Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.5.3
4.5.3 Beperkingen in de informatieverplichtingen
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285609:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 2, par. 1.
Respectievelijk art. 20 en art. 23 Wet op de BB 1893. In het Ontwerp van wet was deze keuzemogelijkheid er nog niet en diende deze toelichting aan de voltallige commissie te worden gegeven (MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 86). Vergelijk: art. 22 en art. 26 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2.
Art. 70 en art. 74 Wet IB 1914 (art. 67 en art. 71 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 2).
In de memorie van toelichting werd hieraan toegevoegd dat over de schending van de geheimhouding door een lid van de commissie van aanslag nog nooit was geklaagd (MvT, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 3, blz. 39 en Handelingen II 1913/14, blz. 2027-2028). Vergelijk: Handelingen II 1913/14, blz. 2066 over de gevolgen van concurrentievervalsing, ondanks de geheimhouding.
Art. 42 OWB 1916.
VV, Kamerstukken I 1915/16, 331, nr. 331, blz. 477. Vergelijk: Handelingen I 1915/16, blz. 466. Zie uitgebreider: Ohmstede 1918, blz. 156 e.v.
MvA, Kamerstukken I 1915/16, 331, nr. 331, blz. 478.
Handelingen I, 1915/16, blz. 473. Daarnaast werd toegezegd dat in de Instructie Oorlogswinstbelasting 1916 uitdrukkelijk zou worden opgenomen dat niet meer inzage zou mogen worden gevraagd dan nodig was en bij verschil van inzicht hierover de fabrikant zich zou kunnen wenden tot de Minister van Financiën met de vraag wat noodzakelijk was (par. 9 Instructie Oorlogswinstbelasting 1916).
Art. 17, tweede lid, Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1915/16, 202, nr. 7. Zie ook: Sinninghe Damsté 1921, blz. 201.
NvW, Kamerstukken II 1916/17, 28, nr. 1, blz. 1.
Handelingen II 1920/21 blz. 1846-1852 en blz. 1855-1856. De bedrijfsvergunning van art. 14 voor tabaksverbouwers werd geschrapt (en daarmee de inzageverplichting van art. 21). Tevens werd verduidelijking aangebracht in de omvang van de administratieverplichting en daarmee de omvang van de inzageverplichting van beide artikelen. Zie voor het terughoudend gebruik van de bevoegdheid: MvT, Kamerstukken II 1915/16, 219, nr. 3, blz. 14, MvA, Kamerstukken II 1917/18, 83, nr. 1, blz. 3 en par. 33 Instructie Tabakswet 1921.
Steinmetz 1934, blz. 103-108. Zie uitgebreider: Verslag, Kamerstukken II 1933/34, 203, nr. 4, blz. 16, NvW, Kamerstukken II 1933/34, 203, nr. 5, Amendement Fleskens c.s., Kamerstukken II 1933/34, 203, nr. 9 en MvA, Kamerstukken I 1933/34, 203, nr. 203, blz. 10 en Karmelk & Tekenbroek 1934 II, blz. 103-104.
De fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR hangt onlosmakelijk samen met de fiscale inlichtingenverplichtingen. Hoe meer informatie aan de fiscus moet worden verstrekt, hoe groter het object van de geheimhouding wordt dat door de inspecteur geheim gehouden moet worden. Het is een open deur, maar gegevens waarover de inspecteur niet beschikt hoeft hij ook niet geheim te houden. De Belastingdienst past het principe ‘selecteer voor je verzamelt en houdt het sober’ toe bij het verwerken van gegevens.1 Zoals in de inleiding van Hoofdstuk 2 al werd opgemerkt constateerde Koning in 1964 over de geheimhoudingsbepalingen in het pre-AWR-tijdperk dat in de recentere bepalingen een steeds strakkere lijn werd getrokken. Hij verklaarde dit door de verdergaande, bijzondere bevoegdheden die – met name na de Tweede Wereldoorlog – aan de Belastingdienst zijn verleend.2 Maar ook uit de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog zijn voorbeelden te noemen waarbij – na een afweging van belangen – de informatieverplichting werd beperkt: door bijvoorbeeld gegevens in beperkte kring bekend te maken zou de geheimhouding beter zijn gewaarborgd. Zo had de belastingplichtige in de Wet op de BB 1893 de keuze om zijn aangifte of zijn bezwaarschrift desgevraagd nader toe te lichten aan de voltallige commissie van aanslag of uitsluitend de voorzitter.3 Hiermee vergelijkbaar is de – destijds vergaande – verplichting in de Wet IB 1914 om desgevraagd inzage in boeken en bescheiden te verlenen.4 Om de geheimhouding beter te verzekeren gold de verplichting uitsluitend tegenover de inspecteur of de voorzitter van de schattingscommissie.5
Een ander voorbeeld is de wrakingsmogelijkheid van ingeschakelde deskundigen om fabrieksgeheimen beter te beschermen. Overeenkomstig de Wet IB 1914 werd in de OWB 1916 bepaald dat desgevraagd inzage diende te worden verleend in boeken en bescheiden.6 Bij de behandeling in de Eerste Kamer werd geconstateerd dat de straf op schending van de geheimhouding (door externe deskundigen) in geen verhouding stond tot de (commerciële) waarde die de kennis van een fabrieksgeheim voor iemand kon hebben.7 Minister Van Gijn gaf aan dat misbruik niet viel te verwachten omdat bij de keuze van deskundigen zeer zorgvuldig te werk zou worden gegaan.8 Wel deed de minister de toezegging dat hij bij het aanhangige voorstel van Wet op de DT 1917 een bepaling zou opnemen om bepaalde deskundigen te kunnen wraken ingeval de vrees zou bestaan dat fabrieksgeheimen in gevaar zouden komen.9 Conform deze toezegging werd in art. 17 Gewijzigd ontwerp van wet op de DT 1917 een wrakingsmogelijkheid opgenomen voor (door de inspecteur aangewezen) externe deskundigen.10 Door de nieuw opgezette interne accountantsdienst met beëdigde ambtenaren – die zich buiten de Belastingdienst niet mochten bezighouden met accountantswerkzaamheden – kwam de wrakingsbepaling er uiteindelijk niet.11
Ook over de inzageverplichting in koopmansboeken en daartoe betrekking hebbende bescheiden van de Tabakswet 1921 is tijdens de parlementaire behandeling uitgebreid gesproken.12 De verplichting werd ingeperkt en toegezegd werd dat van deze inzagebevoegdheid terughoudend gebruik zou worden gemaakt.13 Het object van de geheimhoudingsverplichting werd daarmee ingeperkt. Over de verplichting om inzage te verlenen in boeken en andere bescheiden van art. 10, Wet BDH 1934 werd volgens Steinmetz – vanwege de voorgenomen terugwerkende kracht – een hardnekkige strijd gevoerd; een verzoek om inzage in – voor de inwerkingtreding van de Wet BDH 1934 opgemaakte boeken en bescheiden – kon uiteindelijk worden geweigerd ingeval deze in strijd was met een ‘tegenover derden bestaande in geweten bindende verplichting tot geheimhouding’. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet BDH 1934 was het de eigen verantwoordelijkheid van belastingplichtigen om geheime zaken separaat van de financiële administratie te administreren.14 Er is derhalve sprake van een stelsel van communicerende vaten: gegevens waarover de inspecteur niet beschikt hoeven niet te worden beschermd met een geheimhoudingsbepaling en kunnen evenmin worden gedeeld met andere bestuursorganen.