Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.2.2
14.3.2.2 Is afzondering een vervreemding?
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232908:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van artikel 2.14a lid 1 Wet IB 2001, zie hierover verder paragraaf 14.3.3. Vermogen wordt niet toegerekend als het APV, kort gezegd, een onderneming drijft waarvan de winst onderworpen is aan belastingheffing (artikel 2.14a lid 7 Wet IB 2001, zie nader paragraaf 14.3.4).
Een vergelijkbare redenering geldt uiteraard voor box 1-vermogen waarbij een eventuele vermogenswinst belast wordt, zoals ter beschikking gesteld vermogen.
Zie paragraaf 14.3.9.
O.a. HR 10 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0698, BNB 1960/123.
Zie nader paragraaf 13.4.1.2.2.
Vergelijk tevens Hoogwout, die van mening is dat de toerekeningsfictie van artikel 2.14a Wet IB 2001 de inbrenger in fiscale zin in een positie brengt die vergelijkbaar is met die van economisch eigenaar, omdat de inbrenger geacht wordt niet te verarmen. Dat impliceert dat de inbreng niet leidt tot een vervreemding (T.C. Hoogwout, Toerekening of fiscale transparantie van het Afgezonderd Particulier Vermogen?, FTV 2012/10, paragraaf 2.3).
Zie o.a. HR 28 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4069, BNB 1990/147.
Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 11. Zie voorts Kamerstukken I vergaderjaar 2009/10, 31 930, nr. D, pagina 20. Voor de schenkbelasting is expliciet geregeld dat geen sprake is van een heffingsmoment, maar een vergelijkbare regeling in de Wet IB 2001 ontbreekt.
Civielrechtelijk houdt de afzondering van vermogen een vervreemding in, al dan niet om baat. Indien het vermogen betreft waarbij een vervreemdingswinst belast is, zoals aanmerkelijkbelangaandelen, rijst de vraag of deze vervreemding voor inkomstenbelastingdoeleinden in aanmerking genomen kan worden. Weliswaar worden, om bij het aanmerkelijk belang te blijven, de aandelen na de afzondering toegerekend aan de inbrenger en wordt hij in principe geacht voor inkomstenbelastingdoeleinden rechthebbende tot deze aandelen te zijn,1 maar in hoeverre doet dit af aan de vervreemding die daarvoor heeft plaatsgevonden en de eventuele fiscale gevolgen daarvan?
Er kan derhalve gezegd worden dat in civielrechtelijke zin sprake is van een vervreemding, welke, om bij de aandelen te blijven,2 onder artikel 4.12 sub b Wet IB 2001 valt. De consequentie van deze redenering is dat de inbreng in beginsel tot afrekening van de eventuele aanmerkelijkbelangclaim leidt. Hiertegen zijn echter een aantal argumenten aan te voeren:
Het APV is fiscaal transparant. In dat geval is de inbreng civielrechtelijk weliswaar een vervreemding, maar wordt deze vervreemding voor inkomstenbelastingdoeleinden genegeerd. Overigens ben ik van mening dat geen sprake is van transparantie,3 maar daarentegen van toerekening, maar indien men transparantie tot uitgangspunt neemt, kan ook geen sprake zijn van een belastbare vervreemding op het moment van inbreng.
Uitgaande van toerekening kan de omstandigheid dat de inbrenger voor én na de inbreng belastingplichtig blijft ter zake van dezelfde aandelen een argument bieden dat geen sprake zou moeten zijn van een belastbare vervreemding. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad4 wordt een aanmerkelijkbelanghouder kort gezegd geacht zijn aanmerkelijk belang (gedeeltelijk) te vervreemden indien sprake is van een aan hem toerekenbare rechtshandeling, die tot het aanmerkelijk belang behorende vermogensbestanddelen of een deel van de daarin besloten liggende rechten in het vermogen van een ander doet overgaan, tenzij daarvoor rechten in de plaats komen die dezelfde fiscale en economische positie innemen in het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder.5 Indien men de positie voor en na de inbreng van vermogen vergelijkt, kan vastgesteld worden dat de fiscale situatie vergelijkbaar is (althans zou moeten zijn, gezien het doel van de APV-regeling).
Economisch is er wel een verschil, aangezien de inbrenger niet langer gerechtigd is tot de ingebrachte aandelen. Vraag is of de vergelijkbaarheid in de fiscale positie voldoende is om aan te nemen dat geen sprake is van een inbreng. De Hoge Raad heeft tevens tot uitgangspunt genomen dat een verschil in fiscale positie tot gevolg heeft dat de economische positie niet gelijk is en dat dus sprake is van een vervreemding, hetgeen overigens niet direct betekent dat omgekeerd een gelijkblijvende fiscale positie ook het ontbreken van een vervreemding impliceert.6 Een redelijke wetstoepassing brengt evenwel naar mijn mening met zich dat, indien de fiscale positie na de inbreng gelijk is aan die voor de inbreng, ook al is dat als gevolg van een fictie, er geen reden is om een vervreemding in aanmerking te nemen.7 Er treedt ook geen claimverlies op, aangezien een later optredende wijziging alsnog tot de (belaste) vervreemding leidt.
Ten slotte is heel duidelijk niet beoogd dat de inbreng tot heffing van inkomstenbelasting leidt; de wetgever gaat er althans zelf vanuit dat de inbreng in een APV onbelast plaatsvindt:
Uitgaande van de grondvorm dat iemand de enige inbrenger is in een door hem ingesteld afgezonderd particulier vermogen, vormt deze afzondering van vermogensbestanddelen in de voorgestelde wetssystematiek geen belaste handeling. Voor inkomstenbelasting noch schenkbelasting is er sprake van een heffingsmoment. De inbrenger wordt geacht gedurende zijn leven de afgezonderde vermogensbestanddelen onverkort te bezitten, ongeacht de discretionaire bevoegdheden van de beheerder of het afgezonderde vermogen zelf. [onderstreping AEdL]8
Onbelaste inbreng is mijns inziens ook noodzakelijk bij het uitgangspunt dat de inbreng in het APV fiscaal genegeerd wordt en de inbrenger fiscaal behandeld wordt alsof de inbreng niet heeft plaatsgevonden. De inbreng leidt derhalve mijns inziens niet tot heffing en, voor zover men er aan mocht twijfelen dat dit gebaseerd kan worden op het systeem van de Wet IB 2001, dan in elk geval op grond van de expliciete bedoeling van de wetgever met de APV-regeling, zoals ook volgt uit de parlementaire geschiedenis.