Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.5.3
7.5.3 De prejudiciële beslissing
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431782:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, Jur. 2005, p. 1-1383, Owusu/Jackson. Zie over dit arrest o.a.: J. Fawcett, `Common law practices and the Brussels Convention', Tijdschrinipr.be 2005, p. 103-110 `At Last: The EC Court of Justice on Forum Non Conveniens', 1VILR 2006, p. 127-139; dezelfde, TEX en forum non conveniens', WPNR (2006) 6650, p. 23-24; T. Rauscher & A. Fehre, 'Das Ende des forum non conveniens unter dem EuGV und der Briissel I-VO?', ZEuP 2006, p. 459-475; C. Hare, 'Forum non conveniens in Europe: Game Over or Time for 'Reflexion'?', J.B.L. 2006, p. 157-179; R. Fentiman, `Civil jurisdiction and third States: Owusu and after', CMLR 2006, p. 705-734.
Zie preambule, vierde alinea, EEX-Verdrag; Toelichtend Rapport van P. Jenard bij het EEX-Verdrag, Hoofdstuk III, Toepassingsgebied van het verdrag, I, Internationale rechtsbetrekkingen (Trb. 1969, 101).
Zie ook conclusie A-G Léger, onder nr. 107-118, voor C-281/02, Owusu/Jackson, waarin hij erop wijst dat als zulks wel het geval was de verdragsopstellers dit uitdrukkelijk in de tekst van dat artikel tot uiting zouden hebben gebracht. Kritiek bij C. Hare, J.B.L. 2006, p. 161-162.
Bevestigd in HvJ EG 7 februari 2006, Advies 1/03, RvdW 2006, 405, Lugano-advies, r.o. 143-145. Vgl. HvJ EG, C-281/02, Owusu/Jackson, r.o. 28: 'Overigens kunnen de regels van het Executie-verdrag inzake exclusieve bevoegdheid of uitdrukkelijke forumkeuze eveneens van toepassing zijn op rechtsverhoudingen waarbij slechts één verdragsluitende staat en een of meer derde staten betrokken zijn.'
Het Hof wijst o.a. op zijn beslissing van 13 juli 2000, zaak C-412/98, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ2003, 597 (PV), Group Josi/UGIC. Zie verder conclusie A-G Léger, onder nr. 119-158, voor C-281/02, Owusu/Jackson, waarin hij o.a. erop wijst dat het EEX-Verdrag zelf aangeeft in welke gevallen binding met twee verdragsstaten vereist is.
Hierover uitgebreid conclusie A-G Léger, onder nr. 177-214, voor C-281/02, Owusu/Jackson.
Zie verder r.o. 34 van het arrest: 'De in het Executieverdrag opgenomen uniforme bevoegdheidsregels gelden echter niet enkel in situaties die een wezenlijke en voldoende band hebben met de werking van de interne markt, waarbij per definitie meerdere lidstaten betrokken zijn. Het volstaat in dit verband vast te stellen dat de eenmaking als zodanig die het Executieverdrag tot stand brengt met betrekking tot de collisieregels en op het gebied van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen voor geschillen die een extraneïteitselement bevatten, ontegenzeglijk tot doel heeft de belemmeringen van de werking van de interne markt weg te nemen die kunnen voortvloeien uit de verschillen tussen de nationale wetgevingen (...).'
Het Hof spreekt consequent van de forum non conveniens-exceptie, omdat het forum non conveniens naar Engels recht een exceptie is waarop de verweerder zich moet beroepen (conclusie A-G Léger, onder nr. 30, voor C-281/02, Owusu/Jackson). Dat behoeft in de Nederlandse en Amerikaanse forum non conveniens-varianten niet altijd het geval te zijn. Zie par. 3.6.4. resp. 8.2.
Art. 2 EEX-Verdrag: 'Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat.' In dezelfde zin conclusie A-G Léger, onder nr. 231-234, voor C-281/02, Owusu/Jackson. Zie ook Niegisch (1996), p. 219; Cheshire & North (1999), p. 264; Layton & Mercer (2004), p. 30.
Zie ook conclusie A-G Léger, onder nr. 219-230, voor C-281/02, Owusu/Jackson. De A-G wijst erop dat de intenties van de verdragsopstellers, zoals die in dit geval blijken uit het Toel. Rapport Schlosser, niet zijn veranderd door de inwerkingtreding van verschillende toetredingsverdragen bij het EEX-Verdrag en de omzetting van het verdrag in de EEX-Verordening. Is dit niet een te simplistische voorstelling van zaken? Tijdens de onderhandelingen over de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het EEXVerdrag is het forum non conveniens-leerstuk slechts aan de orde geweest in de relatie tot andere verdragsstaten, terwijl in casu juist de relatie tot niet-verdragsstaten aan de orde is.
Reeds in dezelfde zin H. Duintjer Tebbens, in: Law and Reality (Voskuil-bundel), 1992, p. 59-60; Niegisch (1996), p. 218.
Zie ook conclusie A-G Léger, onder nr. 263-265, voor C-281/02, Owusu/Jackson, waarin hij opmerkt dat het EEX-Verdrag in het algemeen is geïnspireerd op de rechtsstelsels van de civil law, waarin de rechtszekerheid in het jurisdictierecht een belangrijke positie inneemt, terwijl de common law rechtsstelsels het jurisdictierecht meer flexibel (van geval tot geval) benaderen. Vgl. A. Gardella & L.G. Radicati Di Bmzolo, Am. J. Comp. L. 2003, p. 612: `Undisputedly the most obvious influence of the civil law system on the Regulation' s jurisdictional rules lies in the predetermined, and basically inflexible, nature of the criteria goveming the assumption, and the declining, of jurisdiction by the courts of member states.'
Hierbij wijst het Hof ook op de kosten die gemoeid zijn met het instellen van een nieuwe procedure bij de buitenlandse rechter en op de verlenging van de procestermijnen. Vgl. conclusie A-G Léger, onder nr. 265-271 (i.h.b. 270), voor C-281/02, Owusu/Jackson: `(...) Het ligt voor de hand dat deze stappen kosten meebrengen en de procedure die de verzoeker moet doorlopen om ten slotte gehoor te vinden, aanzienlijk kunnen verlengen. In dit opzicht kan de op de leer van het forum non conveniens gebaseerde regeling ook onverenigbaar worden geacht met de vereisten van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.' In dezelfde zin Niegisch (1996), p. 218.
In dezelfde zin conclusie A-G Léger, onder nr. 273-275, voor C-281/02, Owusu/Jackson. Vgl. dezelfde, onder nr. 220, noot 112: 'Deze leer schijnt eveneens in Nederland te zijn toegepast, zij het in veel mindere mate.' Zie verder Niegisch (1996), p. 217-218; Cheshire & North (1999), p. 264265. Kritiek bij C. Hare, J.B.L. 2006, p. 167.
Conclusie A-G Léger, onder nr. 276, voor C-281/02, Owusu/Jackson.
Wellicht had het Hof meer inhoudelijk op deze argumenten kunnen ingaan. Zo had het Hof, om maar iets te noemen, de logistieke bezwaren kunnen relativeren door te wijzen op de hedendaagse mogelijkheden van transport en communicatie.
Van een spoedige afhandeling van de prejudiciële vraag door het HvJ EG is in Owusu niet echt sprake geweest, nu het arrest pas na ruim twee-en-een-half jaar op 1 maart 2005 — nog geen drie maanden na de conclusie van A-G Léger — is gewezen.1 De prejudiciële beslissing is conform de conclusie van de A-G. Allereerst geeft het HvJ EG een korte beschrijving van het Engelse forum non conveniens-leerstuk:
`8. Op grond van de forum non conveniens-exceptie, zoals die in het Engelse recht bekend is, kan een nationale rechterlijke instantie beslissen om haar bevoegdheid niet uit te oefenen op grond dat een, eveneens bevoegde, rechterlijke instantie in een andere staat, gelet op de belangen van alle partijen en een goede rechtsbedeling, objectief gezien een geschikter forum zou zijn om van een geschil kennis te nemen (arrest van 1986 van het House of Lords, Spiliada Maritime Corporation/Cansulex Ltd, 1987, AC 460, inzonderheid blz. 476). 9. Een Engelse rechterlijke instantie die op grond van de forum non conveniens-exceptie beslist om haar bevoegdheid niet uit te oefenen, houdt de zaak aan, zodat de aldus voorlopig opgeschorte procedure kan worden hervat indien met name zou blijken dat de buitenlandse rechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen of dat verzoeker voor dit forum geen toegang heeft tot een doeltreffende rechtsbedeling.'2
Om vervolgens te beslissen dat het EEX-Verdrag zich ertegen verzet:
`46. (...) dat een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat de bevoegdheid die zij aan artikel 2 van dit verdrag ontleent, niet uitoefent op grond dat een gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou zijn om van het betrokken geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende staat niet aan de orde is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat.'
In navolging van de A-G beoordeelt het Hof allereerst of art. 2 EEX-Verdrag van toepassing is in een geval als het onderhavige waarin de eiser en een van de verweerders in dezelfde verdragsstaat woonplaats hebben (Verenigd Koninkrijk) en het geschil verder geen aanknopingspunten heeft met andere verdragsstaten, doch alleen met een niet-verdragsstaat (Jamaica). Is er in dit geval sprake van voldoende internationaliteit? Of moet de zaak als een intern geschil worden gekwalificeerd, zodat het EEX-Verdrag buiten toepassing blijft?3 In het algemeen is voor de toepassing van de bevoegdheidsregels uit het EEX-Verdrag een extraneïteitselement vereist, dat wil zeggen dat de zaak een internationaal karakter moet hebben.4 Het grensoverschrijdende karakter van de betrokken rechtsverhouding behoeft voor de toepassing van art. 2 EEX-Verdrag echter niet voort te vloeien uit de omstandigheid dat, wegens de grond van de zaak of de woonplaats van partijen, meerdere verdragsstaten bij de zaak betrokken zijn.5 Niets in de bewoordingen van art. 2 EEX-Verdrag wijst erop dat de bepaling slechts toepasselijk is indien de zaak binding heeft met twee verdragsstaten.6 De betrokkenheid van een verdragsstaat en een niet-verdragsstaat, bijvoorbeeld omdat de verzoeker en een verweerder in de eerste staat wonen en de litigieuze feiten in de tweede staat hebben plaatsgevonden, kan de rechtsverhouding dan ook een internationaal karakter geven, aldus het Hof (r.o. 26).7 Het Hof wijst er in dit verband op dat het eerder prejudiciële beslissingen heeft gewezen in gevallen waarin de verzoeker in een derde land was gevestigd, terwijl de verweerder in een verdragsstaat woonde.8 De verweerders en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben zich op de relatieve werking van verdragen beroepen, op grond waarvan het EEX-Verdrag geen verplichtingen zou kunnen opleggen aan staten die niet zijn gebonden aan dit verdrag. Het Hof merkt dienaangaande slechts op dat als de rechtsmacht is gebaseerd op de woonplaats van de verweerder naar aanleiding van een geschil dat binding heeft met een niet-verdragsstaat, 'zulks laatstgenoemde staat geen verplichting oplegt' .9 Kortom, art. 2 EEX-Verdrag is van toepassing in een zaak als de onderhavige, waarin de verhoudingen tussen de gerechten van één verdragsstaat (Verenigd Koninkrijk) en die van een niet-verdragsstaat (Jamaica) aan de orde zijn en niet de verhoudingen tussen de gerechten van meerdere verdragsstaten (r.o. 35).10
Nu sprake is van een internationaal geschil, is het EEX-Verdrag van toepassing. Mitsdien kan de vraag aan de orde komen of het EEX-Verdrag zich ertegen verzet dat de rechter van een verdragsstaat op basis van de forum non conveniens-exceptie11 de rechtsmacht die hij aan art. 2 EEX-Verdrag ontleent, niet uitoefent. Om te beginnen merkt het Hof op dat de fundamentele bevoegdheidsregel in art. 2 EEXVerdrag dwingend is en dat reeds uit de bewoordingen van het artikel blijkt dat alleen in uitdrukkelijk door het EEX-Verdrag bepaalde gevallen van deze hoofdregel kan worden afgeweken (bijvoorbeeld art. 16, art. 17).12 Het staat vast dat de opstellers van het EEX-Verdrag geen aan het forum non conveniens-leerstuk ontleende exceptie in dit verdrag hebben opgenomen (r.o. 37).13 Voorts wijst het Hof op de negatieve gevolgen die de toepassing van het forum non conveniens-leerstuk kan hebben voor de rechtszekerheid. De volgende rechtsoverwegingen zijn cruciaal:
`38. De eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel, een van de doelstellingen van het Executieverdrag (zie met name arresten van 28 september 1999, GlE Group Concorde e.a., C-440/97, Jurispr. blz. 1-6307, punt 23, en 19 februari 2002, Besix, C-256/00, Jurispr. blz. 1-1699, punt 24), zou niet volledig gewaarborgd zijn indien een uit een hoofde van dit verdrag bevoegde rechter de forum non conveniens-exceptie mocht toepassen.
39. Immers, volgens de bewoordingen van de preambule van het Executieverdrag dient dit verdrag binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn, te vergroten door het opstellen van gemeenschappelijke bevoegdheidsregels die zekerheid geven over de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende nationale gerechten waarbij een bepaald geschil kan worden aangebracht (arrest Besix, reeds aangehaald, punt 25).' 14
Blijkens de rechtspraak van het Hof vereist het beginsel van rechtszekerheid onder meer dat bevoegdheidsregels die afwijken van de hoofdregel in art. 2 EEX-Verdrag op zo'n wijze moeten worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere gerechten dan die van zijn woonplaats hij gedagvaard zou kunnen worden. In het onderhavige geval is het Hof van oordeel dat de toepassing van het forum non conveniens-leerstuk resulteert in een aantasting van de voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregels uit het EEX-Verdrag; forum non conveniens laat zich dus niet verenigen met het beginsel van rechtszekerheid (r.o. 38-41).15 Tevens zou door de toepassing van het forum non conveniens-leerstuk de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen worden aangetast. In de eerste plaats, omdat de verweerder — die zich in het algemeen beter kan verdedigen ten overstaan van de gerechten van zijn woonplaats — redelijkerwijs niet zou kunnen voorzien voor welke andere gerechten dan die van zijn woonplaats hij opgeroepen kan worden. In de tweede plaats, omdat bij het opwerpen van een forum non conveniens-exceptie de eiser moet aantonen dat hij zijn recht niet zal kunnen halen voor het alternatieve buitenlandse gerecht of, indien de exceptie wordt toegewezen, dat deze buitenlandse rechter uiteindelijk niet bevoegd is of dat hij in werkelijkheid geen toegang heeft tot een doeltreffende rechtsbedeling voor deze buitenlandse rechter (r.o. 42).16 Tot slot wijst het Hof erop dat het gebruik van het forum non conveniens-leerstuk kan leiden tot aantasting van de uniforme toepassing van het EEX-Verdrag, omdat het leerstuk slechts in een beperkt aantal verdragsstaten is erkend (r.o. 43).17 Uiteindelijk zou dit verschil kunnen resulteren in discriminatie tussen verweerders die hun woonplaats in het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben en verweerders die hun woonplaats in andere verdragsstaten hebben.18
Op grond van deze redenering komt het HvJ EG tot de slotsom dat het EEXVerdrag zich ertegen verzet dat het door art. 2 EEX-Verdrag aangewezen gerecht van een lidstaat zijn bevoegdheid niet uitoefent op de grond dat het gerecht in een niet-verdragsstaat een geschikter forum zou zijn om van het geschil kennis te nemen. Hieraan doet niet af dat de zaak geen binding heeft met twee verdragsstaten, maar slechts met één verdragsstaat en een niet-verdragsstaat. De verweerders betogen dat indien de Engelse gerechten in casu verplicht waren om ten gronde van de zaak kennis te nemen, zulks negatieve praktische gevolgen zou hebben, onder meer wat betreft de proceskosten, de mogelijkheid tot terugbetaling van de kosten in Engeland indien de vordering van de verzoeker wordt afgewezen, de aan de geografische afstand verbonden logistieke moeilijkheden, de noodzaak om de zaak naar Jamaicaanse criteria te beoordelen, de mogelijkheid om een verstekvonnis in Jamaica ten uitvoer te leggen en de onmogelijkheid van een tegenvordering tegen de andere verweerders. Het Hof volstaat dienaangaande met de opmerking dat ongeacht de vraag of deze moeilijkheden bestaan, dergelijke beschouwingen, waarmee juist rekening kan worden gehouden in het kader van de toepassing van de forum non conveniens-exceptie, om de hierboven vermelde redenen niet wegnemen dat de in art. 2 EEX-Verdrag opgenomen fundamentele bevoegdheidsregel bindend is (r.o. 44-45).19
Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het EEX-Verdrag zich verzet tegen de toepassing van forum non conveniens in alle of slechts in bepaalde gevallen. De vraag is gesteld voor het geval dat er sprake zou zijn van een situatie van aanhangigheid of samenhang met een procedure voor het gerecht in een niet-verdragsstaat, van een forumkeuze ten gunste van de gerechten in een niet-verdragsstaat of van een met art. 16 EEX-Verdrag vergelijkbare aanknoping met een niet-verdragsstaat (exclusieve fora, zie art. 22 EEX-Vo). Nu deze gevallen zich niet voordoen in het hoofdgeding en dus hypothetisch zijn, gaat het Hof in navolging van de A-G niet in op de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag (r.o. 47-52).