Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.6:6.4.6 Klachtbeding ten aanzien van de koopprijs/onjuistheid van een factuur (type Va en Vb)
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.6
6.4.6 Klachtbeding ten aanzien van de koopprijs/onjuistheid van een factuur (type Va en Vb)
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973570:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565, NJ 2001/410 (Luttikhuis c.s./Ridgefield c.s.).
Zie op dit punt anders Boom 2021.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In contracten en algemene voorwaarden worden klachtbedingen opgenomen ten aanzien van de betaling van de koopprijs en onjuistheden in facturen van de verkoper/dienstverlener. Voor de goede orde: het klachtbeding ex art. 19 en 20 van de algemene bankvoorwaarden, dat ik hiervoor in par. 6.4.4 besprak, valt hier mijns inziens in beginsel niet onder. Het gaat op grond van die bepalingen in de eerste plaats om klachten ten aanzien van de prestatie die de bank voor de klant onder hun overeenkomst moet verrichten: het correct uitvoeren en verwerken van bancaire activiteiten. Dat is iets anders dan het opstellen van een factuur. Voor zover ook dit aspect van de rechtsverhouding tussen bank en klant door art. 19 en 20 van de algemene bankvoorwaarden wordt bestreken, is de beschouwing in deze paragraaf echter ook daarvoor van belang.
Voor dit bedingtype rijst ten eerste de vraag of sprake is van verbintenissen waarop art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW, het beding weggedacht, van toepassing zijn. De Hoge Raad maakt in Luttikhuis/Ridgefield duidelijk dat de wettelijke klachtplichten niet van toepassing zijn op het opstellen en toezenden van een factuur. Dat betreft geen prestatie in de zin van art. 6:89 BW.1 Daarmee kunnen we vaststellen dat art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW niet van toepassing zijn op dit soort gevallen.
Ten tweede volgt uit hoofdstuk 4, meer in het bijzonder par. 4.2 en 4.4, dat art. 6:89 BW zich naar mijn mening uitstrekt tot verbintenissen strekkende tot betaling van een geldsom. Daarmee strekt art. 6:89 BW zich dus uit tot de verplichting tot betaling van de koopprijs.2 Voor de inhoudelijke uiteenzetting op dit punt verwijs ik terug naar met name par. 4.4 hiervoor. Voor wat betreft klachtbedingen met betrekking tot betaling van de koopprijs geldt dus dat, in geval van een vaag geformuleerde klachttermijn in combinatie met rechtsverval als sanctie, aansluiting kan worden gezocht bij het beoordelingskader op grond van art. 6:89 BW met betrekking tot de bepaling van de klachttermijn.
Voor de uitleg van de klachttermijn van een beding dat ziet op de onjuistheid van een factuur geldt het volgende. Ten eerste zal een precies geformuleerde klachttermijn geen uitlegproblemen opleveren. Ten tweede komt niet zonder meer belang toe aan de gezichtspunten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW bij de uitleg van een vage klachttermijn. Die bepalingen zouden immers, het beding weggedacht, niet van toepassing zijn geweest. Voor de vraag aan welke gezichtspunten in dit verband gewicht toekomt, moet naar de sanctie van het klachtbeding worden gekeken. Indien een boete of bewijslastomkering als sanctie is gesteld, dan kan het kader zoals omschreven ten aanzien van de bedingtypen III en IV (zie par. 6.4.5-6.4.6 hiervoor) worden benut. Indien rechtsverval als sanctie is gesteld, ontkomt de rechter er mijns inziens niet aan om, bij gebreke van enig ander aanknopingspunt, te onderzoeken of het tijdstip waarop is geklaagd redelijk is met het oog op mogelijk geleden nadeel aan de zijde van de schuldenaar (in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW). Ook voor de vraag welke gezichtspunten gewicht hebben bij de vraag of deze bedingen op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moet blijven, moet mijns inziens worden gekeken naar de sanctie van het betreffende beding. Ik verwijs in dat kader naar de paragrafen 6.4.2-6.4.5 hiervoor.