Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.5.2:7.5.2 Conclusie A-G Léger
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.5.2
7.5.2 Conclusie A-G Léger
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435526:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 14 december 2004 concludeert A-G Léger in de zaak Owusu. Volgens de A-G strekken de prejudiciële vragen van de Court of Appeal veel verder dan voor de beantwoording van de hoofdvraag strikt noodzakelijk is. In essentie is de vraag aan de orde of de Engelse rechter, bevoegd krachtens art. 2 EEX-Verdrag, zich in het onderhavige geval op grond van het Engelse interne procesrecht forum non conveniens mag verklaren ten gunste van een Jamaicaanse gerecht. De tweede prejudiciële vraag, die kennelijk ziet op de toelaatbaarheid van forum non conveniens voor het geval er sprake zou zijn van aanhangigheid of samenhang in verhouding tot het gerecht in een niet-verdragsstaat of voor het geval dat de rechtsmacht van het gerecht in een niet-verdragsstaat gebaseerd is op een forumkeuze of op een aanknopingspunt met die staat van dezelfde soort als bedoeld in art. 16 EEX-Verdrag (exclusieve fora, art. 22 EEX-Vo), is hypothetisch. Deze vraag wordt door de A-G dan ook verder buiten beschouwing gelaten. A-G Léger kiest ervoor om de prejudiciële vragen te herformuleren.1 In de eerste plaats rij st de vraag of art. 2 EEX-Verdrag van toepassing is wanneer de eiser en de verweerder in dezelfde verdragsstaat wonen (Verenigd Koninkrijk), en het bij de gerechten van die verdragsstaat tussen hen aanhangige geding bepaalde aanknopingspunten met een niet-verdragsstaat (Jamaica) heeft, maar niet met een andere verdragsstaat, zodat het enige probleem inzake bevoegdheidsverdeling dat in dit geding aan de orde kan komen uitsluitend de verhouding tussen de gerechten van een verdragsstaat en die van een niet-verdragsstaat betreft, en niet de verhouding tussen de gerechten in verschillende verdragsstaten. De A-G besteedt het grootste deel van zijn conclusie aan deze vraag om hem uiteindelijk in bevestigende zin te beantwoorden.2 Mitsdien rijst de tweede vraag of het EEX-Verdrag zich ertegen verzet dat een gerecht van een verdragsstaat — waarvan de bevoegdheid berust op art. 2 EEXVerdrag — discretionair beslist zijn bevoegdheid niet uit te oefenen, op grond dat een gerecht in een niet-verdragsstaat geschikter is om het geschil ten gronde te beslechten, wanneer dit laatste gerecht zijn bevoegdheid niet ontleent aan een forumkeuze en niet voordien is geadieerd met een verzoek dat kan leiden tot een situatie van aanhangigheid of samenhang en de aanknopingspunten met de niet-verdragsstaat van een andere aard zijn dan die bedoeld in art. 16 EEX-Verdrag. Deze vraag wordt door hem in ontkennende zin beantwoord.3