Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/5.4.4.4
5.4.4.4 Auteursrecht
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD86611:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin Deurvorst 1994, p. 83 die ook afwijkende rechtspraak noemt.
Het Duitse recht kent een dergelijk recht volgens § 97II UrhRG uitdrukkelijk wel.
Zie voor het oude recht Onrechtmatige daad II. A (oud) (Bloembergen) nr. 124 en (grotendeels onder oud recht gewezen) VRS 1997, nr. 859-862 en Rb. Assen 17 november 1992, BR 1993, p. 845 (toekenning ƒ 70.000) Zie voorts Schadevergoeding (Deurvorst) art. 106, aant. 34 en daar vermelde literatuur en jurisprudentie.
De mogelijkheid van een vergoeding van immateriële schade wordt door de Hoge Raad erkend, maar art. 6:106 wordt daarbij niet expliciet genoemd.
HR 16 november 1984, Nj 1985, 270 (Miletic).
De Hoge Raad spreekt van 'met name' hetgeen de mogelijkheid openlaat dat ook buiten gevallen van schending van art. 25 Aw een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat. Mogelijk is daarbij te denken aan art. 6:106 lid 1 onder a, zij het dat daaraan niet snel zal zijn voldaan. Vgl. daarover hiervoor § 4.2.2.
En of - wanneer eenmaal een schending van art. 25 Aw wordt aangenomen - dan ook steeds een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat.
Zie hierover Spoor/Verkade 1993, hfdst. 7.
Overeem 1990, p. 142 zoekt dergelijke omstandigheden in 'intentionele vernieling' daarmee doelend op art. 6:106 lid 1 suba. Los van het feit dat voor toepasselijkheid van die bepaling 'intentionele vernieling' vermoedelijk wat 'mager' is (zie hiervoor § 4.2.2), gaat het hier veeleer om de vraag wanneer sprake is van schending van het persoonlijkheidsrecht van de auteur. Daartoe hoeft het niet te gaan om intentionele vernieling van het werk.
Aldus Spoor/Verkade 1993, nr. 203.
Zoals de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer.
Aldus Quaedvlieg 1992, p. 55.
Waarbij men in zekere zin de 'band tussen maker en werk' dikwijls nog veel sterker is.
Mogelijk speelt hier een rol de behoefte aan sancties ten behoeve van de bescherming van het persoonlijkheidsrecht van de auteur, maar ik vraag mij af of dat niet op andere wijze (verbod) voldoende kan worden gehandhaafd.
Waarbij het dan m.n. gaat om de integriteit van de naam. Zie Quaedvlieg 1992, p. 15.
Voorzover het dan bovendien niet gaat om vermogensschade.
In die gevallen kan evenwel reeds op die grond een recht op vergoeding van immateriële schade worden aangenomen. Zie hiervoor § 5.3.
Inbreuken op het portretrecht van de afgebeelde persoon kunnen, zoals hiervoor in § 5.4.4.2 werd aangegeven, een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b meebrengen wanneer het gaat om een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de geportretteerde.
Inbreuken op het vermogensrechtelijke auteursrecht als zodanig leveren mijns inziens geen grond op voor de vergoeding van immateriële schade.1 De auteurswet kent geen eigen bepaling die daar met zoveel woorden recht op geeft.
Ook wanneer het gaat om schending van het persoonlijkheidsrecht (het 'droit moral') van de maker in de zin van artikel 25 Aw geeft de Auteurswet niet expliciet recht op vergoeding van immateriële schade.2 Onder het oude recht werd niettemin vrij algemeen aangenomen dat bij schending van het persoonlijkheidsrecht van de auteur een recht op vergoeding van immateriële schade bestond.3
Naar huidig recht rijst de vraag of schending van dat persoonlijkheidsrecht een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b meebrengt, zodat er uit dien hoofde een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat. De Hoge Raad lijkt4 uit te gaan van die mogelijkheid, zo blijkt uit de uitspraak inzake kunstenaar Miletic wiens beelden als gevolg van een onrechtmatige ontruiming van zijn atelier verloren zijn gegaan.5 De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade:
'De feiten waarop Miletic zijn vordering tot schadevergoeding heeft gegrond en die voor het Hof aanleiding waren de gemeente voor de onderhavige schade aansprakelijk te achten, komen erop neer dat de ten processe bedoelde werken door onrechtmatige gedragingen aan de zijde van de gemeente verloren zijn gegaan. Mogelijk is dat zodanige gedragingen in de gegeven omstandigheden tevens een grond opleveren voor toekenning van een vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade, met name wanneer die gedragingen tevens een "aantasting" van de kunstwerken opleveren in de zin van art. 25 eerste lid aanhef onder c, Auteurswet, en daarmee van het daarbedoelde persoonlijkheidsrecht van de maker. Daartoe is evenwel het enkele verloren gaan van die kunstwerken door een onrechtmatige daad van de gemeente niet voldoende.'
Aldus erkent de Hoge Raad in beginsel de mogelijkheid van een recht op vergoeding van immateriële schade bij schending van het persoonlijkheidsrecht van de auteur.6 In het midden blijft evenwel wanneer van een zodanige schending kan worden gesproken.7 Deze vraag betreft vooral een vraag van auteursrecht die hier verder buiten beschouwing zal worden gelaten.8 De Hoge Raad overweegt daarover slechts dat het enkele verloren gaan van kunstwerken daartoe onvoldoende is. Wat wél voldoende is, blijft vooralsnog onduidelijk.9
De mogelijkheid van vergoeding van immateriële schade in dergelijke gevallen verdient hier iets meer aandacht. Het persoonlijkheidsrecht van de auteur wordt vrij algemeen gezien als een recht dat bescherming biedt aan de bijzondere band tussen de auteur en zijn werk en vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat de auteur met het scheppen van zijn werk een stuk van zijn persoonlijkheid blootgeeft.10 Daardoor biedt dat persoonlijkheidsrecht niet alleen bescherming tegen inbreuken op commerciële belangen van de auteur, maar ook op andere 'persoonlijkheidsbelangen'.
Het persoonlijkheidsrecht van de auteur verschilt evenwel in zoverre van andere persoonlijkheidsrechten, dat het niet zozeer beschermt wat de persoon direct aangaat,11 maar vooral is gericht op bescherming van de band tussen de maker en zijn werk.12 In dat licht is toch wel opvallend dat hier in de rechtspraak soms betrekkelijk gemakkelijk een recht op vergoeding van immateriële schade wordt aanvaard, terwijl dat bij aantasting van zaken waaraan door de eigenaar een affectieve waarde wordt ontleend en bij 'aantasting' van familieleden resoluut van de hand wordt gewezen.13 Dit 'gemak' laat zich mijns inziens onvoldoende rechtvaardigen door de aard van het auteursrecht.14 Het lijkt mij dan ook juister het recht op vergoeding van immateriële schade bij schendingen van het persoonlijkheidsrecht van de auteur te beperken tot ernstiger gevallen dan in de (lagere) rechtspraak placht te geschieden. Daarbij valt te denken aan gevallen waarin sprake is van schending van de eer en goede naam15 van de maker16 of aan gevallen waarin de schending van het persoonlijkheidsrecht aanleiding geeft tot ernstige psychische scha-de.17