Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.7.7
6.7.7 Het opnieuw ontspringen van een 403-vordering
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648998:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader Rb. ’s-Gravenhage 5 juli 2006, JOR 2007/53.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, NJ 2002/447, r.o. 3.4.3. Bij dit citaat merk ik op dat ‘rechtstreeks’ niet moet worden verward met ‘direct’.
Verdaas 2008, p. 304.
Verdaas 2008, p. 306.
Biemans 2011, par 5.8.2.1.
Verderop stelt Biemans nog het volgende: “De 403-vordering ontstaat omdat de moedermaatschappij zich aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen van de schuldeiser voortvloeiende schulden. De 403-vordering ontstaat slechts op het moment dat de vordering van de schuldeiser jegens de dochtermaatschappij ontstaat, niet op een later moment.” Zie Biemans 2011, par 5.8.2.1. Ook hier volg ik de visie van Biemans op de werking van de 403-verklaring niet. Het is goed mogelijk dat de 403-verklaring op een later moment wordt afgegeven dan het moment waarop de vordering op een dochtervennootschap is ontstaan. Gezien de ruime temporele reikwijdte, ontstaat er wel degelijk op een tijdstip (dat later ligt dan het moment waarop de hoofdvordering ontstaat) een 403-vordering.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, NJ 2015/361.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, NJ 2002, 447.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, NJ 2015/361.
De zelfstandigheid heeft in samenloop met de mogelijkheid van cessie vele nadelige gevolgen. In hoofdlijn zijn de nadelige gevolgen terug te voeren op de volgende consequenties:
De 403-vordering is zelfstandig overdraagbaar en kan in de handen van een partij terechtkomen niet zijnde de rechthebbende van de vordering;
De cessionaris van de hoofdvordering verkrijgt niet automatisch de 403-vordering die ter zekerheid van de nakoming van de hoofdvordering strekt.
Ten aanzien van dit laatste nadeel kunnen nog een aantal opmerkingen worden gemaakt. De cessionaris die de hoofdvordering krijgt gecedeerd, verkrijgt niet de 403-vordering tenzij deze ook aan hem wordt gecedeerd. Dat levert de cessionaris verschillende risico’s op. De cedent die de 403-vordering behoudt, kan die incasseren en daardoor gaat de hoofdvordering die de cessionaris verkreeg, teniet. De cessionaris kan daar natuurlijk verschillende verweren tegen voeren, maar hij komt wel in een zeer vervelende situatie terecht. Een ander punt is dat de cessionaris een hoofdvordering verkrijgt die in beginsel niet is gezekerd met een 403-vordering. Blijkt dat de vrijgestelde rechtspersoon geen verhaal biedt, dan heeft de cessionaris een waardeloze vordering. Echter, bij dit laatste risico kunnen kanttekeningen worden gemaakt. De vraag is of een cessionaris, die de hoofdvordering heeft verkregen, niet zelfstandig een beroep op de 403-verklaring kan doen, als deze in de tussentijd nog niet is ingetrokken en de overblijvende aansprakelijkheid nog niet is beëindigd.1 Artikel 2:403 lid 1 sub f BW bepaalt:
“de onder c bedoelde rechtspersoon of vennootschap [de moedervennootschap] schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon [de dochtervennootschap] voortvloeiende schulden;”
Hieruit vloeit voort dat de moedervennootschap zich hoofdelijk aansprakelijk heeft verklaard voor de schulden van de vrijgestelde rechtspersoon. De Hoge Raad is duidelijk over de kwalificatie van de 403-verklaring:2
“De hier bedoelde verklaring die de moedermaatschappij heeft afgelegd, is een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ontstaat.”
Aangezien het een uitgemaakte zaak is dat een 403-verklaring wordt gekwalificeerd als een eenzijdige ongerichte rechtshandeling, richt deze 403-verklaring zich niet of niet alleen tot de oorspronkelijke schuldeiser van de hoofdvordering. Op deze 403-verklaring, die ongericht is, kan evenzeer een beroep worden gedaan door de cessionaris die de hoofdvordering heeft verkregen. In gelijke zin Verdaas, die stelt:
“In het algemeen zal een 403-verklaring een eenzijdige rechtshandeling zijn. Uit deze rechtshandeling kan een vordering van elke crediteur van de dochtervennootschap op de moedervennootschap ontstaan, mits de vordering van de crediteur op de dochtervennootschap ontstaan is uit een rechtshandeling met de dochtervennootschap.”3
(...)
“Opmerking verdient dat de cessionaris van de vordering op de dochtervennootschap ook een beroep op de 403-verklaring zou kunnen doen als hij niet, door overgang daarvan als afhankelijk recht of door overdracht, rechthebbende van de vordering van de cedent uit de 403-verklaring zou zijn geworden. (...) De cessionaris heeft, als schuldeiser van de dochtervennootschap, een eigen vordering uit hoofde van de 403-verklaring. Zo een ‘eigen vordering’ heeft de cessionaris vanzelfsprekend niet als de aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor schulden uit reeds verrichte rechtshandelingen vóór de cessie is geëindigd.”4
De opvatting dat iedere crediteur van de vrijgestelde rechtspersoon de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven tot nakoming aan kan spreken, wordt niet door iedereen gedeeld. Zo schrijft Biemans:5
“Uit het arrest volgt dat ook de 403-verklaring zelf – als de ontstaansgrond voor de hoofdelijke aansprakelijkheid – niet als een nevenrecht met de vordering jegens de dochtermaatschappij overgaat. Bij de nieuwe schuldeiser ontstaat na de overgang van de vordering jegens de dochtermaatschappij geen 403-vordering uit hoofde van de 403-verklaring.”
Deze redenering van Biemans volg ik niet.6 De verklaring, die eenzijdig en ongericht is, behoeft en kan naar mijn idee in deze situatie niet ‘overgaan’. De Hoge Raad is hier overigens ook niet op ingegaan.
De vrees die ten grondslag ligt aan de gedachte dat per hoofdvordering maar één 403-vordering kan ontstaan, is begrijpelijk. Het opnieuw ontspringen van vorderingsrechten uit een 403-verklaring ten aanzien van dezelfde hoofdvordering, zou een ‘wildgroei’ van vorderingsrechten opleveren. Daar valt wel een gedachte tegenin te brengen. Uiteindelijk hoeft de vordering maar een keer voldaan te worden, ongeacht het aantal vorderingsrechten. De schuldeisers zijn met elkaar verbonden op basis van de regels van hoofdelijkheid en dienen zich jegens elkaar redelijk en billijk te gedragen. Het incasseren van een vergeten of achtergehouden vordering, is daar mee in strijd.
In lijn met de SNS-beschikking7 kan nog worden aangevoerd dat de cedent, die geen schuldeiser meer is, zijn aanspraak op basis van de 403-verklaring verliest. Hij kan geen beroep meer doen op de verklaring aangezien de daarin vervatte tekst waarop hij zich moet baseren daarvoor geen aanleiding (meer) geeft want de cedent is geen schuldeiser meer. Daarmee valt de cedent niet meer onder de reikwijdte van de 403-vordering. Dit lijkt verbintenisrechtelijk verdedigbaar, ware het niet dat ook hier de hoofdelijkheid roet in het eten gooit. De hoofdelijkheid leidt ertoe dat direct een vorderingsrecht van de cedent op de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd is ontstaan. En als dat vorderingsrecht eenmaal in het vermogen van de cedent zit, moet er een geldige rechtsgrond zijn om dat vorderingsrecht daar weer uit te krijgen, door tenietgaan of overgang.
De conclusie die kan worden getrokken is dat het standpunt dat het bestaan van meerdere zelfstandige vorderingsrechten ongewenst is. De nadelige gevolgen daarvan manifesteren zich onder andere bij cessie. Uit de Akzo Nobel/ING-beschikking8 en de SNS-beschikking9 blijkt dat zelfs de Hoge Raad worstelt met de zelfstandigheid van de 403-vordering.