Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.4.2.2
3.4.2.2 Voordelen van strafbaarstelling voor de vervolging
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715545:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Prakken & Roef 2004, p. 211. Vgl. ook: Bemelmans 2017, p. 125; Dubber 2001, p. 853. Ook in België was de wens de bewijslast te verlichten een belangrijke reden om de voorbereiding van drugscriminaliteit strafbaar te stellen (Verbruggen 2004, p. 160 en 162) en bij de oprichting van de Neurenbergtribunalen werd conspiracy ook vooral gezien als een handige manier om bewijsproblemen te vermijden bij daders bij wie geen concreet misdrijf kon worden aangewezen (Reijntjes 1977, p. 424).
Corstens/Borgers & Kooijmans 2018, p. 32-33; Simester & Von Hirsch 2011, p. 77; Machielse 2008, aant. 3.5.
Vgl. Simester & Von Hirsch 2011, p. 57.
Wolswijk 1998, p. 244; Pompe 1959, p. 101.
De Hullu 1984, p. 83.
Corstens 2018, p. 224.
Bij voorbereiding wordt het strafmaximum op het grondfeit immers met de helft verlaagd (artikel 46 lid 2 Sr), zodat op de voorbereiding van een twaalfjaarsfeit maximaal zes jaar staat en (grond)delicten waar tussen de drie en acht jaar op staat verjaren eigenlijk na maximaal twaalf jaar (artikel 70 lid 1 sub 3 en 4 Sr).
De strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen heeft niet alleen voordelen in de opsporingsfase, maar ook in de vervolgingsfase. Volgens Prakken en Roef is zelfs een van de grootste voordelen van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen de vereenvoudigde bewijslast.1 De strafbaarstelling van abstracte gevaarzettingsdelicten brengt bijvoorbeeld bewijsvoordelen met zich ten opzichte van concrete gevaarzettingsdelicten, omdat niet hoeft te worden vastgesteld dat er daadwerkelijk gevaar voor enig rechtsgoed heeft bestaan.2 De strafbaarstelling van rijden onder invloed differentieert bijvoorbeeld ook niet tussen mensen die bij weinig alcohol reeds gevaarlijk rijgedrag vertonen en mensen die dan nog prima rijden.3 Dat berust voor een belangrijk deel op begrijpelijke praktische overwegingen: het is voor het OM niet te doen om per automobilist te bewijzen hoeveel alcohol hij of zij op kan hebben zonder gevaarlijk rijgedrag te vertonen.4 Diezelfde bewijsvoordelen kleven aan de keuze voor abstracte gevaarzettingsdelicten.
Deze bewijsvoordelen komen vooral neer op ruimer geformuleerde strafbepalingen en dus een uitbreiding van strafbaarheid. Met name bij strafbare feiten waarbij de gedraging bestaat uit het bezit van bepaalde voorwerpen is dat goed zichtbaar. Hoewel De Hullu bijvoorbeeld de strafbaarstelling van het bezit van pornografie afwees, omdat bezit te indirect zou zijn gerelateerd aan de te bestrijden misstanden bij de productie van pornografie, rijst vanuit functionalistisch oogpunt de vraag of een dergelijke strafbaarstelling – de vermoedelijk eigenlijk moralistische grondslag daargelaten – niet reeds kan worden gerechtvaardigd doordat het simpelweg eenvoudiger is om bezit van het eindproduct strafbaar te stellen en zo (indirect) ook de productie te raken.5 Het bezit van het eindproduct zal doorgaans immers een stuk eenvoudiger te bewijzen zijn dan het bestaan van de genoemde misstanden bij de productie. Vergelijkbare redeneringen zijn denkbaar voor veel andere bezitshandelingen, zoals bij de handel in en het bezit van (soft)drugs en het voorhanden hebben van – kort gezegd – een geldpers en het in omloop brengen van vals geld (artikel 214 Sr).
Als gevolg van artikel 78 Sr en artikel 129 Sv wordt bovendien bij veel procesrechtelijke bepalingen de strafverminderende werking van voorbereiding en poging genegeerd. Denk bijvoorbeeld aan de verjaringsregeling in artikel 70 Sr, waarbij slechts naar het strafmaximum op het voltooide delict wordt gekeken.6 Dat betekent bijvoorbeeld dat de voorbereiding van een misdrijf waarop twaalf jaar of meer is gesteld nooit verjaart, terwijl dit delict op basis van het de facto strafmaximum voor voorbereiding eigenlijk na twaalf jaar zou moeten verjaren.7 Omdat voorbereiding bovendien vaak een voortdurend delict is, dat niet ophoudt zolang de dader nog een voorbereidingsmiddel voorhanden heeft met de intentie daarmee een bepaald misdrijf te gaan plegen, verjaart voorbereiding bovendien toch al pas zeer laat. Bovendien kunnen sommige strafbare feiten – zoals vuurwapenbezit – onder omstandigheden tevens worden gekwalificeerd als voorbereidingshandeling, zodat vervolging voor voorbereiding van een misdrijf met een hoger strafmaximum wellicht nog mogelijk is, zelfs als het zelfstandige strafbare feit zelfs al is verjaard. Ook dat is voordelig voor de vervolging.