Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/5.2.7.16
5.2.7.16 Guidance van de Ondernemingskamer of raadsheer-commissaris
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652383:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.26), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero); OK 11 december 2013 (r.o. 3.1), JOR 2014/36, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Slotervaartziekenhuis); OK 17 december 2014 (r.o. 3.5), ARO 2015/47 (Hepta G); OK 16 juni 2015 (r.o. 3.2), ARO 2015/167 (In den Eng); OK 24 maart 2016 (r.o. 2.1), ARO 2016/86 (VTS). Zie ook HR 11 juli 2014 (r.o. 3.3.3), NJ 2014/389, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/263 (Novero); Praktijktips, bepaling 1.5.1. Zie hierover verder Salemink 2018c, p. 551-554 (instemmend); Schönau 2018 (kritisch).
Zo ook Hermans, Winters & Van der Schrieck 2014, p. 62-63; Josephus Jitta (onder 3) in zijn annotatie bij OK 11 december 2013, JOR 2014/36 (Slotervaartziekenhuis), die overigens ten onrechte vermeldt dat de Ondernemingskamer een en ander niet heeft uitgemaakt voor de OK-beheerder; Sinninghe Damsté 2014, p. 42; Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 807.
Zo ook Hermans, Winters & Van der Schrieck 2014, p. 57. Zie ook OK 23 mei 2003 (r.o. 3.9), JOR 2003/170 (Duo Staal).
OK (r-c) 2 mei 2019 (r.o. 2.3), JOR 2019/217, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Steelframe). De beschikking ziet op een aan een OK-bestuurder verlangde aanwijzing, waarvoor mijns inziens ook een aan een OK-commissaris of OK-beheerder verlangde aanwijzing kan worden gelezen. Zie ook Soerjatin & Kruse 2021, p. 220-221.
Krop, Scholten & Verburgt 2015, p. 210. Anders Makkink 2016, p. 258; Eikelboom 2017, p. 548.
Josephus Jitta 2015, p. 262; Josephus Jitta 2018b, p. 407; Josephus Jitta 2021, p. 20 e.v. Zie ook Josephus Jitta (onder 7) in zijn annotatie bij OK 13 maart 2020, JOR 2020/172 (Bloembollenbedrijf Brouwer); Makkink 2021a; Makkink 2021b, p. 13; Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 821-822 en p. 829.
Borrius 2018, p. 437 en p. 439. Zie ook Borrius 2015, p. 83-84.
Josephus Jitta 2016, p. 470-471; Duynstee 2018, p. 135; Duynstee & Drenth 2021, p. 245; Makkink 2021a.
Zie in dit verband ook art. 2.1.4.14 Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven.
OK 12 november 2019 (r.o. 1.7), ARO 2020/5 (Vermeulen); OK 24 april 2020 (r.o. 1.6), ARO 2020/97 (Kors). De bevoegdheid tot beslissen blijft voorbehouden aan de volledige dienstdoende samenstelling van de Ondernemingskamer, zie HR 22 december 2017 (r.o. 3.6.1-3.7), JBPr 2018/30, m.nt. G. van Rijssen (Stichting Maatschappelijke Ondersteuning Voor Elkaar).
Handelingen II 2011/12, 71, p. 44 en p. 48.
Duynstee & Drenth 2021, p. 245.
OK 13 mei 2020 (r.o. 3.10), JOR 2020/23, m.nt. P.J. van der Korst (Buro ZP). Van der Korst (onder 4-5) in zijn annotatie merkt terecht op dat deze beslissing niet is opgenomen in het dictum, en voor deze mogelijke mondelinge behandeling dus nog een raadsheer-commissaris moet worden aangewezen. Met Van der Korst meen ik bovendien dat niet duidelijk is waar een dergelijke mondelinge behandeling in kan resulteren, tenzij een van partijen tevens een verzoek tot onmiddellijke voorzieningen of tot vervanging van de OK-bestuurder indient en dat verzoek op dezelfde zitting wordt behandeld.
Eikelboom 2012, p. 90 en p. 106-107; Josephus Jitta (onder 5-6) in zijn annotatie bij OK 30 oktober 2013, JOR 2013/337 (Novero); Eikelboom 2014a, p. 271; Sinninghe Damsté 2014, p. 40 en p. 43; Krop, Scholten & Verburgt 2015, p. 221; Eikelboom 2017, p. 556; Duynstee (onder 6-13) in zijn annotatie bij OK 22 maart 2018, JOR 2018/150 (VDL Huizen); Salemink 2018c, p. 555-556; Schönau 2018. Zie bijv. OK 22 maart 2018 (r.o. 3.8), JOR 2018/150, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (VDL Huizen) voor een specifieke taak aan een OK-bestuurder; zie bijv. OK 11 december 2013 (r.o. 3.9), JOR 2014/36, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Slotervaartziekenhuis) voor een suggestie voor de taakuitoefening van een OK-bestuurder. De grens tussen beide kan dun zijn, zie Hermans, Winters & Van der Schrieck 2014, p. 65.
Zo ook Geerts 2004, p. 298; Eikelboom 2017, p. 274.
OK 30 oktober 2013 (r.o. 4), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero), waarover Leijten 2014, p. 41-42. Zie bijv. ook OK 4 juni 2019 (r.o. 3.12), JOR 2020/29, m.nt. R.G.J. de Haan (Gierkink Beheer). Zie ook Duynstee & Drenth 2021, p. 236-237 en p. 243.
OK 4 mei 2007 (r.o. 2.2), JOR 2007/181 (ABN Amro).
OK 24 januari 2014 (r.o. 3.4), JOR 2014/98, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero).
Zie ook Josephus Jitta (onder 6) in zijn annotatie bij OK 24 januari 2014, JOR 2014/98 (Novero); Sinninghe Damsté 2014, p. 43.
Zie bijv. OK 30 oktober 2013 (r.o. 3.8), JOR 2013/337, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Novero); HR 11 juli 2014 (r.o. 3.3.4; 3.4.2), NJ 2014/389, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/263 (Novero). Overigens kan de Ondernemingskamer ook een andere toets aanleggen bij de beoordeling van een ontheffingsverzoek, zie Josephus Jitta 2015, p. 258, voetnoot 10; OK 7 december 2020 (r.o. 3.20), JOR 2021/60, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (HotShots); Sinninghe Damsté (onder 4) in haar annotatie bij OK 23 juni 2021, JOR 2021/271 (Esperaza); Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 825. Zowel bij onmiddellijke voorziening als bij eindvoorziening benoemde OK-functionarissen kunnen worden vervangen of ontheven, zie ook Geerts 2004, p. 322; Buijn & Storm 2013, p. 1053-1054; Hermans, Winters & Van der Schrieck 2014, p. 75; Storm 2018, p. 297; Eikelboom, GS Rechtspersonen, art. 2:357 BW, aant. 3 (2022). Vgl. ook OK 8 januari 2007 (dictum), ARO 2007/27 (Willem III).
Zo ook Leijten (onder 9) in zijn annotatie bij OK 18 maart 2013, JOR 2013/136 (De Orthopedische Schoenmakerij); Borrius 2015, p. 80-81; Borrius 2017a, p. 296-297. Overigens is denkbaar dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat een OK-functionaris zijn taak niet zorgvuldig heeft uitgeoefend en kennelijk onredelijk heeft gehandeld, en hem hierom ontheft, partijen juist kan bewegen tot een aansprakelijkheidsprocedure.
Borrius 2015, p. 80. In Borrius 2017a komt dit standpunt overigens niet terug.
Zoals wel voorgesteld door Cornelissen 2010, p. 79.
Sinninghe Damsté 2014, p. 44-45; Krop, Scholten & Verburgt 2015, p. 210-211 en p. 221.
Josephus Jitta (onder 5) in zijn annotatie bij OK 30 oktober 2013, JOR 2013/337 (Novero).
Een onmiddellijke voorziening, inhoudende een concrete instructie aan een OK-bestuurder of OK-beheerder, is volgens bestendige OK-jurisprudentie in beginsel niet mogelijk. De Ondernemingskamer acht zich evenmin bevoegd OK-functionarissen goedkeuring of toestemming te verlenen voor concrete handelingen. De zelfstandige taakuitoefening van OK-functionarissen staat hieraan in de weg.1 In deze jurisprudentie is de positie van de OK-commissaris nog niet aan de orde gekomen, maar naar mijn mening heeft dit eveneens voor de OK-commissaris te gelden.2 Evengoed geldt vorenstaande mijns inziens voor bij eindvoorziening benoemde OK-functionarissen.3
Evenmin ligt hier naar huidig recht een rol voor de raadsheer-commissaris: deze kan op de voet van art. 2:350 lid 4 BW geen aanwijzingen geven aan OK-functionarissen.4 In de literatuur is wel een rol voor de raadsheer-commissaris bepleit. Zo zijn een informeel overleg met de raadsheer-commissaris en een formele aanwijzingsbevoegdheid van de raadsheer-commissaris voorgesteld.5 Josephus Jitta heeft voorgesteld de raadsheer-commissaris een goedkeuringsbevoegdheid toe te kennen voor belangrijke besluiten die diep ingrijpen in de verhoudingen binnen de rechtspersoon dan wel de verhoudingen tussen of met bij zijn organisatie betrokken (rechts)personen. Als minder vergaande mogelijkheid bepleit ook hij een bemiddelende rol voor de raadsheer-commissaris.6 Borrius ziet een rol voor de raadsheer-commissaris in het houden van toezicht op de wijze waarop OK-functionarissen invulling geven aan het informatie- en verantwoordingsproces naar procespartijen, waarover par. 4.10.3 en par. 4.10.4. Volgens haar kan de raadsheer-commissaris bij klachten gehoor bieden en moet de raadsheer-commissaris een aanwijzingsbevoegdheid toekomen.7 Verschillende auteurs hebben voorgesteld de raadsheer-commissaris een grotere rol toe te kennen door toepassing van art. 16 lid 5 Rv.8 In Vermeulen en Kors werd – met instemming van partijen9 – van art. 16 lid 5 Rv gebruikgemaakt en vond de behandeling van verzoeken plaats ten overstaande van de raadsheer-commissaris. De beschikking werd wel gegeven door de volledige dienstdoende samenstelling van de Ondernemingskamer.10 In de parlementaire geschiedenis lijkt deze mogelijkheid door de minister echter afgewezen, omdat art. 2:350 lid 4 BW een lex specialis vormt van art. 16 lid 5 Rv en de minister overwoog ‘dat de raadsheer-commissaris niet in zijn eentje een enquêteprocedure moet gaan behandelen.’11 Volgens Duynstee en Drenth vormt art. 2:350 lid 4 BW een nauwere bepaling, en is die bepaling niet toereikend om problemen rondom het functioneren van OK-functionarissen aan de orde te stellen. Anders is dat volgens hen voor art. 16 lid 5 Rv.12 Verdedigbaar is echter dat de hiervoor weergegeven passage uit de parlementaire geschiedenis een bredere betekenis toekomt en ook in de weg staat aan een uitbreiding van de bevoegdheden van de raadsheer-commissaris ten aanzien van OK-functionarissen op de voet van art. 16 lid 5 Rv.
In Buro ZP heeft de Ondernemingskamer een bemiddelende rol voor de raadsheer-commissaris gecreëerd, naar ik aanneem op de voet van (een analoge toepassing van) art. 2:357 lid 2 BW. Ter zitting liet een van de procespartijen (een 40%-aandeelhouder) weten groot belang te hechten aan het in stand blijven van zijn managementovereenkomst met de rechtspersoon, omdat beëindiging van die overeenkomst leidt tot een aanbiedingsplicht van zijn aandelen. De Ondernemingskamer zag daarin aanleiding:
‘te bepalen dat indien de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder opzegging van de managementovereenkomst met [de 40%-aandeelhouder, PB] (…) overweegt, dit desgewenst kan worden besproken ter gelegenheid van een ten overstaan van een door de Ondernemingskamer uit haar midden aan te wijzen raadsheer-commissaris te houden comparitie van partijen. [De andere 40%-aandeelhouder, PB] (…) heeft laten weten hiertegen geen bezwaar te hebben. Indien de bedoelde situatie zich voordoet kan ieder van partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder zich wenden tot de Ondernemingskamer, waarna een datum zal worden bepaald.’13
Waar de Ondernemingskamer of raadsheer-commissaris besluiten of handelingen van OK-functionarissen zou goedkeuren of OK-functionarissen concrete instructies zou geven, kan de omstandigheid dat een OK-functionaris in overeenstemming daarmee handelt mijns inziens een mitigerende omstandigheid vormen ter bepaling van zijn aansprakelijkheidspositie. Datzelfde geldt voor de formulering van een specifieke taak of opdracht, of suggesties voor de taakuitoefening van een OK-functionaris14 – mijns inziens een bevoegdheid die de Ondernemingskamer toekomt op grond van (een analoge toepassing van) art. 2:357 lid 2 BW.15 Guidance kan ook worden verkregen door de aanvaardbaarheid van een concrete oplossing aan de Ondernemingskamer voor te leggen, door de Ondernemingskamer te verzoeken een hieraan in de weg staand wettelijk of statutair obstakel terzijde te stellen. Overweegt de Ondernemingskamer dan dat aan de bevoegdheden van de OK-functionaris dienaangaande geen bijzondere beperkingen zijn verbonden, dan heeft de OK-functionaris kennelijk de vrijheid te handelen op de wijze als voorgelegd aan de Ondernemingskamer.16 Daarbij heeft de Ondernemingskamer er wel voor te waken niet haar eigen beslissing te verduidelijken in verband met de omstandigheid dat omtrent de precieze betekenis van haar beschikking in verband met een specifieke vraag bij een of meer partijen onduidelijkheid bestaat.17 In Novero verzocht een OK-bestuurder de Ondernemingskamer ter nadere vaststelling van de waarde van de te verkopen activa een onafhankelijke deskundige aan te wijzen. De Ondernemingskamer trof geen onmiddellijke voorziening, maar faciliteerde de OK-bestuurder wel door een deskundige aan te wijzen om de activa te waarderen.18 De OK-bestuurder forceert hier dus eigenlijk besluitvorming via de Ondernemingskamer, op welke wijze een voorgenomen besluit ex ante wordt getoetst.19
De Ondernemingskamer kan zich ook ex post uitlaten over het handelen van een OK-functionaris, wanneer bij de enquêteprocedure betrokken partijen klachten richten tegen diens handelen. Oordeelt de Ondernemingskamer bijvoorbeeld dat een OK-functionaris zijn taak zorgvuldig heeft uitgeoefend, niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld, en hierom geen reden ziet voor de vervanging of ontheffing van deze functionaris bij aanvullende onmiddellijke voorziening,20 dan kan dit oordeel de OK-functionaris helpen in een eventuele opvolgende aansprakelijkheidsprocedure.21 Voor de stelling van Borrius dat de Ondernemingskamer niet happig is het handelen van OK-functionarissen te toetsen, waarmee zij duidelijk maakt dat dit alleen in vergaande situaties aan de orde kan zijn, zie ik geen aanwijzingen.22 Wel valt hier nog wat te winnen: het is nu niet zo dat de Ondernemingskamer bij ontheffing van een OK-functionaris steeds laat blijken dat naar haar oordeel de OK-functionaris zijn taak volledig naar behoren heeft vervuld.23 Dergelijke uitlatingen van de Ondernemingskamer kunnen de OK-functionaris bescherming bieden in een aansprakelijkheidsprocedure. Wel zou een dergelijk oordeel aan vrije oordeelsvorming door de aansprakelijkheidsrechter in de weg kunnen staan. Komt het tot een aansprakelijkheidsactie jegens de OK-functionaris, dan is de rechter echter niet formeel gebonden aan het oordeel van de Ondernemingskamer. Guidance van de Ondernemingskamer vormt slechts één van de relevante omstandigheden ter beoordeling van de aansprakelijkheid van OK-functionarissen.24 Ook is het niet zo dat een OK-functionaris die handelt conform een concrete instructie van de Ondernemingskamer nooit aansprakelijk kan zijn.25