Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.4.1
4.4.1 Akkoord Stichting Wereldruiterspelen 1994
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446091:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex).
In artikel 3 van het akkoord wordt gesproken van afstand doen van eventuele vorderingsrechten jegens de bestuurders en hun verzekeraars. De schuldeisers hebben echter geen rechtstreekse aanspraken jegens de verzekeraars van de bestuurders.
Uit de begeleidende brief bij het akkoord valt af te leiden dat het de bedoeling was dat alle schuldeisers integraal aan het gehomologeerde akkoord zouden worden gebonden en derhalve ook aan artikel 3 van het akkoord.
Een akkoord kan derhalve voor instemmende schuldeisers verplichtingen omvatten.
Het akkoord wordt dan wel beschouwd als een overeenkomst, het is echter geen normaal type van overeenkomst, vgl. art. 6:217 BW. Door homologatie van een akkoord worden immers ook de tegenstemmers en afwezigen gebonden, zie art. 157 Fw. Bij hen is van aanvaarding van het aanbod echter geen sprake.
Vgl. HR 18 mei 1990, NJ 1991, 412, nt. MMM (De Maes Janssens).
Zie hierover ook S.C.J.J. Kortmann, Derden in het faillissementsrecht, AA 1997, jaargang 46, nr. 5, p. 321 e.v.
In gelijke zin S.C.J.J. Kortmann, Derden in het faillissementsrecht, AA 1997, jaargang 46, nr. 5, p. 321 e.v.
Vgl. art. 6:253 BW. Het derdenbeding hoeft overigens niet uitdrukkelijk te worden overeengekomen. Vgl. art. 3:37 lid 1 BW.
De bestuurders worden immers na aanvaarding van het derdenbeding partij bij de overeenkomst, zie art. 6:254 lid 1 BW.
In de surseance van betaling van de 'Stichting Wereldruiterspelen 1994' is aan de schuldeisers een akkoord aangeboden. Het akkoord is aangenomen en vervolgens gehomologeerd door de rechtbank Utrecht. In dit akkoord is het volgende artikel 3 opgenomen:
"Door voor het ontwerp van akkoord te stemmen doen de schuldeisers, doch uitsluitend voor het geval dat het akkoord wordt aanvaard en gehomologeerd, onherroepelijk afstand van hun vermeende vorderingsrechten op de bestuurders van de Stichting en hun verzekeraars, uit welke hoofde dan ook."
In de begeleidende brief bij het akkoord valt echter te lezen dat, het akkoord wordt aangeboden onder de voorwaarden dat het wordt aanvaard:
"tegen finale kwijting van alle vorderingen op de Stichting met inbegrip van eventuele aanspraken op haar bestuurders individueel en jegens eventuele derden; door een voldoende grote meerderheid van de schuldeisers om deze finale kwijting wezenlijke waarde te geven, zulks ter beoordeling van de aanbieders."
Naar aanleiding van bovenstaand artikel kan een aantal vragen worden opgeworpen, waaronder de vraag of een artikel met een dergelijke inhoud in een akkoord kan worden opgenomen. Indien voorgaande vraag bevestigend kan worden beantwoord, leidt dit vervolgens tot de vraag wat voor betekenis bovenstaand artikel heeft voor de rechtsposities van tegenstemmers en afwezigen, indien het akkoord wordt gehomologeerd. Meer in zijn algemeenheid speelt hier de vraag naar de mate van gebondenheid van deze schuldeisers aan een dergelijke bepaling in het akkoord.
Het zal een kwestie van uitleg zijn hoe artikel 3 van het akkoord uiteindelijk zou moeten worden opgevat.1 Ik meen in artikel 3 van bovengenoemd akkoord te mogen lezen dat deze bepaling alleen verbindend is voor de schuldeisers die voor het akkoord stemmen. Dit betekent derhalve dat zij door hun instemming afstand doen van hun eventuele vorderingsrechten jegens de bestuurders van de Stichting.2 Voor tegenstemmers en afwezigen geldt artikel 3 in beginsel niet, waardoor zij hun eventuele vorderingsrechten jegens de bestuurders van de Stichting behouden. De begeleidende brief bij het akkoord schept echter onduidelijkheid: hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat niet alleen voorstemmers afstand doen van hun eventuele vorderingsrechten op de bestuurders van de Stichting, maar dat door de finale kwijting ook tegenstemmers en afwezigen daarvan afstand hebben gedaan.3 Indien het de bedoeling is dat artikel 3 alleen verbindend is voor die schuldeisers die het akkoord hebben aanvaard, dan heb ik geen bezwaar tegen opneming van een dergelijk artikel in een akkoord. Een akkoord is immers een overeenkomst. Dat instemmende schuldeisers aan artikel 3 van het akkoord zijn gebonden, spreekt voor zich (art. 6:217 BW). De vraag die zich hier in zijn algemeenheid voordoet, is of tegenstemmende schuldeisers en schuldeisers die niet in het faillissement zijn opgekomen door homologatie van het akkoord ook aan een dergelijke bepaling gebonden raken.
Uitgangspunt van het akkoord is sanering van de financiële positie van de schuldenaar. Schuldeisers aanvaarden een akkoord niet om rechten prijs te geven, maar om zoveel te verkrijgen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is.4 Daarbij gaat het in de eerste plaats om het verhaal dat zij hebben op hun schuldenaar. Het gaat om diens vermogen, om diens boedel. In een akkoord kunnen derhalve slechts die bepalingen worden opgenomen die betrekking hebben op de boedel van de schuldenaar. Verhaalsrechten die schuldeisers eventueel zouden kunnen hebben op derden, kunnen in beginsel niet in een akkoord worden uitgesloten. In beginsel, want als schuldeisers geen bezwaar hebben tegen opneming van een bepaling met een dergelijke inhoud, dan geldt mijns inziens de contractsvrijheid. Zij worden dan op grond van art. 6:217 BW aan het betreffende beding gebonden.5 Tegenstemmers en degenen die niet in het faillissement/ surseance van betaling zijn opgekomen, zijn echter niet aan de inhoud van het betreffende artikel gebonden.6 Een akkoord bindt alleen de concurrente schuldeisers en de schuldenaar. De rechten die concurrente schuldeisers hebben ten opzichte van derden worden door een akkoord niet aangetast.7 Een gehomologeerd akkoord laat rechten van schuldeisers ten opzichte van derden onverlet.8 Dit is ook neergelegd in art. 160 Fw. Ik meen hieruit te mogen afleiden dat de homologatie van het akkoord geen betrekking heeft op artikel 3 van het onderhavige akkoord voor zover daarmee bedoeld is dat alle schuldeisers aan de inhoud ervan zijn gebonden. Een bepaling zoals artikel 3, waarin afstand wordt gedaan van rechten ten opzichte van derden, kan overigens wel met instemmende schuldeisers worden overeengekomen. Een dergelijk beding kan dan worden gezien als een aanvulling op het akkoord, maar is geen onderdeel van het akkoord, zodat de homologatie daarop geen betrekking heeft en evenmin de dwingendrechtelijke toepassing van art. 157 Fw.
Zoals hierboven aangegeven, heeft een akkoord in beginsel geen betrekking op aanspraken van schuldeisers jegens derden. Deze rechten maken immers geen onderdeel uit van het vermogen van de schuldenaar. In het akkoord in de surseance van de Stichting Wereldruiterspelen is door bepaalde schuldeisers juist expliciet afstand gedaan van hun eventuele vorderingsrechten jegens derden (bestuurders van de Stichting Wereldruiterspelen en hun verzekeraars). Bepalingen met betrekking tot het prijsgeven van eventuele rechten jegens derden kunnen naar mijn oordeel als afzonderlijke overeenkomst in een akkoord worden opgenomen, maar hebben slechts een beperkte werkingssfeer in deze zin dat alleen voorstemmers aan deze bepalingen zijn gebonden. Het uitzonderingskarakter van art. 157 Fw brengt met zich dat schuldeisers die tegen het akkoord hebben gestemd of die niet in het faillissement zijn opgekomen, slechts gebonden worden aan het gehomologeerde akkoord voor zover het hun aanspraken jegens de schuldenaar betreft.9
Schuldeisers die vóór het akkoord hebben gestemd, zijn jegens de schuldenaar gebonden aan de bepaling in het akkoord waarin zij afstand doen van bepaalde rechten jegens derden. De schuldenaar kan vervolgens de voorstemmers op grond van het 'af standsbeding' houden aan hun verplichting, om bestuurders van de Stichting Wereldruiterspelen niet aan te spreken. Deze gehoudenheid van (voorstemmende) schuldeisers is echter een gebondenheid jegens de schuldenaar. Om die gehoudenheid tevens jegens de bestuurders van de Stichting Wereldruiterspelen te laten gelden, zou het zogenaamde 'afstandsbeding' mede ten behoeve van de bestuurders dienen te worden overeengekomen. In dat geval is sprake van een derden-beding.10 Een dergelijk beding zouden de bestuurders ook bij voorbaat kunnen aanvaarden. Door aanvaarding worden de bestuurders partij bij de overeenkomst (art. 6:254 BW) en verkrijgen de bestuurders derhalve een eigen recht, zodat zij voorstemmende schuldeisers kunnen tegenwerpen dat deze mede jegens hen afstand hebben gedaan van hun vorderingsrechten.11