Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/7.3
7.3 Optreden van het leger
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233586:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van der Hulle 2018a, p. 65.
HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, NJ 2015/376, m.nt. Schrijver (Mustafić); HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9225 (Nuhanović).
Zie r.o. 3.18.3.
Zie punt 5.39 van de conclusie van A-G Vlas van 3 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ9225.
Zie ook Wiarda/Koopmans 1999, p. 138-139.
Rb. Den Haag 16 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8562; Rb. Den Haag 16 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8748.
Hof Den Haag 27 juni 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1761.
Zie r.o. 39.2.
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1223, NJ 2019/356, m.nt. Ryngaert en Spier, AA 2019, p. 981-990, m.nt. Castermans en Demper (Mothers of Srebrenica).
Zie r.o. 4.4.2.
Zie r.o. 4.7.9.
Zojuist heb ik vastgesteld dat de rechtspraak van de Hoge Raad aanknopingspunten biedt voor een Nederlandse political question-doctrine in geschillen die raken aan het buitenlands beleid. Concreet gaat het dan om geschillen over beslissingen van de andere staatsmachten die het buitenlands beleid meer in algemene zin vormgeven. Volgens de Hoge Raad moet de rechter bij de beoordeling van dergelijke beslissingen een grote mate van terughoudendheid in acht nemen, niet alleen bij de inhoudelijke beoordeling van het voorliggende geschil, maar ook bij de beoordeling van de ontvankelijkheid. Dit biedt de mogelijkheid om een dergelijk geschil over de boeg van de ontvankelijkheid af te doen. Hiervoor heb ik betoogd dat deze benadering een met een political question-doctrine vergelijkbare werking heeft.
Eenzelfde terughoudendheid ligt volgens de Hoge Raad echter niet in de rede bij het beoordelen van het handelen of nalaten van het leger.1 Als vertrekpunt bij de bespreking van de relevante rechtspraak hierover kunnen de arresten Mustafić en Nuhanović van de Hoge Raad uit 2013 worden genomen.2 Deze arresten gaan over de val van de moslimenclave in Srebrenica in 1995 onder toezicht van een bataljon van Nederlandse militairen genaamd Dutchbat. Na de val zochten vele vluchtelingen bescherming op en rondom de compound van het Nederlandse leger. Korte tijd later werden zij op instructie van het Bosnische-Servische leger, maar met medewerking van Dutchbat, afgevoerd. Daarbij werden de mannen van de andere vluchtelingen gescheiden en later gedood. De nabestaanden van enkele slachtsoffers stelden de Nederlandse Staat hiervoor aansprakelijk. Volgens hen had de Staat onrechtmatig gehandeld, nu Nederlandse militairen hadden toegestaan dat hun familieleden de compound verlieten om door het Bosnische-Servische leger te worden gescheiden, afgevoerd en gedood.
In de procedure voor de Nederlandse rechter spitste de discussie zich toe op de vragen of het optreden van de Nederlandse militairen aan de Staat, in plaats van aan de VN, moest worden toegerekend, of Nederland rechtsmacht uitoefende over de vluchtelingen die zich op de compound bevonden, en of het optreden van de militairen onrechtmatig was. Anders dan de rechtbank, beantwoordde het gerechtshof deze vragen bevestigend. Volgens het hof kon het optreden van het leger ter plaatse aan de Staat worden toegerekend, oefende Nederland vanaf een bepaald moment rechtsmacht uit over de compound, en was het optreden van de militairen onrechtmatig. Het hof achtte daarbij van belang dat het voor de militairen op een bepaald moment duidelijk was of moet zijn geweest dat het verlaten van de compound grote gevolgen had. Volgens het hof was het niet voorkomen daarvan onder meer in strijd met in het IVBPR en EVRM opgenomen grondrechten, meer in het bijzonder met het recht op leven en het verbod op een onmenselijke behandeling.
De Hoge Raad onderschreef het oordeel van het gerechtshof en verwierp het door de Staat daartegen ingestelde cassatieberoep. Voor dit onderzoek is interessant dat hij daarbij ook inging op de door de rechter te hanteren maatstaf. Eén van de cassatiemiddelen hield in dat het hof ten onrechte met kennis achteraf het handelen en nalaten van de militairen had beoordeeld. Volgens de Staat had de rechter ook hier een verdergaande terughoudendheid moeten betrachten. In reactie daarop overwoog de Hoge Raad:
‘Voor zover de onderdelen het hof verwijten de noodzaak van een terughoudende toetsing te hebben miskend, treffen zij evenmin doel, nu voor een dergelijke terughoudende toetsing geen grondslag kan worden gevonden in het ongeschreven internationaal recht, het EVRM dan wel het IVBPR, en overigens ook niet in het nationale Nederlandse recht.
De door de onderdelen bepleite terughoudende toetsing zou meebrengen dat voor de beoordeling door de rechter van de gevolgen van het optreden van een troepenmacht in het kader van een vredesmissie – in dit geval: de aan Dutchbat en daarmee de Staat verweten gedragingen – nagenoeg geen ruimte zou bestaan. Een zo vergaande terughoudendheid is onaanvaardbaar. Dat wordt niet anders doordat de Staat hiervan nadelige gevolgen verwacht voor de uitvoering van vredesoperaties door de Verenigde Naties en meer in het bijzonder voor de bereidheid van lidstaten om troepen voor dergelijke operaties ter beschikking te stellen. Dit behoort immers niet in de weg te staan aan de mogelijkheid van rechterlijke beoordeling achteraf van gedragingen van de desbetreffende troepenmacht. Daarbij dient de rechter inderdaad te verdisconteren dat het hier gaat om onder grote druk in een oorlogssituatie genomen beslissingen, maar dit heeft het hof niet miskend.’3
De Hoge Raad maakte hiermee duidelijk dat, hoewel de rechter er rekening mee moet houden dat militairen vaak onder grote druk moeten opereren en daarom in zoverre een zekere terughoudendheid moet betrachten, er geen principieel beletsel is om zich over het optreden van Nederlandse militairen uit te spreken. Het verdergaand terughoudend toetsen van dit optreden zou volgens de Hoge Raad ook anderszins onaanvaardbaar zijn.
Met dit oordeel volgde de Hoge Raad de conclusie van advocaat-generaal Vlas. Ook Vlas meende dat, hoewel om praktische redenen een zekere terughoudendheid is geboden en de rechter ervoor moet waken om met kennis achteraf de gemaakte keuzes en beslissingen te beoordelen, een inhoudelijk oordeel over het optreden van het leger niet principieel moet worden afgewezen:
‘In het algemeen geldt dat een zekere terughoudendheid op zijn plaats is om […] het handelen of nalaten van (de leiding van) Dutchbat achteraf te toetsen en […] de vraag te beantwoorden of (de leiding van) Dutchbat in redelijkheid tot de beslissingen heeft kunnen komen zoals deze destijds onder de druk van de oorlogsomstandigheden zijn genomen. De rechter kan niet op de stoel van de operationele commandant(en) gaan zitten en hun destijds in de hitte van de strijd gegeven orders achteraf steeds voluit beoordelen, maar dit neemt niet weg dat het wel degelijk tot de taak van de rechter behoort om te beoordelen of de destijds gegeven bevelen hebben geleid tot een schending van […] fundamentele mensenrechten, in het bijzonder het recht op leven en het verbod op onmenselijke behandeling. Wanneer de rechter zich daarover niet zou mogen uitspreken, zou rechteloosheid ons ten deel kunnen vallen.’4
Deze overwegingen springen vooral in het oog in het licht van de eerder in dit hoofdstuk besproken rechtspraak van de Hoge Raad. Zoals beschreven, heeft de Hoge Raad daarin duidelijk gemaakt dat een verdergaande, principiële terughoudendheid wel in de rede ligt bij de beoordeling van achterliggende, politieke beslissingen van de andere staatsmachten die het buitenlands beleid meer in algemene zin vormgeven. De Hoge Raad koppelt het optreden van het leger niet aan dergelijke achterliggende beslissingen. Volgens de Hoge Raad biedt zowel het nationale als het internationale recht geen steun voor een meer principiële, verdergaande terughoudendheid en zou het hanteren van een dergelijke terughoudendheid ook anderszins onaanvaardbaar zijn.
Met dit laatste doelde hij vermoedelijk op de individuele rechtsbescherming van burgers. De strekking van deze benadering komt in zoverre overeen met die van het in de vorige paragraaf besproken Kruisraketten-arrest. Daarin overwoog de Hoge Raad, anders dan de rechtbank en het hof, dat het voor de rechter wel degelijk mogelijk was om zich over de toelaatbaarheid van plaatsing van met kernwapens uitgeruste kruisraketten op Nederlands grondgebied uit te spreken. Ook dit oordeel kwam de rechtsbescherming ten goede.5
In de literatuur en latere rechtspraak is deze door de Hoge Raad geschetste benadering nauwelijks ter sprake gekomen of ter discussie gesteld. Eerst in de recente zaak Mothers of Srebrenica over opnieuw de val van de moslimenclave in Srebrenica is de door de rechter al dan niet te betrachten terughoudendheid opnieuw aan de orde gekomen. In deze zaak moest de rechter zich uitspreken over de aansprakelijkheid van de Staat voor de dood van honderden moslimmannen die na de val van de enclave hun toevlucht hadden gezocht tot de compound van het Nederlandse leger en een nabijgelegen gebied. De vraag was of het leger had mogen toestaan dat de mannen de compound verlieten.
Opvallend is dat de Staat in deze zaak opnieuw pleitte voor terughoudendheid. Onder verwijzing naar de arresten Mustafić en Nuhanović van de Hoge Raad uit 2013 overwoog de Haagse rechtbank in reactie daarop dat er voor een verdergaande terughoudendheid geen grond bestaat. Hoewel de rechter er rekening mee moet houden dat militairen vaak onder grote druk moeten opereren en zich daarom moet beperken tot de vraag of zij in redelijkheid hebben kunnen besluiten en handelen zoals zij hebben gedaan, is er voor de rechter geen principiële reden om zich hierover niet uit te spreken. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de Staat aansprakelijk kon worden gehouden voor de beslissing van de militairen om toe te staan dat de moslimmannen de compound verlieten en om hun evacuatie te begeleiden. Daaraan legde zij ten grondslag dat het voor de militairen duidelijk was dat deze moslimmannen een grote kans liepen om te worden gescheiden en afgevoerd, om later te worden gedood.6
Het gerechtshof onderschreef op hoofdlijnen het oordeel van de rechtbank en achtte de Staat aansprakelijk.7 Net als de rechtbank concludeerde het hof dat de militairen niet zonder meer hadden mogen toestaan dat de mannen in kwestie de compound van het Nederlandse leger verlieten. Tegelijkertijd meende het hof dat daarmee niet was gezegd dat de mannen aan hun lot zouden zijn ontsnapt. Het hof schatte de kans daarop in op dertig procent en beperkte de aansprakelijkheid van de Staat daarom tot dat percentage. In navolging van de rechtbank had het hof voorafgaand aan dit oordeel echter duidelijk gemaakt dat er voor een meer principiële, verdergaande terughoudendheid geen aanleiding bestond:
‘In de onderhavige zaken is een beroep op de onrechtmatige daad uit artikel 6:162 BW aan de orde. De rechter beoordeelt daarom of er sprake is van een inbreuk op een recht, van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht en/of van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (de zorgvuldigheidsnorm). In het kader daarvan toetst de rechter ook of Dutchbat in redelijkheid heeft kunnen besluiten en handelen zoals het heeft gedaan. Een grond voor (verdergaande) terughoudendheid bij voornoemde beoordeling is er niet. […] Iets anders is, dat de rechter alle vaststaande feiten en omstandigheden uit deze zaak bij zijn oordeel in ogenschouw neemt. Bij de beoordeling is dus wel relevant dat Dutchbat opereerde in een oorlogssituatie en onder grote druk beslissingen moest nemen.’8
Dat het hof, in navolging van de rechtbank, niet meeging met het betoog van de Staat voor een verdergaande terughoudendheid, was in het licht van de arresten Mustafić en Nuhanović van de Hoge Raad uit 2013 niet heel verrassend.
Om dezelfde reden is het evenmin verrassend dat de Hoge Raad korte tijd geleden heeft bevestigd dat het gerechtshof in zoverre een juiste maatstaf had aangelegd.9 Samenvattend komt die maatstaf erop neer dat de rechter er rekening mee moet houden dat militairen vaak onder grote druk moeten handelen. De rechter moet zich daarom beperken tot de vraag of militairen in redelijkheid hebben kunnen besluiten en handelen zoals zij hebben gedaan. Deze terughoudendheid is echter praktisch en niet principieel van aard. Zij gaat daarom veel minder ver dan de eerder besproken terughoudendheid die de rechter volgens de Hoge Raad moet betrachten bij de beoordeling van achterliggende, meer politieke beslissingen van de andere staatsmachten waarmee zij het buitenlands beleid meer in algemene zin vormgeven. Of zoals de Hoge Raad het formuleerde:
‘Bij de vraag of Dutchbat onrechtmatig heeft gehandeld, komt het […] erop aan of Dutchbat heeft nagelaten de maatregelen te treffen die, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijs van hem konden worden gevergd […]. Bij die beoordeling moet worden verdisconteerd dat Dutchbat handelde in een oorlogssituatie, dat er operationele keuzes moesten worden gemaakt op basis van prioriteiten en beschikbare middelen en dat menselijk handelen onvoorspelbaar is […].’10
Wel schatte de Hoge Raad de kans dat de moslimmannen aan hun lot zouden zijn ontsnapt kleiner in dan het hof. Volgens de Hoge Raad bedroeg die kans slechts tien procent. Daarom beperkte hij de aansprakelijkheid van de Staat tot dat percentage.11