Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.4.1
3.4.1 Formele en materiële wederrechtelijkheid
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715485:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rutgers 1992, p. 60. Aldus ook de wetgever: “De algemene strafbaarstelling van de voorbereidingsdaad is alleen maar te rechtvaardigen vanuit het motief, dat de overheid effectief moet kunnen ingrijpen als door mensen onmiskenbaar gewerkt wordt in de richting van zeer ernstige misdrijven.” (Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 4, cursivering door de wetgever zelf).
Kritisch hierover: Van Kempen 2022, p. 790; De Hullu 2021, p. 25-27; Simester & Von Hirsch 2011, p. 19-20.
Berman 2012, p. 6. Merk overigens op dat dit een normatief standpunt is. De nadelen van strafbaarstelling komen overigens aan bod bij het ultimum remedium-beginsel (zie §5.4).
Daarnaast worden ook praktische neveneffecten aangehaald, zoals het vereenvoudigen van de mogelijkheid van civiel verhaal door het slachtoffer (Jareborg 2005, p. 530).
Dat is een interpretatie van de strafuitsluitingsgrond van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid die correspondeert met de ruime opvatting die De Waard onderscheidt (De Waard 1976, p. 343).
De Hullu 2021, p. 25-27; Verbruggen 2004, p. 207; Prakken & Roef 2004, p. 211; Strijards 1995, p. 7. Dat staat uiteraard wel op gespannen voet met het idee van het primaat van het materiële strafrecht, dat – kort gezegd – inhoudt dat strafrechtelijke normen steeds op zichzelf moeten worden gerechtvaardigd en dat het strafprocesrecht slechts een middel is om die normen te handhaven (Verbruggen 2004, p. 207).
Zie ook: §4.4.
Bij vagere vormen van schade wordt het ook lastiger om wetgeving te laten voldoen aan het lex certa-beginsel (daarover hoofdstuk 5).
De Roos 1987, p. 44-45. De Roos noemt als voorbeeld het verspreiden van racistische propaganda die (nog) niet oproept tot agressie, maar wel gevoelens van onveiligheid oproept.
De Roos 1987, p. 44-45. Vgl. ook: Burkens 1989, p. 70. Anders dan De Roos lijkt het onderscheid tussen materiële en immateriële schade mij minder relevant voor de strafwaardigheid van het gedrag. Voor zover dat onderscheid slaat op de mogelijkheid de schade te herstellen, lijkt immateriële (onherstelbare) schade juist strafwaardiger dan materiële (herstelbare) schade. Voor zover het slaat op de mogelijkheid de schade op geld te waarderen, lijkt immateriële schade eerder praktische dan principiële problemen op te werpen.
Corstens 1984, p. 15. Vgl. ook: De Roos 1987, p. 45. Paradoxaal genoeg lijkt tegelijkertijd bij deze typen schade ook de inzet van het privaatrecht geschikt, terwijl het strafrecht onder meer door haar opsporingsbevoegdheden juist beter in staat is om ook schade die meer gespreid is over meerdere individuen aan te pakken. Vgl. Corstens 1984, p. 52.
Vermunt 1984b, p. 93; Langemeijer 1970, p. 19. Vgl. ook: Smidt 1891b, p. 294.
Packer 1969, p. 262-263; Peters 1966, p. 172. Vgl. ook: Yoon 2001, p. 18.
Burgers wijst verder bijvoorbeeld op de ondermijning van het rechtsstaatbegrip als gevolg van het vervagen van het op de menselijke intuïtie aansluitende onderscheid tussen ernstige misdrijven en minder ernstige overtredingen (Burkens 1989, p. 69-70).
Peters 1966, p. 172.
Langemeijer 1970, p. 17-18.
Binnen de functionalistische benadering is ook meer ruimte voor het inzicht dat de bureaucratie op dat positieve recht wellicht meer invloed heeft dan de samenleving (zie: Hulsman 1972, p. 87. Vgl. ook: Devlin 1965, p. 96-97).
Rutgers 1992, p. 321-322.
De liberale en communitaristische wederrechtelijkheidsbegrippen hebben met elkaar gemeen dat ze een normatief oordeel vellen over de gedraging. De wens om voorfasedelicten strafbaar te stellen, hoeft echter niet per se te worden gebaseerd op een normatief oordeel over de strafwaardigheid van de gedraging, maar kan ook worden gebaseerd op de praktische wens om bepaalde criminaliteit doelmatiger te bestrijden.1 In de functionalistische benadering draait het dan ook om de empirische vraag welke gevolgen de strafbaarstelling zou veroorzaken, los van de normatieve vraag of het verboden gedrag moreel verwerpelijk is.2 De in de kern consequentalistische redenering is dan dat de strafbaarstelling van gedrag is gerechtvaardigd als deze per saldo voordelige effecten veroorzaakt.3 Het gaat er in het bijzonder om of de strafbaarstelling een effectieve bijdrage kan leveren aan de opsporing, vervolging en preventie van criminaliteit.4 Als de rechter achteraf moet toetsen of concreet gedrag wederrechtelijk is, moet hij daarom een objectieve kosten-batenanalyse maken en de proportionaliteit tussen het gebruikte middel en de nastrevenswaardigheid van het doel beoordelen.5 Daarbij kunnen ook procedurele overwegingen, zoals de inzetbaarheid van strafvorderlijke bevoegdheden, een rol spelen.6 De beschikbaarheid van bepaalde opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen vormt immers één van de kenmerkende verschillen tussen het strafrecht en de overige rechtsgebieden.7
Tot op zekere hoogte is hier overigens sprake van een cirkelredenering, omdat de vraag blijft wat vanuit functionalistisch oogpunt nu eigenlijk ‘criminaliteit’ is. Dat heeft te maken met het in §1.4.3 gemaakte onderscheid tussen de positieve en negatieve invullingen van het functionalisme. Binnen de negatieve invulling van het functionalisme is het eigenlijk niet mogelijk om vast te stellen welk gedrag (in positieve zin) wederrechtelijk is. Hooguit kan in reactie op een voorstel om bepaald gedrag als wederrechtelijk te bestempelen als tegenargument worden aangevoerd dat de bestrijding van dat gedrag middels het strafrecht niet doelmatig is. Net als in een liberaal strafrecht, bestaat binnen een functionalistisch strafrecht in meer algemene zin wel een voorkeur voor een scherp afgebakend schadebegrip.8 Een breed schadebegrip, dat bijvoorbeeld ook omvat wat mensen voelen en denken, is weinig concreet en levert daarom veel praktische problemen op.9 Voor de opsporing en handhaving is het handiger als het strafrecht zich vooral richt op enkelvoudige, geconcentreerde, fysieke, materiële en directe schade, nu deze typen schade eenvoudiger zijn vast te stellen.10 In het verlengde daarvan is het ook handig als er een aanwijsbaar, individueel slachtoffer is, dat aangifte doet, kan controleren of er daadwerkelijk wordt vervolgd en zo nodig kan klagen over niet-vervolging.11 Op die manier vindt direct al een zekere eerste prioritering plaats, zodat het strafrecht zich niet bezig hoeft te houden met strafbare feiten waar niemand last van ondervindt. De typologie van schade, die hiervoor in §3.2.2.1 is uiteengezet, zegt daarmee misschien zelfs wel meer over de (praktische) juridiseerbaarheid van de schade dan over de (principiële) strafwaardigheid daarvan.
Het voorgaande zegt echter nog altijd maar weinig over de vraag welke schade nu strafwaardig is. Daarop kan het functionalisme maar zeer beperkt antwoord geven. Voor zover dat al mogelijk is, sluit dat antwoord vooral aan op de communitaristische benadering. Het strafrecht moet, om haar praktische nut niet te verliezen, in grote lijnen aansluiten op de geldende normen en waarden in een samenleving.12 Het strafrecht werkt nu eenmaal effectiever en efficiënter als burgers, politie, OM en rechters achter de regels staan die zij moeten volgen en handhaven.13 Het algemene uitgangspunt dat eenieder wordt geacht de wet te kennen, is bijvoorbeeld ook veel beter vol te houden als de meeste mensen inderdaad instinctief wel aanvoelen of gedrag strafbaar is of niet.14 En er is ook veel minder uitgebreid politietoezicht nodig om een verbod te handhaven als dat verbod door de samenleving wordt geïnternaliseerd en opgevolgd.15 Het strafrecht kan in ieder geval niet effectief zijn doelen bereiken als het als dermate tiranniek wordt ervaren dat men zich er met geweld tegen gaat verzetten.16 In zoverre is het dus ook vanuit functionalistisch oogpunt van belang dat het strafrecht aansluiting zoekt bij de heersende opvattingen in de samenleving.
In het kader van voorfasedelicten is de voorgaande problematiek echter minder relevant dan op het eerste gezicht wellicht lijkt, omdat voor de strafwaardigheid van grondfeiten aansluiting bij het positieve recht kan worden gezocht.17 Kijken we naar voorfasedelicten zelf, dan zien we dat de (felle) kritiek die daarop vanuit de rechtsgeleerdheid is geleverd niet wordt weerspiegeld in het maatschappelijke debat. Dat roept de vraag op of de strafbaarstelling van voorbereiding wel echt op gespannen voet staat met de in de samenleving geldende normen. Dat de wetgever met de strafbaarstelling van voorfasedelicten vooruitloopt op potentieel toekomstig gevaar, is vanuit het functionalistische, meer deterministische mensbeeld ook niet principieel problematisch.18 De vraag waar het in het vervolg van deze paragraaf om gaat is dan ook vooral in hoeverre de strafbaarstelling van voorfasedelicten voordelige effecten heeft op de opsporing (§3.4.2.1), vervolging (§3.4.2.2) en preventie (§3.4.2.3) van bestaande delicten, aangenomen dat die bestaande delicten zelf (materieel) wederrechtelijk zijn.