Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.2
1.2 Beknopte geschiedenis van samenwerking in Nederland
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975768:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wolting 2006, p. 13
Schuyt 2012, p. 13.
Zie hierover o.a. Van Leeuwen 2007, p. 17-18.
Schuyt 2014, p. 96.
Burger & Dekker 2001b, p. 78.
SER 2005, p. 32.
Door deze samenwerking is bijvoorbeeld het basisonderwijs nooit een volledige overheidssector geworden. De leerplanvorming in het basisonderwijs is in handen van vakinhoudelijke organisaties zoals de Vereniging voor Openbaar Onderwijs, de Nederlandse Montessori Vereniging en de Nederlandse Dalton Vereniging; SER 2005, p. 33. Volledige nationalisering van de gezondheidszorg is voorkomen door onder andere de sterke positie van particuliere zorgverzekeraars en geprofessionaliseerde beroepsorganisaties; SER 2005, p. 35.
Raaijmakers 1987, p. 3-4. De geschiedenis en het belang van PPS in Nederland wordt beeldend beschreven door Van den Boor 1991, p. 23-39.
Zie o.a. S.A. Stevens 2011, p. 39 en Jak 2014, p. 22.
De wortels van samenwerking gaan tot ver in onze geschiedenis terug. Reeds in de oudheid werden afspraken gemaakt tussen partijen over de aanleg van aquaducten, wegen en badhuizen.1 In de Middeleeuwen en de Gouden Eeuw namen vooral kerken en de welgestelde burgerij een vooraanstaande positie in voor wat betreft de gezamenlijke hulpverlening aan armen, zieken, zwervers, ouderen, weduwen en wezen.2 Armenzorg (moderne charitas) was eeuwenlang de belangrijkste filantropische activiteit van particulieren en van kerken.3 De rol van de overheid was beperkt. Tijdens de opbouw van de verzorgingsstaat in de twintigste eeuw ging de overheid zich echter meer bemoeien met de financiering van algemene voorzieningen.4 Dit betekende echter niet dat de rol van het particulier initiatief was uitgespeeld. In veel sectoren bleef sprake van een constructieve samenwerking tussen overheid en andere organisaties. Een voorbeeld van een dergelijke langdurige samenwerking kwam tot stand met de invoering van de Woningwet in 1901.5 De overheid kende voorschotten en jaarlijkse bijdragen toe aan particuliere woningcorporaties voor het bouwen van woningen die aan bepaalde kwaliteitseisen voldeden.6 Ook in andere sectoren, zoals het onderwijs en zorg, hebben publieke en private actoren gezamenlijk bijgedragen aan een verdergaande professionalisering.7
Deze lange traditie heeft via de verzuilde groei van de verzorgingsstaat geleid tot ons spreekwoordelijke poldermodel en intensieve publiek-private samenwerking (afgekort: PPS). Het vroegste voorbeeld in onze geschiedenis van PPS kan hoogstwaarschijnlijk worden gevonden bij de oprichting van De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1602. De onderlinge verhouding tussen publiek en privaat uitte zich onder meer in het aandelenbelang dat de stad Amsterdam in de VOC bezat alsmede de intensieve betrokkenheid van de VOC bij de inrichting van de stad.8
Als gevolg van de betrokkenheid die de overheid is blijven houden in financieel opzicht en anderszins qua controle en regulering, wordt ook wel gesproken over een ‘verstatelijking van het maatschappelijk middenveld’.9