Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.5.1
7.5.1 Owusu
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431770:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
[2002] EWCA Civ 877; C-281/02, PbEG 2002, C 233/16. Uit een beslissing van 4 maart 2003, AMICO v. Cellstar [2003] Lloyd's Rep. I.R. 295, blijkt het voornemen van de Court ofAppeal tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EG over de toepasbaarheid van forum non conveniens wanneer de rechtsmacht volgt uit Titel II, Afdeling 3, EEX-Verdrag (bevoegdheid in verzekeringszaken). Tot op heden is de zaak echter niet bij het Hof aanhangig gemaakt.
C-281/02, Jur. 2005, p. 1-1383.
De Jamaicaanse verweerders waren met dit gevaar bekend, omdat uit de beslissing van de Court o fAppeal blijkt dat een andere Engelse vakantieganger twee jaar eerder op een vergelijkbare wijze letsel had opgelopen. Aangezien daarbij geen Engelse verweerders waren betrokken, was het slachtoffer genoodzaakt om een procedure tot schadevergoeding te starten bij de Jamaicaanse rechter.
Owusu v. Jackson [2002] EWCA Civ 877, r.o. 33-34. Zie uitgebreid over het Engelse forum non conveniens-leerstuk: P. Beaumont, 'Great Britain', in: Fawcett (ed.) (1995), p. 207-233; Cheshire & North (1999), p. 333 e.v.; Dicey & Morris (2000), p. 385 e.v.
Owusu v. Jackson [2002] EWCA Civ 877, r.o. 15.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412/98, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597 (PV).
Owusu v. Jackson [2002] EWCA Civ 877, r.o. 20-21.
Owusu v. Jackson [2002] EWCA Civ 877, r.o. 45.
De behandeling van de procedure jegens de Jamaicaanse verweerders wordt opgeschort voor de duur van de procedure bij het Hof.
Zie art. 62 bis lid 1 Reglement voor de procesvoering van het HvJ EG (mei 2004): 'Op verzoek van hetzij de verzoekende partij, hetzij de verwerende partij, kan de president, op voorstel van de rechter-rapporteur, de andere partij en de advocaat-generaal gehoord, in uitzonderlijke gevallen beslissen een zaak te behandelen volgens een versnelde procedure waarbij wordt afgeweken van de bepalingen van dit reglement, wanneer de bijzondere spoedeisendheid van de zaak vereist dat het Hof zo snel mogelijk uitspraak doet.'
Ruim tien jaar na Re Harrods is op 5 juli 2002 opnieuw een prejudiciële vraag over forum non conveniens aan het HvJ EG voorgelegd, ditmaal door de Court of Appeal in de zaak Owusu/Jackson.1 In Owusu staat de vraag centraal of de Engelse rechter die bevoegd is op grond van art. 2 EEX-Verdrag (art. 2 EEX-Vo is hiernaan gelijkluidend) zich forum non conveniens mag verklaren ten gunste van de gerechten in een niet-verdragsstaat waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (Jamaica), indien de zaak alleen binding heeft met een verdragsstaat (Verenigd Koninkrijk) en een niet-verdragsstaat (Jamaica). Het HvJ EG heeft op 1 maart 2005 arrest gewezen.2 Het arrest Owusu vindt zijn oorsprong in een vordering van de in het Verenigd Koninkrijk wonende Brit Andrew Owusu tegen de in dezelfde staat woonachtige Nugent B. Jackson (handelend onder de naam Villa Holidays Bal-Inn Villas) alsmede een aantal op Jamaica gevestigde vennootschappen. De feiten lagen als volgt. Owusu had via het bedrijf van Jackson een vakantiehuis op Jamaica gehuurd, waarmee hij ook toegang had tot een privé-strand. Op 10 oktober 1997 liep Owusu ernstig lichamelijk letsel op toen hij bij een duikpoging in zee met zijn hoofd terechtkwam op een onder water gelegen zandbank. Owusu heeft daarbij zijn vijfde halswervel gebroken en is hierdoor ernstig verlamd. Naar aanleiding van dit ongeluk vordert Owusu in 2000 in een procedure voor de Engelse rechter schadevergoeding van Jackson. Owusu stelt zich op het standpunt dat de tussen hen geldende overeenkomst impliciet bepaalt dat het privé-strand redelijkerwijs veilig en zonder verborgen gevaren zou zijn. Hij stelt de Jamaicaanse vennootschappen in hun hoedanigheid van eigenaar, exploitant of beheerder van het privé-strand aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad, nu zij onder andere hebben nagelaten om de zwemmers te wijzen op de gevaren van de onder water gelegen zandbank.3 Jackson en de overige verweerders stellen zich in de procedure op het standpunt dat Jamaica 'clearly a more appropriate forum' is, nu kort gezegd Jamaica de staat is waar het ongeluk heeft plaatsgevonden, daar het bewijsmateriaal is gelegen, de getuigen aldaar wonen en de Jamaicaanse vennootschappen er gevestigd zijn. In Jamaica zou voor alle partijen een betere rechtsbedeling verzekerd zijn. Bovendien werd erop gewezen dat bij de tenuitvoerlegging van een veroordelende Engelse beslissing in Jamaica problemen zouden kunnen rijzen.4 Kortom, volgens partijen kon de Engelse rechter zich maar beter forum non conveniens verklaren. Hoewel Jackson woonachtig is in het Verenigd Koninkrijk, heeft hij belang bij dit forum non conveniens-verweer aangezien zijn verzekering zich beperkt tot dekking van schadevergoedingen die zijn toegekend door bevoegde Jamaicaanse gerechten.5
De rechter in eerste aanleg (Bentley J., Deputy High Court te Sheffield) stelt vast dat hij geen bevoegdheid heeft om prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EG over de toepasbaarheid van forum non conveniens onder het EEX-Verdrag in de verhouding tot gerechten van niet-verdragsstaten. Onder verwijzing naar UGIC/Group Josi6 oordeelt hij dat het hem niet vrij staat om de rechtsmacht ontleend aan art. 2 EEX-Verdrag (woonplaats verweerder) niet uit te oefenen, door zich forum non conveniens te verklaren ten gunste van het Jamaicaanse forum. Hiermee neemt hij uitdrukkelijk afstand van de beslissing in Re Harrods. Ten aanzien van de Jamaicaanse verweerders — waarvoor het EEX-Verdrag niet geldt, art. 4 lid 1 — verklaart hij zich evenmin onbevoegd om te voorkomen dat twee identieke procedures voor gerechten in verschillende staten worden gevoerd en als gevolg daarvan onverenigbare beslissingen kunnen worden gewezen.7
In hoger beroep wijst de Court of Appeal erop dat de zaak slechts aanknopingspunten heeft met de rechtssfeer van een verdragsstaat (Verenigd Koninkrijk) en een niet-verdragsstaat (Jamaica). De zaak heeft verder geen enkele binding met een andere verdragsstaat. Onder deze omstandigheden vraagt de Court of Appeal zich af hoe dwingend de hoofdregel in art. 2 EEX-Verdrag moet worden uitgelegd. Mag de Engelse rechter weigeren om zijn op art. 2 EEX-Verdrag gebaseerde bevoegdheid uit te oefenen, omdat het gerecht in een niet-verdragsstaat in een geschiktere positie verkeert om de zaak te behandelen? De Court of Appeal wijst erop dat een strikt formalistische uitleg van art. 2 EEX-Verdrag tot gevolg heeft dat geen rekening kan worden gehouden met de omstandigheid dat dezelfde zaak tussen partijen op een eerder tijdstip aanhangig is gemaakt voor het gerecht in een niet-verdragsstaat of met de omstandigheid dat de rechtsmacht van het gerecht in een niet-verdragsstaat in het geding is krachtens een forumkeuze of de ligging van onroerend goed.8
Om duidelijkheid te verkrijgen over het dwingend karakter van art. 2 EEX-Verdrag en in het bijzonder over de verhouding tussen art. 2 en het Engelse forum non conveniens-leerstuk, stelt de Court of Appeal bij beslissing van 5 juli 2002 prejudiciële vragen aan het HvJ EG.9 Hierbij wordt een beroep op het Hof gedaan om, gezien de ernstige lichamelijke gevolgen van het ongeval voor Owusu, de behandeling van de zaak te bespoedigen.10 De prejudiciële vragen, welke gelijkenissen vertonen met die in Re Harrods, luiden als volgt:
`(1) Wanneer een verzoeker onder verwijzing naar artikel 2 van het Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: "Executieverdrag") aanvoert dat een gerecht van een verdragsluitende staat bevoegd is, kan die rechter zich dan met een beroep op de discretionaire bevoegdheid die hem volgens het nationale recht toekomt, onbevoegd verklaren in een geding tegen een in die staat wonende persoon, ten voordele van de gerechten van een derde land:
(a) wanneer de rechtsmacht van geen andere verdragsluitende staat op grond van het Executieverdrag in het geding is;
(b) wanneer het geding geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat?
(2) Bij bevestigend antwoord op vraag 1, sub a, of op vraag 1, sub b, is een en ander in alle omstandigheden in overeenstemming met het Executieverdrag, of alleen in bepaalde omstandigheden en zo ja, in welke?'