorts, over de diverse factoren die bij de weging van antecedenten een rol kunnen spelen: G. Roth en J. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Beschouwingen vanuit de theorie én de praktijk’, in: M. Lückerath-Rovers e.a. (red.), Jaarboek Corporate Governance 2015-2016, Deventer: Kluwer 2017, p. 79 en het op dit punt nog steeds actuele artikel van M. Verrest, ‘De betrouwbaarheidstoetsing: een kernwaarde van het financieel recht’, in: C.A. Wielenga e.a. (red), Jaarboek Compliance 2009, Capelle aan de IJssel: C.A. Wielenga 2009, p. 29 e.v.
Zo zullen overtredingen van kernbepalingen (verbodsbepalingen) in het financieel toezichtrecht veel gewicht in de schaal leggen. Ook de boetecategorie kan een indicatie vormen voor de aard en ernst van het feit.
Alle antecedenten kunnen bij het betrouwbaarheidsoordeel worden meegewogen, ook wanneer deze lang in het verleden hebben plaatsgevonden. Er geldt, kortom, geen absolute begrenzing in tijd. De toezichthouder kan antecedenten echter, afhankelijk van het tijdsverloop, minder zwaar laten wegen, zie Stb. 2006, 519, p. 103 en Stb. 2006, 520, p. 170.
Relevante aspecten zijn bijvoorbeeld of sprake is van opzet (willens en wetens de wet overtreden) of lichtere vormen van schuld, en of sprake is van recidive.
Vergelijk CBb 28 april 2006, JB 2006/201, ECLI:NL:CBB:2006:AW5471 (Quinta), r.o 7.6. In deze zaak had de instelling het bemiddelingsverbod overtreden (een zakelijk antecedent). De AFM diende te beoordelen of de toerekenbaarheid van dit antecedent de betrouwbaarheid van alle bestuurders in gelijke zin raakt, gegeven de onderscheiden rol die zij daarbij hebben vervuld. Het ligt “alleszins in de rede” om onderscheid te maken tussen bestuurders die een actieve rol hebben gespeeld in de bemiddelingsactiviteiten en de bestuurders die zich daarmee niet hebben bemoeid (Rb. Rotterdam 26 juli 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY7383, r.o. 2.6). De toerekenbaarheid speelt ook een belangrijke rol bij de beslissing om een hertoetsingsonderzoek te openen, naar aanleiding van (uitsluitend) zakelijke antecedenten. In dat geval voeren de toezichthouders een “vooronderzoek” uit, waarbij bijvoorbeeld gewicht wordt gehecht aan de zittingsduur van betrokkene voorafgaand aan het antecedent en de rol en verantwoordelijkheden van betrokkene bij de overtreding. Zie hierover ook Hoofdstuk 7, par. 7.3.1.
Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 12 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:9676, r.o. 7.3: Een antecedent dat op het moment van de vergunningaanvraag op zichzelf niet tot het oordeel leidde dat de betrouwbaarheid van betrokkene op dat moment niet buiten twijfel stond, kan bij een hertoetsing opnieuw bij de beoordeling van de betrouwbaarheid worden betrokken en, in samenhang met overige antecedenten, aanleiding vormen voor de conclusie dat de betrouwbaarheid niet langer buiten twijfel staat.
Art. 9 Bpr Wft en art. 16 BGfo Wft en Stb. 2006, 519, p. 103 en Stb. 2006, 520, p. 170. Het bestaan van een enkel antecedent (met uitzondering van de antecedenten die zonder meer tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel moeten leiden, zie hierna) “is op zichzelf niet maatgevend” voor het oordeel van de toezichthouder over de betrouwbaarheid van betrokkene. De toezichthouder zal zich een eigen oordeel moeten vormen over een antecedent.
Zie http://www.toezicht.dnb.nl/4/2/16/50-229357.jsp. Dit geldt overigens evenzeer voor de vraag of (nog) wordt voldaan aan de geschiktheidseisen.
Art. 9, aanhef en sub b en c Bpr Wft, art. 16, aanhef en sub b en c BGfo Wft en identieke bepalingen in de overige amvb’s.
Zie hierover, en over de rechterlijke toets in het licht van deze beoordelingsruimte, nader Hoofdstuk 7, par. 7.4.1.
Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 5 en Stb. 2012,7, p. 3.
Slechts onder bijzondere omstandigheden mag de toezichthouder afwijken van het uitgangspunt dat de betrouwbaarheid niet (langer) buiten twijfel staat. Deze kunnen zijn gelegen in de ernst van het feit, het al dan niet onherroepelijk zijn van een strafrechtelijke veroordeling of het besluit waarbij de vergrijpboete wordt opgelegd en de tijd die is verstreken sinds de veroordeling of oplegging van de boete (zie de Nota van wijziging p. 42, Stb. 2012, 695).
Zie art. 8, eerste lid onder b, c en d en tweede lid Bpr Wft en art. 15, eerste lid onder b, c en d en tweede lid, BGfo Wft.
De bepalingen werden met de invoering van de Wft in 2006 geïmplementeerd in het Bpr Wft (art. 8), het BGfo Wft (art. 15) en het Besluit reikwijdtebepalingen Wft (art. 32). Daarbij verviel de aan een beleidsregel inherente afwijkingsbevoegdheid. Het CBb oordeelde vervolgens dat de dwingende aard van art. 15 BGfo Wft strijd opleverde met het bepaalde in art. 4:10, tweede en derde lid, Wft, welke artikelen uitdrukkelijk de bevoegdheid tot vaststellen van de betrouwbaarheid verlenen aan de toezichthouder (CBb 4 maart 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BL9360). Daarop werden het Bpr Wft en het BGfo Wft aangepast en verloren de bepalingen hun dwingende karakter (zie Stb. 2010, 801, p. 29-30). Een paar jaar later werd het gebonden betrouwbaarheidsoordeel echter opnieuw geïntroduceerd, nu door middel van aanpassing van de Wft (als onderdeel van de Wet introductie geschiktheid, zie Stb. 2012, 23) en vervolgens door aanpassingen in het Bpr Wft en BGfo Wft (zie Stb. 2012, 695). De huidige situatie bestaat sinds 1 januari 2013.
Zie C.M. Grundmann-van de Krol, Koersen door het effectenrecht: beschouwingen omtrent Nederlands effectenrecht, Den Haag: Boom Juridische 2011, p. 542-543 en C.M. Grundmann-van de Krol, ‘Geschiktheid, betrouwbaarheid en de beoordeling daarvan: het ‘twin peaks’-toezichtmodel wankelt’, Ondernemingsrecht 2011/68, afl. 9, par. 5. Zie ook CBb 4 maart 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BL9360, JOR 2010/156 m.nt. Roth en Rb. Rotterdam, 13 februari 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH3101, JOR 2009/225 m.nt. Roth. In de eerstgenoemde procedure was door betrokkene naar voren gebracht dat de gefixeerde beoordelingsmaatstaf strijd opleverde met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en de art. 6, 7 en 8 EVRM. Het CBb kwam niet toe aan de bespreking van deze stelling nu de regeling in het Bpr Wft en BGfo Wft afdoende grondslag in de Wft ontbeerde.
Zie R. Stijnen, ‘(Her)toetsing van geschiktheid en betrouwbaarheid’, in: D.R. Doorenbos & M.J.C. Somsen (red.), Onderneming en sanctierecht. Handhaving van financieel toezichtrecht, in het bijzonder onder de Wft en de Pw (Serie Onderneming en Recht, deel 76), Deventer: Kluwer 2013, p. 354.
D.R. Doorenbos en M. Somsen, annotaties bij CBb 12 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY7979, JOR 2007/14; D.R. Doorenbos, annotatie bij Rb. Rotterdam 24 april 2006, ECLI:NL:RBOT:2006:AW4545, JOR 2006/153 en M. Somsen, annotatie bij CBb 27 september 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AU3491, JOR 2006/11.
M. Verrest, ‘De betrouwbaarheidstoetsing: een kernwaarde van het financieel recht’, in C.A. Wielenga e.a. (red), Jaarboek Compliance 2009, Capelle aan de IJssel: C.A. Wielenga 2009, p. 34.
Zie nader over de beoordelings- en beleidsruimte van de toezichthouders: Hoofdstuk 7, par. 7.4.1.
Zie bijvoorbeeld de Minister van Financiën: “De situatie dat iemand zowel kan worden aangemerkt als geschikt (wat betreft kennis, ervaring, vaardigheden en professioneel gedrag) en tevens als onbetrouwbaar (vanwege een antecedent), zal niet lang voortbestaan. Een onbetrouwbare bestuurder of commissaris zal immers zijn functie niet mogen aanvaarden of, indien het om een nieuw antecedent gaat, zijn functie moeten neerleggen,” (Kamerstukken II, 2011/12, 31 980, nr. 55, p. 34). Zie ook Rb. Rotterdam 31 juli 2015, ECLI:NL:RBOT:2015:5634, r.o. 6.2:“Van DNB mag gelet op het grote belang dat de wetgever hecht aan betrouwbare beleidsbepalers in de financiële sector, worden verwacht dat zij, als zij meent dat de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler van een onder toezicht staande instelling niet buiten twijfel staat, er in beginsel niet op grond van een belangenafweging van afziet dienovereenkomstig te besluiten”. Zie echter ook CBb 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:46, r.o. 12.2, waarbij de door de AFM gegeven aanwijzing tot heenzending na een –op zichzelf als juist beoordeeld- negatief betrouwbaarheidsoordeel, als een te verstrekkende maatregel werd aangemerkt.
Art. 3:9, tweede lid, 3:99, tweede lid en 4:10, tweede lid, Wft en art. 10, vierde lid Wtt 2018.
Toetsingen uit hoofde van de Wet financiële markten BES (“Wfm BES”) zijn uitgesloten van het paspoort-systeem. Voor deze toetsingen geldt dat de betrouwbaarheid wordt beoordeeld voorafgaand aan het uitoefenen van de functie en vervolgens elke drie jaar opnieuw, of eerder wanneer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven (zie art. 3:4, vierde lid Wfm BES en art. 3:1, derde lid, Besluit financiële markten BES). Met deze periodieke toets werd beoogd aan te sluiten op de bestaande praktijk van Curaçao en Sint Maarten (Stb. 2012, 238, p. 80).
Stb. 2006, 519, p. 87.
Rb. Rotterdam, 22 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8228, r.o.16, JOR 2019/ 284 m.nt. S.M.C. Nuijten. De uitspraak draait om de vraag of de instelling met een niet-aangemelde beleidsbepaler, waarvan de betrouwbaarheid (nog) niet door de AFM was vastgesteld, in overtreding is van art. 4:10 Wft. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit art. 4:10, tweede lid Wft (het betrouwbaarheidspaspoort) volgt, anders dan door de AFM betoogd, niet dat de betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat totdat de toezichthouder anders beslist. Het betekent wel dat een persoon zijn betrouwbaarheidsstatus niet verliest zolang hij niet is herbeoordeeld. Het niet aanmelden levert daarom op zichzelf nog geen beboetbare overtreding op van art. 4:10 Wft; er moet eerst een beoordeling plaatsvinden door de toezichthouder. De uitspraak doet denken aan het betoog van Stijnen, zoals weergegeven in Hoofdstuk 1, par. 1.4.1. Hoger beroep tegen de uitspraak was op het moment van schrijven van dit proefschrift nog aanhangig.
Zie over de invulling van het begrip “redelijke aanleiding” Hoofdstuk 7, par. 7.4.1. Dit laat onverlet dat de toezichthouders doorlopend toezicht houden op de naleving van de betrouwbaarheidseisen en ook proactief kunnen nagaan of zich feiten of omstandigheden voordoen die redelijke aanleiding moeten geven voor een hertoetsing.
Art. 10, vierde lid Wtt 2018 (“De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door de DNB of de AFM voor de toepassing van deze wet, de Wft, of de Wwft is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling”).
Art. 23h, derde lid, Wwft (“De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door DNB of de AFM voor de toepassing van deze wet, de Wft of de Wtt 2018 is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling”).
Zie art. 3:9, tweede lid, 3:99, tweede lid en 4:10, tweede lid, Wft (“De betrouwbaarheid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijk aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling”).
Zie art. 106, achtste lid, Pw, 110c, achtste lid Wvp (“De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door de toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling”).
In de rechtspraak worden, naarmate het besluit ingrijpender gevolgen heeft voor betrokkenen en/of er fundamentele (grond-)rechten in het geding zijn, zwaardere eisen gesteld aan de motiveringsplicht. Zie hierover Hoofdstuk 7, par. 7.4.1.
R. Stijnen, ‘(Her)toetsing van geschiktheid en betrouwbaarheid’, in: D. R. Doorenbos & M.J.C. Somsen (red.), Onderneming en sanctierecht. Handhaving van financieel toezichtrecht, in het bijzonder onder de Wft en de Pw (Serie Onderneming en Recht, deel 76), Deventer: Kluwer 2013, p. 351.
C.M. Grundmann-van de Krol, Koersen door het effectenrecht: beschouwingen omtrent Nederlands effectenrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 540.
In diezelfde zin: G. Roth & J. Roepnarain, ‘Bedenkingen bij het voorstel om bestuurders en commissarissen te kunnen schorsen bij enkele twijfel aan hun geschiktheid’, Ondernemingsrecht 2015, afl. 9, p. 62.
Zie de concept-memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2016, p. 2-4 (https://www.internetconsultatie.nl/wijzigingswetfm2016/details), met verwijzing naar Kamerstukken II, 1996/97, 25 406, nr. 3. De wetgever nam daarbij als uitgangspunt dat de toezichthouders in de situatie dat “twijfel” bestaat aan de betrouwbaarheid van een dagelijks beleidsbepaler of een interne toezichthouder, direct een aanwijzing kunnen geven en dat zij niet hoeven te wachten tot een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de betrokken persoon volledig is afgerond. Ook zonder dergelijk nader onderzoek zou reeds sprake zijn van overtreding van art. 3:9/ 4:10 Wft. Een dergelijk uitgangspunt past echter niet in de systematiek van de betrouwbaarheidsregelgeving en de op dit punt gewezen rechtspraak, en maakt het gehele (her-)toetsingsonderzoek illusoir. Een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden (twijfel) kan een redelijke aanleiding vormen voor een hertoetsingsonderzoek. Het definitieve oordeel, en de vraag of de instelling in overtreding is van de genoemde bepalingen, is daarmee echter niet gegeven. Hiertoe dient juist dit nader onderzoek.
Stb. 2006, 520, p. 167.
De toelichting op art. 9 Bpr Wft bevat het begrip “doorslaggevende twijfel” (Stb. 2006, 519, p. 103). Het begrip is niet opgenomen bij de overigens gelijkluidende toelichting bij art. 16 BGfo Wft. De Minister van Financiën spreekt in een enkel geval ook van “doorslaggevende twijfel”. Zie Kamerstukken II, 2010/11, 32 432, nr. 14, p. 2: “De lead-toezichthouder is op grond van de wettelijke systematiek gehouden tot een brede afweging van belangen waarbij het in beginsel mogelijk is dat die toezichthouder tot de conclusie komt dat het bestaan van een bepaald feit niet leidt tot een doorslaggevende twijfel over de betrouwbaarheid van een persoon.”
ECB-Gids, Toetsingscriterium 4.2 (Reputatie), p. 15. De Gemeenschappelijke Richtsnoeren van EBA, ESMA en EIOPA maken gebruik van een vergelijkbare formulering: “Een kandidaat-verwerver wordt geacht een goede reputatie te bezitten, indien er geen betrouwbaar bewijs is dat het tegendeel suggereert en de toezichthouder geen goede redenen heeft om aan zijn goede reputatie te twijfelen”, zie onderdeel 10.9 van de Gemeenschappelijke Richtsnoeren inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector 20 december 2016 (JC/GL/2016/01). Zie ook art. 73 van de Richtsnoeren van EBA en ESMA: een lid “wordt geacht van onbesproken gedrag en eerlijk en integer te zijn als er geen objectieve en aantoonbare gronden zijn om aan te nemen dat dat niet het geval is”.
Art. 91, eerste lid, CRD IV en art. 9, vierde lid, 45, eerste lid en 63, eerste lid MiFID II. Grundmann-van de Krol geeft (terecht) aan dat de Nederlandse betrouwbaarheidseis strenger is geformuleerd dan in de MiFID (zie C.M. Grundmann-van de Krol, Koersen door het effectenrecht: beschouwingen omtrent Nederlands effectenrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 538). Ook in de andere Europese toezichtwetten is de betrouwbaarheidsnorm minder absoluut gedefinieerd, zie Hoofdstuk 2, par. 2.4.1.
Dagelijks beleidsbepalers, (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders
De Nederlandse wet stelt eisen aan de betrouwbaarheid van dagelijks beleidsbepalers (zoals bestuurders), beleidsbepalers, medebeleidsbepalers en interne toezichthouders (zoals commissarissen) in de gehele financiële sector. Zie, voor een overzicht, Tabel 2.1 en voor een toelichting op de gehanteerde definities: Hoofdstuk 1, paragraaf 1.10. Deze betrouwbaarheidseisen zijn gelijk, of betrokkene nu een positie vervult bij een instelling waarbij de AFM de vergunningverlenende toezichthouder is,1 of DNB2 (of de ECB).3
Evenmin maakt het verschil of de instelling in kwestie wordt gereguleerd door de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Pensioenwet (Pw), de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Sinds 21 mei 2020 stelt deze laatste wet dezelfde betrouwbaarheidseisen aan onder meer beleidsbepalers, medebeleidsbepalers en interne toezichthouders bij “crypto-dienstverleners”: aanbieders van diensten voor het wisselen van virtuele en fiduciaire valuta en aanbieders van bewaarportemonnees.4
Tot 1 januari 2019 gold voor trustkantoren nog een (licht) afwijkend systeem, waarbij de algemene betrouwbaarheidsnorm was neergelegd in de Wet toezicht trustkantoren5 en de nadere uitwerking en toepassing ervan volgde uit de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing van AFM, DNB en de Minister van Financiën.6 Deze beleidsregel is met de invoering van de Wft op 1 januari 2007 grotendeels ongewijzigd overgenomen in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (“BGfo Wft”) en het Besluit prudentiële regels Wft (“Bpr Wft”).7 Met het van kracht worden van de Wtt 2018 en het Besluit Wtt 2018 is het betrouwbaarheidsregime bij trustkantoren thans identiek aan het Wft-regime.8
Houders van gekwalificeerde deelnemingen
Daarnaast stelt de wet dezelfde betrouwbaarheidseisen aan bepaalde houders van een gekwalificeerde deelneming in onder toezicht staande financiële instellingen. Het betreft, kort gezegd, houders van een rechtstreeks of middellijk belang van tien procent of meer van het geplaatste kapitaal van de doelonderneming, van de stemrechten of het kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap (zie Hoofdstuk 1, paragraaf 1.10.6).9 Voor gekwalificeerde deelnemingen in een afwikkelonderneming, bank, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, entiteit voor risico-acceptatie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, betaalinstelling, elektronischgeldinstelling, een marktexploitant of centrale tegenpartij zijn de betrouwbaarheidseisen een voorwaarde voor het verkrijgen en behouden van de verplichte verklaring van geen bezwaar (vvgb). De betrouwbaarheidstoets maakt in die gevallen onderdeel uit van de zogenaamde reputatietoets (zie paragraaf 2.2.3).10 Op houders van een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsinstelling, cryptodienstverlener, centrale effectenbewaarinstelling of een trustkantoor rust geen vvgb-plicht, maar zij dienen wel aan de betrouwbaarheidseisen te voldoen.11
Tabel 2.1 bevat een overzicht van de sectoren waarin de houders van een gekwalificeerde deelneming zijn onderworpen aan een reputatietoets, dan wel aan een “enkele” betrouwbaarheidstoets. Daarnaast geldt dat wanneer een aandeelhouder of houder van een gekwalificeerde deelneming in één van de genoemde of in andere financiële instellingen moet worden aangemerkt als medebeleidsbepaler, deze aan dezelfde betrouwbaarheidseisen dient te voldoen. De betrouwbaarheidsbepalingen zijn bovendien van overeenkomstige toepassing verklaard op (gemengde) financiële holdings en verzekeringsholdings (art. 3:272 Wft). Met de implementatie van de IFR in de Wft zullen de beleggingsholdings hieraan worden toegevoegd.
Leden van het tweede echelon
Sinds 1 april 2015 gelden bovendien dezelfde betrouwbaarheidseisen voor de leden van het tweede echelon bij banken, verzekeraars, kredietunies, verzekeringsholdings, (gemengde) financiële holdings en inkomende bijkantoren.12 Met de term “tweede echelon” wordt gedoeld op hoge leidinggevenden, die direct onder de beleidsbepalers (raad van bestuur) vallen en verantwoordelijk zijn voor personen die het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden. Hieronder worden onder meer de personen verstaan die verantwoordelijk zijn voor de interne controlefuncties: “houders” van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie, compliance functie of actuariële functie. Daarnaast kunnen hieronder de leidinggevenden worden begrepen die verantwoordelijk zijn voor grote financiële transacties, zoals de hoogste manager van een afdeling vermogensbeheer of een afdeling treasury, en bijvoorbeeld het hoofd juridische zaken.13 Uiteraard geldt ook voor deze personen dat wanneer zij feitelijk het beleid bepalen of medebepalen, zij reeds als (mede)beleidsbepalers aan de betrouwbaarheidseisen dienen te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij leden van een Executive Committee.14
Leden van het tweede echelon worden op een risico-gebaseerde wijze getoetst. Dit betekent dat DNB deze personen uitsluitend toetst wanneer hiertoe een bepaalde aanleiding bestaat. De betrouwbaarheid wordt echter wel steeds, bij aanvang, vastgesteld.15
Sinds 13 januari 2019 worden, ter implementatie van de IORP II-Richtlijn, dezelfde betrouwbaarheidseisen gesteld aan houders van interne controlefuncties bij pensioenfondsen, bedrijfspensioenfondsen en premiepensioeninstellingen. Uitgangspunt is ook hier dat de instellingen zelf verantwoordelijk zijn voor de betrouwbaarheid en de geschiktheid van deze personen en daarop toezien. Wel voert DNB steeds een betrouwbaarheidstoets uit. Personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie dienen eveneens betrouwbaar te zijn (en geschikt). In een verplichte (aanvangs-)toets is niet voorzien. Wel kan DNB, indien zij daartoe aanleiding ziet, de betrouwbaarheid van deze personen op ieder moment toetsen.16 Ook voor verzekeraars geldt dat zowel de houders als de vervullers van een interne controlefunctie betrouwbaar (en geschikt) dienen te zijn. De toets van personen die uitsluitend betrokken zijn bij het vervullen van een interne controlefunctie wordt echter volledig bij de verzekeraar gelaten.17 Zie hierover ook Hoofdstuk 4.
Hoge betrouwbaarheidsnormen
De betrouwbaarheid van genoemde personen dient “buiten twijfel” te staan. Hieronder wordt verstaan dat betrokkene zich onthoudt van gedragingen die in de weg staan aan het vervullen van zijn (toekomstige) functie.18 Deze open (vage) norm is, op gedetailleerde wijze, uitgewerkt in algemene maatregelen van bestuur en bijbehorende bijlagen.19 Deze uitwerking berust grotendeels op de eerder genoemde Beleidsregel Betrouwbaarheid. Het doel van de beoordeling van de betrouwbaarheid is de borging van de integriteit van de instelling en personen en het maatschappelijke vertrouwen in de financiële markten.20
De beoordeling van de betrouwbaarheid richt zich op feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het vertoonde gedrag van betrokkene niet in overeenstemming is met een integere invulling en uitoefening van de functie.21 De toezichthouder stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.22 De Bijlagen bij de amvb’s bevatten een uitvoerige opsomming van antecedenten die bij de toetsing in ieder geval in aanmerking genomen worden.23 Het betreft strafrechtelijke antecedenten, financiële antecedenten, toezichtantecedenten, fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten en overige antecedenten. De lijst is niet-limitatief van aard.24 Elke categorie bestaat uit een aantal benoemde (“nadrukkelijk omschreven”) antecedenten en wordt afgesloten met een meer algemene omschrijving van andere feiten of omstandigheden die in het verlengde liggen van de benoemde antecedenten en “redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid”.25
Strafrechtelijke antecedenten zijn onder meer veroordelingen en strafbeschikkingen, maar ook antecedenten zonder schuldvaststelling zoals transacties, (voorwaardelijk) sepot, vrijspraak en ontslag van rechtsver volging.26 Zelfs de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit kan voldoende zijn om van een strafrechtelijk antecedent te spreken.27 De Bijlagen bevatten een lange lijst met relevante overtredingen en misdrijven. Genoemd worden onder andere marktmisbruik, valsheid in geschrifte, diefstal, bedrog, verduistering en witwassen, maar ook moord, mishandeling, vernieling, handel in (soft of hard)drugs, doorrijden na een ongeval, rijden onder invloed en bijvoorbeeld joyrijden. Gedragingen die niet direct verband houden met de financiële sector zullen in het algemeen minder verstrekkende consequenties hebben voor de toets, maar kunnen wel degelijk bijdragen aan een “negatief” betrouwbaarheidsoordeel.28
Met financiële antecedenten wordt onder meer gedoeld op financiële problemen, betrokkenheid bij een faillissement of bij paulianeuze handelingen. Het kan hierbij om persoonlijke of om zakelijke financiële kwesties gaan. Dit geldt ook voor fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten. Hieronder vallen zowel persoonlijke als zakelijke verzuim- of vergrijpboetes van de Belastingdienst. Ook wanneer gebruik is gemaakt van een “inkeerregeling” van de Belastingdienst kan nog steeds een negatief betrouwbaarheidsoordeel volgen.29
Toezichtantecedenten zijn bijvoorbeeld het onjuist of onvolledig informeren van de toezichthouder, niet meewerken aan een informatieverzoek van de toezichthouder, een geweigerde vergunning of een opgelegde (in) formele (toezicht-)maatregel.30 In de praktijk wordt aan deze categorie veel waarde gehecht. Vaak wordt onderschat hoe zwaar de toezichthouders, daarin gesteund door de rechtspraak, hechten aan openheid in de toezichtrelatie en het melden van antecedenten.31 Overige antecedenten, ten slotte, kunnen bijvoorbeeld bestaan uit een doorhaling van de registratie bij het Dutch Securities Institute (DSI), een tuchtrechtelijke maatregel of een arbeidsconflict. Zie over de relevantie van tuchtrechtelijke procedures in het kader van het bancair tuchtrecht ook Hoofdstuk 8.
Naast de in de Bijlagen omschreven antecedenten kunnen de toezichthouders andere feiten en omstandigheden in hun overwegingen betrek ken.32 Daarbij kan worden gedacht aan feiten en omstandigheden die naar hun aard vergelijkbaar zijn met de in de Bijlage genoemde antecedenten.33 Niet alleen gedrag dat in het verleden heeft plaatsgevonden, maar ook voorgenomen gedragingen kunnen inzicht geven in de betrouwbaarheid. De regelgever geeft hierbij het voorbeeld dat uit onderzoek blijkt dat een voorgenomen aandelentransactie van de te toetsen kandidaat in het verleden is afgekeurd in verband met mogelijke voorkennis of (de schijn van) belangenverstrengeling. Vanzelfsprekend dient de toezichthouder relevante voornemens op objectief verifieerbare wijze vast te stellen.34
Uiteindelijk is de aan een handeling of antecedent ten grondslag liggende gedraging bepalend voor het oordeel over de betrouwbaarheid. Dit kan zowel een doen als een nalaten betreffen.35 Voorbeelden van gedragingen die van invloed zijn op het betrouwbaarheidsoordeel zijn: niet de waarheid spreken, geen openheid geven over voor het toezicht relevante onderwerpen, niet discreet omgaan met vertrouwelijke informatie, zich niet houden aan afspraken of op een onverantwoordelijke wijze optreden in de beroepsuitoefening.36 De Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing bevatte reeds een vergelijkbare opsomming van eigenschappen.37 Deze “opsomming der deugden” is destijds overigens niet zonder kritiek gebleven.38
De toezichthouder zal de relevante feiten en antecedenten in het licht van de genoemde gedragingen beoordelen en waarderen. Daarbij houdt de toezichthouder rekening met een aantal “wegingsfactoren”,39 zoals de aard en ernst van het feit,40 tijdverloop41 en verwijtbaarheid,42 waaronder de mate van betrokkenheid/ toerekenbaarheid bij “zakelijke antecedenten”, dat wil zeggen antecedenten die door de instelling zijn gepleegd en niet door betrokkene in privé.43 Van (groot) belang is voorts, zoals hiervoor ook aan de orde kwam, in hoeverre en hoe snel openheid van zaken is gegeven over het betreffende antecedent.
Daarnaast dient het onderlinge verband van voornemens, handelingen en aan de antecedenten ten grondslag liggende gedragingen van betrokkene in aanmerking te worden genomen.44 Een antecedent dat op zichzelf genomen van weinig betekenis zou zijn kan in combinatie met andere factoren of gedragingen van de betrokkene net de druppel zijn die de emmer doet overlopen, of, in combinatie met vergelijkbare feiten en omstandigheden, bijdragen aan een patroon van (niet integer) handelen.45 Zo zal bijvoorbeeld een vrijspraak door de strafrechter of het uitblijven van een bepaalde strafrechtelijke reactie niet op voorhand betekenen dat er geen twijfel zou kunnen bestaan over de betrouwbaarheid van betrokkene. Omgekeerd is het eveneens mogelijk dat de toezichthouder tot de conclusie komt dat het bestaan van een antecedent, behoudens de hierna te bespreken “gebonden betrouwbaarheidsoordelen”, niet leidt tot twijfel over de betrouwbaarheid van betrokkene.46 Dit komt in de praktijk zelfs geregeld voor. DNB geeft aan dat de ervaring leert dat veruit de meeste gemelde antecedenten, na weging, niet leiden tot een negatief oordeel over de betrouwbaarheid. In veel gevallen is sprake van een ‘nulweging’: een antecedent heeft dan geen invloed op het oordeel over de betrouwbaarheid.47
Bij de vaststelling van het betrouwbaarheidsoordeel dient de toezichthouder voorts de belangen in aanmerking te nemen die de wet beoogt te beschermen en de overige belangen van de onderneming en de betrokkene.48 Het meewegen van de belangen van de betrokken persoon en instelling in kwestie maken, anders het meewegen van de (algemene) belangen die de wet beoogt te beschermen, de beoordeling van de betrouwbaarheid tot een context-afhankelijke toets. Zoals nader toegelicht in paragraaf 2.5.1 past dit noch in de Nederlandse, noch in de Europese systematiek.
Al met al kan worden vastgesteld dat hoge eisen worden gesteld aan de betrouwbaarheid. Ook kan worden geconcludeerd dat de wettelijke normstelling op uitvoerige en gedetailleerde wijze is uitgewerkt in lagere regelgeving. Deze uitwerking laat echter onverlet dat door de vage normstelling, de ruime en niet-limitatief omschreven antecedentenlijsten en de wegingsmogelijkheden van de toezichthouder, deze over een ruime beoordelingsruimte beschikt.49
Gebonden betrouwbaarheidsoordelen
De “gebonden betrouwbaarheidsoordelen” vormen in dit opzicht een uitzondering. Bepaalde misdrijven worden vanwege hun aard en ernst op voorhand als onverenigbaar beschouwd met de belangen die de toezichtwet beoogt te beschermen.50 Het betreft hier de misdrijven genoemd in onderdeel 1 van de Bijlagen. Wanneer betrokkene onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een dergelijk misdrijf en er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaar zijn verstreken, dient de toezichthouder zonder nadere afweging tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel te komen.51 De wetgever heeft met deze bepalingen de rechtszekerheid willen bevorderen en voorts eventuele verschillen van inzicht tussen DNB en AFM bij de waardering van antecedenten willen beperken. Zie over deze laatste overweging ook paragraaf 2.3.1.
Daarnaast bestaat er een categorie antecedenten die eveneens tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel moeten leiden, tenzij toepassing moet worden gegeven aan de “hardheidsclausule”.52 Het gaat daarbij om dezelfde in onderdeel 1 van de Bijlagen genoemde misdrijven, maar waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of de veroordeling buiten de achtjaarstermijn valt, en om een aantal zware fiscale vergrijpen.53
Ook de gebonden betrouwbaarheidsoordelen stammen uit de Beleidsregel Betrouwbaarheid. Daarbij bestond er voor de toezichthouders echter steeds een “inherente afwijkingsbevoegdheid” (zie art. 4:84 Awb). De wetgever heeft zich veel moeite getroost om de gebonden betrouwbaarheidsoordelen, zonder deze inherente afwijkingsbevoegdheid, rechtsgeldig in de betreffende wet- en regelgeving te verankeren.54
Dit neemt niet weg dat over de gebonden betrouwbaarheidsoordelen nog steeds relevante vragen kunnen worden gesteld. Zo vraagt Grundmann-van de Krol zich af of in een concreet geval strijd bestaat met het EVRM en of in een concreet geval de koppeling van de termijn van acht jaren aan het onherroepelijk worden van een strafrechtelijke veroordeling niet willekeurig uitwerkt: deze termijn is niet afhankelijk gesteld van de gedraging van betrokkene maar van de snelheid van vervolging door het OM en de behandeling van de zaak door de rechter.55 De gebonden betrouwbaarheidsoordelen zijn Stijnen zelfs “een doorn in het oog”, waarbij hij er onder meer op wijst dat de ene vorm van valsheid in geschrifte (art. 225 Sr) de andere niet is.56 Ook Doorenbos en Somsen benadrukken dit: “geen mens en geen zaak is gelijk, zodat het automatisme van acht jaar uitbanning per definitie onrecht doet aan de relatief lichte gevallen”.57 Verrest is van oordeel dat de toezichthouders ruimte zouden moeten behouden om zich een eigen oordeel te vormen over deze antecedenten en eventuele bijzondere omstandigheden mee te kunnen laten wegen.58
Ik sluit mij hier graag bij aan. De regeling scheert alle veroordeelden voor bepaalde misdrijven over één kam, zonder rekening te houden met de achterliggende persoonlijke en situationele omstandigheden, die echter zeer van elkaar kunnen verschillen. Dit kan onevenredig uitpakken. Ook de aard en ernst van de in onderdeel 1 van de Bijlagen genoemde misdrijven lopen behoorlijk uiteen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de maximale strafmaat. Zo is het financieren van terrorisme (art. 421 Sr.) strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van maximaal acht jaar, terwijl voor “eenvoudig witwassen” (art. 420 bis.1 Sr.) een maximale gevangenisstraf geldt van zes maanden. Toch prijken beide misdrijven op de lijst, opgenomen in onderdeel 1 van de Bijlagen en hebben onherroepelijke veroordelingen voor het plegen van deze misdrijven dezelfde consequentie: een negatief betrouwbaarheidsoordeel voor de duur van in ieder geval acht jaar.
Wel geldt dat de gefixeerde beoordelingsmaatstaf slechts het betrouwbaarheidsoordeel betreft, en niet de naar aanleiding van dit oordeel te nemen (handhavings-)maatregel. Toezichthouders beschikken over be leidsruimte bij de keuze of, en zo ja welk (handhavings-)instrument zij opleggen en deze beleidsruimte blijft, ook bij de bindende betrouwbaarheidsoordelen, bestaan.59 Bij deze keuze kunnen de door genoemde auteurs opgeworpen argumenten worden betrokken, bijvoorbeeld in het licht van de toets aan het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of de vereiste belangenafweging. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat het (begrijpelijke) uitgangspunt wordt gehanteerd dat, gezien het grote belang van betrouwbare beleidsbepalers in de financiële sector, een negatief betrouwbaarheidsoordeel niet zonder consequenties mag blijven en zal de genoemde beleidsruimte, temeer nu het gaat om een wettelijk vastgestelde betrouwbaarheidsmaatstaf, door de toezichthouder als uiterst beperkt worden ervaren.60 Een regeling zoals is neergelegd in art. 8, eerste lid onder b, c en het tweede lid Bpr Wft en art. 15, eerste lid onder b, c en het tweede lid BGfo Wft (“de betrouwbaarheid staat niet buiten twijfel, tenzij”), zou daarom wat mij betreft een betere oplossing zijn geweest. Een dergelijke formulering zou sterk richtinggevend zijn, terwijl de mogelijkheid blijft bestaan om (in het voordeel van betrokkene) gemotiveerd af te wijken.
Daarbij komt dat in geen van de Europese betrouwbaarheidsregimes, zoals deze de afgelopen jaren in verschillende gedelegeerde verordeningen en richtsnoeren vorm hebben gekregen (zie hierna), gebruik wordt gemaakt van een dergelijke gefixeerde beoordelingsmaatstaf. Tegen deze achtergrond zou ik de wetgever aanbevelen om de gebonden betrouwbaarheidsoordelen in het geheel te schrappen.
Betrouwbaarheidspaspoort
De betrouwbaarheid wordt in principe slechts éénmaal getoetst. Alleen wanneer een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft voor een nieuwe beoordeling, wordt de betrouwbaarheid opnieuw door de toezichthouder vastgesteld.61 Dit wordt ook wel het Nederlandse “betrouwbaarheidspaspoort” genoemd.62 Het paspoort is geïntroduceerd bij de invoering van de Wft. Daarvóór diende steeds, op basis van de in de Wft opgegane sectorale wetgeving, per aanvraag een betrouwbaarheidsbeoordeling plaats te vinden. Door het paspoort worden hertoetsingen bij functiewisselingen voorkomen, met een administratieve lastenverlichting tot gevolg.63 De betrouwbaarheid van te toetsen personen wordt bij een overstap van bijvoorbeeld een verzekeraar naar een beleggingsonderneming, of van beleggingsinstelling naar een financiëledienstverlener, immers in beginsel niet nogmaals getoetst. De Rechtbank Rotterdam heeft aangegeven dat de bepaling ertoe strekt dat een financiële instelling niet hoeft te vrezen voor een overtreding door “het van kleur verschieten” van de betrouwbaarheid van een van haar beleidsbepalers vanwege een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden, voordat een nieuwe beoordeling door de toezichthouder heeft plaatsgehad.64 Het paspoort beschermt financiële instellingen voorts tegen hertoetsingen van de betrouwbaarheid zonder redelijke aanleiding.65
Het betrouwbaarheidspaspoort heeft tot gevolg dat DNB en de AFM elkaars positieve betrouwbaarheidsoordelen bij Wft-instellingen in beginsel overnemen. Daarbuiten is de “cross-sectorale werking” van het paspoort relatief beperkt. Positieve betrouwbaarheidsoordelen bij Wft-instellingen geven in beginsel een paspoort voor de betrouwbaarheidstoets bij (de overstap naar) een functie bij een trustkantoor66 en voor een toetsing uit hoofde van de Wwft,67 maar andersom geldt dit niet.68 De toetsingen bij pensioenfondsen en beroepspensioenfondsen hebben in het geheel geen cross-sectorale werking. In de Pw en Wvp ziet het paspoort slechts op betrouwbaarheidsvaststellingen uit hoofde van de betreffende wet.69 In het licht van de cross-sectorale toepassing van de betrouwbaarheidstoets, waarbij de betrouwbaarheid bij alle genoemde instellingen op precies dezelfde wijze dient te worden vastgesteld, lijkt het voor de hand te liggen om zowel de betrouwbaarheidsbeoordelingen uit hoofde van de Wft, Wtt 2018 en Wwft als die uit hoofde van de Pw en de Wvp onder het bereik van het paspoort te brengen. Hiertoe zouden genoemde wetten moeten worden aangepast.
Of de betrouwbaarheidsoordelen van de ECB onder het paspoort vallen is niet geheel duidelijk. Enerzijds volgt uit art. 3:9, tweede lid en 3:99, tweede lid Wft dat het paspoort alleen geldt wanneer de betrouwbaar heidsstatus door “een toezichthouder” is vastgesteld, terwijl art. 1:1 Wft de definitie van toezichthouder beperkt tot DNB en de AFM. Daarmee zou de ECB buiten de regeling van het betrouwbaarheidspaspoort vallen. Anderzijds volgt uit art. 9, eerste lid van de SSM-Verordening dat de ECB wordt aangemerkt als de bevoegde of aangewezen autoriteit voor het uitoefenen van de bevoegdheden voortvloeiend uit het Unierecht. Hoewel het Nederlandse betrouwbaarheidspaspoort geen implementatie betreft van het relevante Unierecht (het paspoort is een puur nationale regeling), kan worden betoogd dat de ECB bij het uitoefenen van de in de Wft vervatte bevoegdheden gebonden is aan dezelfde verplichtingen en beperkingen als DNB. Dit zou ook volgen ook uit de schakelbepaling van art. 3:1a Wft, waarin is bepaald dat voor de toepassing van Deel 3 van de Wft en de daarop berustende bepalingen de ECB, ten behoeve van de uitoefening van haar taken, “in de plaats treedt” van DNB. Dit zou betekenen dat de ECB, net als DNB, de betrouwbaarheid alleen opnieuw kan toetsen wanneer sprake is van een redelijke aanleiding en dat de ECB de door DNB en/of de AFM genomen positieve betrouwbaarheidsbeslissingen bij Wft-instellingen in beginsel dient te respecteren.
Andersom zouden DNB en de AFM bij het uitvoeren van personentoetsingen bij Wft-instellingen in beginsel gebonden zijn aan de positieve betrouwbaarheidsvaststellingen van de ECB. Nu de ECB bij het uitvoeren van personentoetsingen bij Nederlandse banken dezelfde betrouwbaarheidsregelgeving dient toe te passen als DNB en de AFM (zie hierna), lijkt dit op zichzelf geen vreemde gedachte. Wel is het zo dat de betrouwbaarheidsregelgeving een royale beoordelingsruimte laat aan de toezichthouder bij zowel de selectie als de weging van de relevante feiten en omstandigheden. De ECB zal hiervoor een eigen beleid hanteren, en dit beleid hoeft niet op alle punten overeen te komen met het Nederlandse beleid. Verschillen in beleid kunnen leiden tot verschillende uitkomsten van de toets. DNB en de AFM proberen afwijkende oordelen en inconsistenties in de uitvoeringspraktijk juist nadrukkelijk te voorkomen. Hiervoor gelden verschillende wettelijke samenwerkingsverplichtingen, waar de ECB niet aan is gebonden (zie paragraaf 2.3.1). Het moeten overnemen van het positieve ECB-oordeel zou met name kunnen gaan knellen wanneer het Nederlandse beleid strenger zou zijn zijn dan het ECB-beleid. Hiervan lijkt echter vooralsnog geen sprake (zie par. 2.5.1). Een nationaal besluit dat afwijkt van een positief betrouwbaarheidsoordeel van de ECB lijkt mij bovendien, zolang er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een afwijkende beslissing recht vaardigen en de beslissing van de ECB berust op een adequate feitengrondslag en motivering, toch niet goed voorstelbaar. De wetgever (en de ECB) zouden er mijns inziens echter goed aan doen om de juridische onduidelijkheden op dit punt weg te nemen.
Buiten twijfel
Ondanks de uitvoerige toelichtingen op de betrouwbaarheidstoets in de verschillende amvb’s roept de norm “buiten twijfel” in de praktijk nogal eens vragen op. Anders dan deze formulering zou kunnen doen vermoeden, betekent dit niet dat een “enkele twijfel” steeds voldoende is voor een negatief betrouwbaarheidsoordeel en/of een (afwijzend) besluit. In de eerste plaats zal het moeten gaan om een geobjectiveerde twijfel, en niet slechts om de persoonlijke (subjectieve) inschatting van de betreffende toezichthouder. Een betrouwbaarheidsoordeel dient te berusten op de feiten en omstandigheden zoals bepaald in de hiervoor besproken amvb’s en bijbehorende Bijlagen, en deze dienen objectief verifieerbaar te worden vastgesteld. In de tweede plaats betekent de aanwezigheid van dergelijke feiten of antecedenten niet dat de betrouwbaarheid “dus” niet (langer) buiten twijfel staat. De term “buiten twijfel” heeft niet die absolute betekenis. Niet vereist is dat betrokkene vrij is van ieder antecedent. Zoals toegelicht dienen de aanwezige relevante feiten en omstandigheden door de toezichthouder te worden gewaardeerd en gewogen in het licht van de vereiste betrouwbaarheid en deze waardering kan er toe leiden dat de toezichthouder vaststelt dat de betrouwbaarheid, desondanks, buiten twijfel staat. In de praktijk is dit zelfs veelvuldig het geval.
In de rechtspraak worden hoge eisen gesteld aan de bewijsvoering en motivering van het betrouwbaarheidsoordeel. Deze eisen wegen zwaar, temeer nu de consequenties van een negatief betrouwbaarheidsoordeel verstrekkend kunnen zijn.70 Hoewel de wet bepaalt dat de instelling dient “aan te tonen” dat aan de betrouwbaarheidseisen is voldaan, ziet de betrouwbaarheidstoets op de afwezigheid van niet-integer gedrag en kan dit, anders dan de aanwezigheid van positieve eigenschappen zoals bepaalde deskundigheid of expertise (zoals bij de geschiktheidstoets), maar tot op zekere hoogte worden bewezen. In de woorden van drs. D. Dicou, voormalig Hoofd Expertisecentrum Toetsingen bij DNB: “Iedereen wordt betrouwbaar geboren; geschiktheid moet je verdienen.” Volgens Stijnen rust de bewijslast om deze reden op de toezichthouder, al doet de wettekst anders vermoeden.71 Met Grundmann-van de Krol zou ik het willen houden op “een zware motiveringsplicht” voor het oordeel dat niet aan het betrouwbaarheidsvereiste wordt voldaan.72 Zie ook Hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.1 over de (indringende) rechterlijke toets of aan het motiveringsbeginsel is voldaan. Deze motiveringsplicht reikt overigens niet zover dat de toezichthouder de “onbetrouwbaarheid” zou moeten vaststellen. Een enkele (niet nader onderzochte of onderbouwde) twijfel is voor een negatief betrouwbaarheidsoordeel echter onvoldoende.73
De wetgever leek in 2016 bij een -later ingetrokken- wetsvoorstel dat schorsing van beleidsbepalers en interne toezichthouders mogelijk zou moeten maken, echter een andere mening te zijn toegedaan. Anders dan bij de beoordeling van de geschiktheid, waar het element van “twijfel” ontbreekt, zou uit de formulering van de wettelijke betrouwbaarheidsnorm volgen dat de toezichthouders reeds bij twijfel aan de betrouwbaarheid, zonder nader onderzoek, een aanwijzingsbesluit kunnen geven in de zin van art. 1:75 Wft. De wetgever verwees hiervoor naar de wetgeschiedenis bij artikel 9 van de Wtk: “Deze aangescherpte formulering laat er geen misverstand over bestaan dat, in die gevallen dat de betrouwbaarheid van de bestuurders niet geheel buiten twijfel staat, de vergunning zonder meer kan worden geweigerd.”74
Ook de toelichtingen op het Bpr Wft en het BGfo Wft hanteren een strenge toon: “Het doel van de beoordeling van de betrouwbaarheid van deze personen is borging van de integriteit van en het maatschappelijke vertrouwen in de [financiële] markten. Er mag geen twijfel bestaan over de betrouwbaarheid van financiële ondernemingen en personen die op de financiële markten actief zijn.75
Hoewel ik de genoemde doelstelling zonder meer onderschrijf, lijken mij de woorden “buiten twijfel” en “geen twijfel” ongelukkig gekozen. Termen als “doorslaggevende twijfel” of “gerede twijfel” doen beter recht aan de systematiek van de betrouwbaarheidsregelgeving en de bestaande rechtspraktijk.76 Vergelijk ook de ECB-Gids (zie hierna): “Een te benoemen persoon wordt geacht als betrouwbaar bekend te staan als er geen bewijs van het tegendeel is en als er geen aanleiding is voor gerede twijfel aan zijn of haar goede reputatie.”77 In de Europese wetgeving wordt de betrouwbaarheidsnorm ook minder absoluut geformuleerd. Zo stellen de CRD IV en de MiFID II (slechts) de eis dat betrokkenen “voldoende betrouwbaar” zijn, terwijl in de door deze richtlijnen bestreken sectoren de hoogste betrouwbaarheidsnormen van toepassing zijn.78 De Nederlandse wetgever zou bij deze formulering kunnen aansluiten.