Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/9.5
9.5 Het bewerkstelligen van een ander besluit
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS296537:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo: Van den Ingh 2000, p. 210.
Zie in dit verband: hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.3.
Hof Arnhem 26 mei 1992, NJ 1993, 182 m.nt. Maeijer (Uniwest).
Zie over de uitspraak in eerste aanleg: Slagter 1991; Winter 1991, p. 246-248.
R.o. 13.
Dit artikel luidde tot 1 oktober 2012: ‘Art. 216:
- - 1.
Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, komt de winst de aandeelhouders ten goede.
- - 2.
De vennootschap kan aan de aandeelhouders en andere gerechtigden tot de voor uitkering vatbare winst slechts uitkeringen doen voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden.
- - 3.
Uitkering van winst geschiedt na de vaststelling van de jaarrekening waaruit blijkt dat zij geoorloofd is.
- - 4.
De vennootschap mag tussentijds slechts uitkeringen doen, indien de statuten dit toelaten en aan het vereiste van het tweede lid is voldaan.
- - 5.
Bij de berekening van de winstverdeling tellen de aandelen die de vennootschap in haar kapitaal houdt, mede, tenzij bij de statuten anders is bepaald.
- - 6.
Bij de berekening van het winstbedrag, dat op ieder aandeel zal worden uitgekeerd, komt slechts het bedrag van de verplichte stortingen op het nominale bedrag van de aandelen in aanmerking, tenzij bij de statuten anders is bepaald.
- - 7.
De statuten kunnen bepalen dat de vordering van een aandeelhouder niet door verloop van vijf jaren verjaart, doch eerst na een langere termijn vervalt. Een zodanige bepaling is alsdan van overeenkomstige toepassing op de vordering van de houder van een certificaat van een aandeel op de aandeelhouder.
- - 8.
Geen van de aandeelhouders kan geheel worden uitgesloten van het delen in de winst.
- - 9.
De statuten kunnen bepalen dat de winst waartoe houders van aandelen van een bepaalde soort gerechtigd zijn, geheel of gedeeltelijk te hunnen behoeve wordt gereserveerd.’
Maeijer in zijn noot onder het arrest (Hof Arnhem 26 mei 1992, NJ 1993, 182 m.nt. Maeijer (Uniwest); Van Schilfgaarde 1993, p. 30-31. Zie in dit verband ook de opmerking van Slagter, die reeds na de uitspraak van de rechtbank overwoog dat de primaire vordering had moeten worden toegewezen (Slagter 1991, p. 162). Kritisch daarentegen is Eikelboom (Eikelboom 2014-1). Hij wijst erop dat geen besluit tot stand kan komen zonder dat voldaan is aan de constitutieve vereisten om tot een aandeelhoudersbesluit te komen. Daarbij speelt ook een rol dat het stemrecht, middels welk een besluit tot stand komt, niet toekomt aan de vennootschap, maar aan de aandeelhouders. Eikelboom komt dan ook tot de conclusie dat een vonnis niet in de plaats van een besluit kan komen (Eikelboom 2014-1, p. 260).
Ook Slagter wijst op de doelmatigheid van deze aanpak (Slagter 1991, p. 162).
HR 21 mei 1943, NJ 1943, 484 (De Koedoe III). Zie daarnaast ook: Hof ’s-Gravenhage 1 oktober 1983, NJ 1983, 393.
Rb. Leeuwarden 25 augustus 2010, RO 2010, 75.
Anders: Timmerman 1992, p. 160; Timmerman 1995, p. 28.
Evenzo: Winter 1991. Het middel van dwangvertegenwoordiging als vorm van reële executie zal hier verder buiten beschouwing worden gelaten, omdat het mij niet wenselijk lijkt een dwangvertegenwoordiger besluiten te laten nemen. Zie evenzo Eikelboom, die meent dat de aard van de rechtshandeling zich daar tegen verzet (Eikelboom 2014-1, p. 263).
Eikelboom meent dat hier geen sprake is van reële executie, maar van ‘pseudo-reële executie’. Het gaat namelijk niet om een veroordeling tot een doen, maar tot een geven (Eikelboom 2014-1, p. 266).
Wanneer komt vast te staan dat een besluit nietig is, een besluit wordt vernietigd of het nemen van het voorgenomen besluit wordt tegengehouden, heeft de belanghebbende zijn doel dikwijls nog niet bereikt. De belanghebbende wil ook bewerkstelligen dat een ander, voor hem gunstiger, besluit wordt genomen. Neem bijvoorbeeld de situatie waarin een besluit tot volledige winstreservering wordt vernietigd op vordering van de minderheidsaandeelhouder. Deze minderheidsaandeelhouder zal na de vernietiging van het besluit ook willen bewerkstelligen dat een besluit wordt genomen tot het uitkeren van een bepaald dividend. De minderheidsaandeelhouder zal er bovendien niet altijd op vertrouwen dat de meerderheidsaandeelhouder meewerkt aan een dergelijk besluit, ook niet wanneer dit door de rechter wordt opgedragen. De minderheidsaandeelhouder wil hiervoor bovendien bij voorkeur geen aparte procedure starten, maar in dezelfde (reeds aanhangige) procedure een vordering tot het nemen van een besluit tot het uitkeren van een bepaald dividend instellen.
Uitgangspunt is dat wanneer een besluit wordt vernietigd vervolgens wordt aangestuurd op het bijeenroepen van een nieuwe algemene vergadering van aandeelhouders, zodat deze algemene vergadering van aandeelhouders een (nieuw) besluit kan nemen.1 Zoals hierboven gesignaleerd, kan zich de situatie voordoen dat de belanghebbende geen heil ziet in dit proces en wenst dat de rechter (direct) uitsluitsel geeft. Gaat de rechter in deze gedachtegang mee, dan heeft hij twee keuzes. Hij kan zich richten op de individuele aandeelhouder, welke mogelijkheid reeds in hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.2. en 7.4.3., aan de orde is gekomen, of hij kan zich richten op de algemene vergadering van aandeelhouders en, meer in het bijzonder, het door haar te nemen besluit. Hieronder zal nadere aandacht aan deze tweede mogelijkheid worden gegeven.
Eén van de constateringen bij het hanteren van het middel van reële executie ten aanzien van een individuele aandeelhouder is dat zich complicaties kunnen voordoen.2 Een complicatie die zich bijvoorbeeld kan voordoen is dat de aandelen door de veroordeelde aandeelhouder worden overgedragen aan een derde. Om deze en andere complicaties te omzeilen, kan de rechter worden verzocht te bepalen dat de reële executie niet wordt toegepast ten aanzien van de individuele aandeelhouder, maar ten aanzien van de rechtspersoon. Hij kan in een dergelijk geval bijvoorbeeld bepalen dat in het vonnis het besluit wordt opgenomen om een bepaalde winstuitkering te doen. Deze situatie deed zich voor in het Uniwest-arrest.3 Hier was sprake van een drietal uiteindelijk economisch gerechtigden, waarbij één een meerderheid van de aandelen (78%) hield en tevens bestuurder van de vennootschap was. De vennootschap behaalde ieder jaar een mooie winst, maar deze werd volledig toegevoegd aan de reserves in plaats van (ten dele) uitgekeerd aan de aandeelhouders. De minderheidsaandeelhouders zijn het met deze winstreserveringen niet eens en vorderen in een procedure de vernietiging van de winstbesluiten op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid (destijds goede trouw). In eerste aanleg vorderen zij primair dat bij vonnis wordt bepaald dat Uniwest een dividend moet uitkeren en betaalbaar moet stellen.4 Subsidiair vorderen zij dat de meerderheidsaandeelhouder wordt veroordeeld om mee te werken aan een besluit tot uitkering en betaalbaarstelling van het gevraagde dividend. De rechtbank wijst het primair gevorderde af, omdat de algemene vergadering van aandeelhouders volgens de statuten van Uniwest bevoegd is te beslissen over uitkering en betaalbaarstelling van dividend. Als gevolg hiervan is een vordering jegens de vennootschap tot betaalbaarstelling van het dividend niet toewijsbaar. De subsidiaire vordering die zich richt op de meerderheidsaandeelhouder wordt toegewezen.
In hoger beroep richt één van de grieven (in het incidenteel appel) zich tegen de overweging van de rechtbank waarin het primair gevorderde wordt afgewezen. Het Hof oordeelt ten aanzien van deze grief:
‘Grief I in het incidenteel appel is gegrond. Niet valt in te zien waarom niet de rechter na vernietiging van een besluit omtrent de winstbestemming de vennootschap zou kunnen veroordelen tot betaalbaarstelling en mitsdien betaling van het dividend dat naar zijn oordeel behoort te worden uitgekeerd. Immers, ingevolge art. 2:216 BW rust op de vennootschap de verplichting om dividend uit te keren.’5
Het Hof betoogt dus dat het wel mogelijk is de vennootschap te veroordelen het dividend betaalbaar te stellen en baseert deze verplichting op artikel 2:216 BW (oud).6 Over de juridische toelaatbaarheid van het oordeel van de hof bestaat in de literatuur discussie. Maeijer en Van Schilfgaarde juichen het oordeel van het Hof toe.7 Zij wijzen in dit verband onder meer op de proceseconomische voordelen van een dergelijke beslissing.8 Daarmee worden immers de in hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.3. gesignaleerde moeilijkheden omzeild. Slagter en Maeijer verwijzen in dit verband tevens naar een ouder arrest van de Hoge Raad, zijnde De Koedoe III.9 In dit arrest betrof het de nietigheid van een besluit tot vaststelling van de winst. Dit besluit was nietig als gevolg van strijd met de goede trouw. De vraag die zich vervolgens voordeed, was of de algemene vergadering van aandeelhouders een nieuw besluit moest nemen ten aanzien van het vaststellen van de winst. In dit arrest overwoog de Hoge Raad:
‘dat toch de redelijkheid in het algemeen vordert, dat, zoo bij de vaststelling door de vennootschap van de winst ten opzichte van den winstgerechtigde is gehandeld in strijd met de goede trouw, de rechter zal bepalen, in hoeverre de vastgestelde winst te zijnen opzichte verandering behoort te ondergaan;’
Het is dus niet zo dat de algemene vergadering van aandeelhouders de winst opnieuw dient vast te stellen, dit kan de rechter ook zelf doen, aldus de Hoge Raad. Recenter besliste ook de rechtbank Leeuwarden, nadat zij het besluit tot het niet uitkeren van dividend aan de gewone aandeelhouders had vernietigd, dat de vennootschap een dividend van € 28.210,12,- diende uit te keren aan de gewone aandeelhouders.10 Daarbij deed de rechtbank geen uitdrukkelijk beroep op het leerstuk van reële executie.
De vraag is of in die laatste situatie, waarbij de rechtbank de vennootschap de opdracht geeft een bepaald dividend uit te keren, nog wel sprake is van een besluit. Dit lijkt niet het geval te zijn, nu alleen organen van de vennootschap besluiten kunnen nemen.11 Het vonnis komt in dit geval in de plaats van het besluit en vormt daarmee een zelfstandige grondslag voor de rechtshandeling,12 met als doel om het dividend uit te keren. Daarmee wordt in het geval van de Rechtbank Leeuwarden zonder dit expliciet aan te geven gebruik gemaakt van reële executie.13 Dit betekent dat de verplichting tot het uitkeren en betaalbaar stellen niet kan worden aangevochten op grond van artikel 2:14/15 BW.