Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.2.4
14.3.2.4 Inbreng door rechtspersoon
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232946:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 12 – 13 en Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 9, pagina 50.
Vergelijk ook A.C.P. Bobeldijk en A.E. de Leeuw, Het afgezonderd particulier vermogen in de Wet Vpb 1969 en enige andere belastingwetten (deel 1), WFR 2011/6914, paragraaf 3.2.2.
Zie de beschrijving van de “grondvorm van het creëren van een afgezonderd vermogen” in Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 9 – 10.
Zie hiervoor nader paragraaf 14.4.2.3.3.
Bij het voorgaande ben ik ervan uitgegaan dat de inbrenger een natuurlijke persoon is. Het is echter ook denkbaar dat wordt ingebracht door een rechtspersoon en het is de vraag hoe de APV-regeling in dat geval uitwerkt. Toerekening aan de rechtspersoon voor inkomstenbelastingdoeleinden sorteert geen effect en de APV-regeling werkt slechts door in een beperkt aantal bepalingen van de Wet Vpb1 en kan niet leiden tot toerekening van het APV-vermogen aan een rechtspersoon.
In de parlementaire geschiedenis is op een tweetal punten aandacht besteed aan dit vraagstuk. In beide gevallen ziet dit op een besloten vennootschap die vermogen inbrengt in een APV. De staatssecretaris is van mening dat de besloten vennootschap dit dan doet ten gunste van haar aandeelhouder, zodat de inbreng fiscaal gezien moet worden als een verkapte dividenduitkering door de BV aan de aandeelhouder, gevolgd door inbreng door de aandeelhouder in het APV. Het ingebrachte vermogen wordt dan aan de aandeelhouder toegerekend.2 Het is mijns inziens echter niet juist om als uitgangspunt te nemen dat een inbrengende vennootschap ten gunste van haar aandeelhouder handelt. Toegegeven zij dat het goed mogelijk is dat een vennootschap, die slechts één aandeelhouder of een zeer beperkt aantal aandeelhouders heeft, geen ander motief voor de inbreng heeft dan een aandeelhoudersmotief. Dit dient echter per geval beoordeeld te worden en het enkele bestaan van de mogelijkheid dat een vennootschap een aandeelhoudersmotief dient is naar mijn mening geen rechtvaardiging om er van uit te gaan dat een inbrengende vennootschap per definitie ten gunste van haar aandeelhouder handelt. Het is zeer wel mogelijk dat de vennootschap een zakelijk motief heeft voor de inbreng en bijvoorbeeld inbrengt om zekerheid te verstrekken door middel van de ingebrachte vermogensbestanddelen. Mijns inziens kan pas toegekomen worden aan het in aanmerking nemen van een verkapte dividenduitkering aan en inbreng door de aandeelhouder indien een dergelijk zakelijk motief bij de vennootschap ontbreekt.
De aanwezigheid van een zakelijk belang aan de zijde van de vennootschap dient daarbij in elk geval erkend te worden als de vennootschap een zodanig groot aantal aandeelhouders heeft dat niet één of meer van hen voldoende invloed op de vennootschap hebben om haar handelingen te laten verrichten die in hun eigen (aandeelhouders)belang zijn. In dit verband kan gedacht worden aan een beursgenoteerde vennootschap die uit beschermingsmotieven de aandelen in haar 100%-deelneming onderbrengt in een trust of stichting. Deze vennootschap heeft vele aandeelhouders en zal van de meeste van hen niet eens de identiteit kennen. Het is derhalve onmogelijk dat de inbreng plaatsvindt om het belang van de aandeelhouders te dienen. In deze situatie is daarom naar mijn mening geen sprake van een inbreng in de zin van artikel 2.14a lid 3 Wet IB 2001, vanwege het ontbreken van een inbrenger-natuurlijke persoon, en kan geen toerekening voor inkomstenbelasting doeleinden plaatsvinden.3 Dat is mijns inziens overigens ook terecht, aangezien dit geval ver verwijderd is van de situatie waarvoor de APV-regeling geschreven is: een vermogende particulier die belastingheffing probeert te beperken door middel van de inbreng van vermogen in een onbelaste entiteit.4
Afgezien van een vennootschap is het denkbaar dat een andere rechtspersoon, zoals een stichting, inbrengt. Dan zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden of een natuurlijke persoon aangewezen kan worden aan wie de inbreng kan worden toegerekend. Dit zal mijns inziens in elk geval zo zijn indien de inbrengende stichting zelf als APV kwalificeert.5