Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/1.6
1.6 Opbouw van het betoog en plan van behandeling
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950326:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze vragen § 1.3.
Gelet op de blik op het Duitse recht ligt een Duitstalige samenvatting misschien meer voor de hand, maar ik denk dat een Engelstalige samenvatting als toegankelijker wordt ervaren in niet-Duitstalige rechtsstelsels en in Duitstalige rechtsstelsels ook kan worden begrepen.
Zie bijv. § 7.2.1 over de uitoefening van een opschortingsrecht en het voeren van een opschortingsverweer en § 7.2.2 en § 7.5 over de verdeling van stelplicht en bewijslast.
Zie bijv. § 5.2, waarin stelplicht en bewijslast mede van invloed zijn op de informatieplicht van de schuldenaar die zijn algemene opschortingsrecht uitoefent.
In dit onderzoek beoog ik een antwoord te geven op de vraag wanneer de schuldenaar een opschortingsrecht als bedoeld in artikel 6:52 BW heeft en wanneer hij dit recht al dan niet mag uitoefenen. Ter beantwoording van deze centrale vraag heb ik een aantal deelvragen geformuleerd.1 Deze deelvragen beantwoord ik in de hoofdstukken 2 tot en met 6. In hoofdstuk 7 ga ik in op processuele aspecten van het algemene opschortingsrecht. Elk van deze hoofdstukken rond ik af met een samenvatting en tussenconclusie. Die samenvattingen en tussenconclusies dienen tot uitgangspunt voor de conclusies in hoofdstuk 8. Aansluitend op hoofdstuk 8 volgt een samenvatting in de Nederlandse en Engelse taal.2
Hoofdstuk 2 gaat over de eerste deelvraag welke plaats het algemene opschortingsrecht in het BW inneemt. Deze plaatsbepaling draagt bij aan het begrip van de onderwerpen die in de daaropvolgende hoofdstukken aan de orde komen. Voor deze plaatsbepaling ga ik in op de historie van het algemene opschortingsrecht en de wettelijke systematiek van opschortingsrechten. Tevens behandel ik de vraag wat de grondslag van het algemene opschortingsrecht is. Ook komt aan de orde wat de aard, het karakter, het doel en de functies van dit recht zijn. Voorts werk ik uit dat het algemene opschortingsrecht van aanvullend recht is. Vervolgens bespreek ik de rechtsgevolgen van het gegrond of ongegrond inroepen van dit opschortingsrecht. Aan het slot van het tweede hoofdstuk komt het eindigen van een op artikel 6:52 BW gegrond opschortingsrecht aan de orde.
In hoofdstuk 3 beantwoord ik de tweede deelvraag wat de vereisten van het algemene opschortingsrecht zijn en wanneer aan elk van deze vereisten is voldaan. In dit hoofdstuk bespreek ik de afzonderlijke vereisten van het algemene opschortingsrecht. Eén van deze vereisten, tevens het centrale vereiste, is het samenhangcriterium. Bij de bespreking daarvan wordt het binnen dit samenhangcriterium doorgaans gemaakte onderscheid tussen een vereiste van ‘voldoende samenhang’ en een vereiste ‘om deze opschorting te rechtvaardigen’ bestreden. Voor de beoordeling van dit samenhangcriterium formuleer ik in dit hoofdstuk een andere maatstaf.
In hoofdstuk 4 komen de bij de tweede deelvraag geformuleerde subvragen aan de orde. Ik onderzoek daarin onder welke omstandigheden aan het samenhangcriterium is of kan zijn voldaan. In het kader van de beantwoording van die vraag onderzoek ik in dit hoofdstuk tevens wat ‘dezelfde rechtsverhouding’ en ‘zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan’ als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW inhouden en formuleer ik een beoordelingsmaatstaf voor elk van deze omstandigheden. Tevens ga ik in op de vragen wanneer van die in artikel 6:52 lid 2 BW bedoelde omstandigheden sprake is en in hoeverre aan het samenhangcriterium is of kan zijn voldaan als deze omstandigheden zich voordoen. Tevens behandel ik onder verwijzing naar met name rechtspraak de vraag onder welke andere omstandigheden kan worden aangenomen dat wel of niet aan het samenhangcriterium is voldaan. Aan het slot van dit hoofdstuk onderscheid ik een aantal gevaltypen bij het samenhangcriterium.
Gegeven dat aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan, is de schuldenaar op grond van artikel 6:52 BW bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat zijn wederpartij zijn vordering heeft voldaan. De derde deelvraag die ik onderzoek, is hoe de schuldenaar deze bevoegdheid uitoefent. Ik denk dat de schuldenaar de uitoefening van het algemene opschortingsrecht steeds zal moeten meedelen om de rechtsgevolgen daarvan te doen intreden. Dit werk ik nader uit in hoofdstuk 5, waarbij ik ook inga op de wijze waarop deze opschortingsmededeling dient te worden gedaan, wat de schuldenaar moet mededelen en wat het rechtsgevolg is van het schenden van deze mededelingsplicht.
In hoofdstuk 6 ga ik in op de vierde deelvraag wanneer de schuldenaar zijn aan artikel 6:52 BW ontleende opschortingsbevoegdheid niet mag uitoefenen. Daarbij ga ik in op de evenredigheid en doelmatigheid van de uitoefening van die bevoegdheid. Tevens beantwoord ik de vraag onder welke omstandigheden kan worden aangenomen dat de uitoefening of verdere uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of kan zijn.
Als reeds opgemerkt, komen in hoofdstuk 7 processuele aspecten van het algemene opschortingsrecht aan de orde. De schuldenaar kan in een gerechtelijke procedure bij wijze van verweer een beroep doen op zijn opschortingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:52 BW. In dit hoofdstuk ga ik in op de vraag wanneer het algemene opschortingsrecht binnen rechte dient te worden ingeroepen, in hoeverre daarbij een eis dient te worden ingesteld en op welk van de partijen de stelplicht en bewijslast rust. Voorts ga ik in op de vraag wat de rechterlijke beoordeling van een opschortingsverweer behelst. Hoe dient hij bij zijn beoordeling te werk te gaan? Hoe luidt zijn beslissing in een geval waarin hij een opschortingsverweer heeft beoordeeld en hoe zou die beslissing ook kunnen luiden? En in hoeverre heeft zijn beslissing bindende kracht als bedoeld in artikel 236 lid 1 Rv? Deze vragen vallen strikt genomen niet binnen het bereik van de centrale vraag, omdat in een voorkomend geval de opschortingsbevoegdheid of -onbevoegdheid niet is gegrond op het procesrecht of ontleend aan de beslissing van de rechter, maar aan het antwoord op de vraag of is komen vast te staan dat aan de vereisten van artikel 6:52 lid 1 BW is voldaan, hetgeen de rechter dan heeft beoordeeld. In vergelijkbare zin geldt dit ook voor de uitoefening van die opschortingsbevoegdheid. Dat de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid in een voorkomend geval niet mag uitoefenen is de uitkomst van de beoordeling van de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich op het hem toekomende algemene opschortingsrecht beroept. Niettemin geven mijn onderzoeksbevindingen – en interesse – mij wel aanleiding naar op deze aspecten in te gaan. Mijns inziens is het ook passend om in dit proefschrift daarop in te gaan, omdat de beantwoording van de centrale vraag, die materieelrechtelijk van aard is, van invloed kan zijn op processuele aspecten van het algemene opschortingsrecht.3 Tevens kunnen processuele aspecten de beantwoording van de centrale vraag beïnvloeden.4
Hoofdstuk 8 bevat, als gezegd, mijn conclusies. In dat hoofdstuk beantwoord ik de centrale vraag. In de laatste paragraaf van dat hoofdstuk kom ik terug op het in § 1.1 gegeven voorbeeld over de gestolen auto van Ritger. Ik bespreek dat voorbeeld en geef mijn visie op de vraag of de autofabrikant mijns inziens opschortingsbevoegd is en of hij die bevoegdheid mag uitoefenen.