Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.5.0
7.5.0 Introductie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439135:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
[1990] 4 All E.R. 334 (CA).
Deze opvatting is ontleend aan L. Collins, 'Forum Non Conveniens and the Brussels Convention', LQR 1990, p. 538-539.
Hiermee nam de Court of Appeal afstand van Berisford v. New Hampshire [1990] 1 Llyod's Rep. 454, en Arkwright Mutual v. Blyanston [1990] Lloyd's Rep. 70.
Zie o.a.: H. Gaudemet-Tallon, 'Le 'forum non conveniens', une menace pour la Convention de Bruxelles? (A propos de trois arrets anglais récents), Rev. Crit. DIP 1991, p. 491-524; A. Briggs, `Forum Non Conveniens and the Brussels Convention Again', LQR 1991, p. 181-182; A.R. Schwartz, `In Re Harrods: the Brussels Convention and the proper application of forum non conveniens to non-contracting states', Fordham L.J. 1991-1992, p. 174-206; P. Kaye, 'The EEC Judgments Convention and the Outer World: Goodbye to Forum Non Conveniens?', J.B.L. 1992, p. 47-76; T. Hartley, The Brussels Convention and forum non conveniens', ELR 1992, p. 553-555; P. Huber, `Forum non conveniens und RIW 1993, p. 977-982; W. Kennett, 'Forum Non Conveniens in Europe', CLJ 1995, p. 552-577; G. Hogan, 'The Brussels Convention, Forum Non Conveniens and the Connecting Factors Problem', ELR 1995, p. 471-493.
P.M. North, 'The Brussels Convention and Forum Non Conveniens', IPRax 1992, p. 184; H. Duintjer Tebbens, 'The English Court of Appeal in Re Harrods: a unwelcome interpretation of the Brussels Convention', in: M. Sumampouw a.o. (eds.), Law and Reality (Voskuil-bundel), Dordrecht: Martinus Nijhoff Publishers 1992, p. 59-61; Niegisch (1996), p. 215-219 en p. 228-233; Erwand (1996), p. 214-222; Cheshire & North (1999), p. 264-266; Geimer & Schlitze (2004), p. 110.
Zie bijv. The Po [1991] 2 Lloyd's Rep. 206 (CA); The Nile Rhapsody [1994] 1 Lloyd's Rep. 382 (CA); Haji-Ioannou v. Frangos [1999] 2 Lloyd's Rep. 337 (CA); Eli Lilly v. Novo Nordisk [2001] C.L.C. 519 (CA); Ace Insurance v. Zurich Insurance [2001] 1 Lloyd's Rep. 618 (CA) (EVEXVerdrag); AMICO v. Cellstar [2002] 2 Llyod's Rep. 216; Travelers Casualty v. Sun Life [2004] Lloyd's Rep. I.R. 846.
Doorhaling van C-314/92, Ladenimor/Intercomfinanz, PbEG 1994, C 103/9.
Hoe luidt het antwoord op de vraag naar de verenigbaarheid van het forum non conveniens-leerstuk met de EEX-Verordening indien het geschikter bevonden alternatieve forum niet in een lidstaat, maar buiten de Europese Unie is gelegen? Mag bijvoorbeeld de op basis van art. 2 EEX-Vo bevoegde Londense rechter zich forum non conveniens verklaren ten gunste van een Argentijns gerecht? En maakt het voor de beantwoording van deze vraag verder nog uit of de zaak aanknopingspunten heeft met meerdere lidstaten of slechts met een lidstaat en een niet-lidstaat? Het Toelichtend Rapport Schlosser zwijgt over deze extra-communautaire dimensie van forum non conveniens in EEX-verband, terwijl de meningen in de literatuur op dit punt uiteen lopen. Dat geldt ook voor de Engelse rechtspraak, waarin deze vraag meerdere malen aan de orde is geweest. Spraakmakend is de beslissing van de Court of Appeal van 19 december 1990 in de zaak die bekend staat als Re Harrods (Buenos Aires) Ltd.1Harrods was een Engelse Ltd. met `registered office' te Londen, terwijl alle bestuursen bedrijfsactiviteiten zich concentreerden in Argentinië. De aandelen in Harrods werden gehouden door twee Zwitserse vennootschappen, Intercomfinanz (51%) en Ladenimor (49%). In 1989 vraagt Ladenimor de Engelse rechter om Intercomfinanz wegens mismanagement te dwingen om tot aankoop van haar aandelen over te gaan. Harrods werd als `compulsory defendant' bij de procedure betrokken. Intercomfinanz stelde zich op het standpunt dat de Engelse rechter forum non conveniens was en de behandeling van de zaak dan ook beter overgelaten kon worden aan Argentijnse gerechten wier rechtssfeer veel meer bij de zaak betrokken was. De zaak had geen enkele binding met het Verenigd Koninkrijk behalve de `registered office' van Harrods te Londen. Verder was geen andere EEX-staat bij het geschil betrokken. Volgens de Court of Appeal beoogt het EEX-Verdrag uitsluitend de rechtsmacht te regelen tussen gerechten van verdragsstaten, zodat de bevoegdheidsregels van het verdrag slechts toepasselijk is als het geschil ten minste met twee verdragsstaten binding heeft.2 Aldus zou het EEX-Verdrag, in gevallen waarin het geschil slechts aanknopingspunten heeft met één verdragsstaat, niet beletten dat de op basis van het verdrag bevoegde gerechten zich forum non conveniens verklaren ten gunste van de gerechten in niet-verdragsstaten.3 De beslissing in Re Harrods heeft veel pennen in beweging gebracht.4 Op de beslissing is in de literatuur veel kritiek geuit.5 Echter, in de Engelse rechtspraak heeft Re Harrods ook navolging gevonden in andere zaken.6 In Re Harrods werden door de House of Lords prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ EG, waarvan de belangrijkste als volgt luiden:
`1. Beheerst het Executieverdrag de bevoegdheid van de gerechten van een verdragsluitende Staat in gevallen waarin er geen bevoegdheidsconflict is met de gerechten van een andere verdragsluitende Staat?
2. a) Is het onverenigbaar met het Executieverdrag, wanneer de bevoegdheid op artikel 2 berust, dat een gerecht van een verdragsluitende Staat gebruik maakt van een door zijn nationale recht verleende discretionaire bevoegdheid om te weigeren kennis te nemen van een procedure tegen een persoon die in die Staat zijn woonplaats heeft ten gunste van de gerechten van een niet-verdragsluitende Staat, indien de bevoegdheid van geen enkele andere verdragsluitende Staat krachtens het Executieverdrag in aanmerking komt?
b) Zo ja, is het onverenigbaar in alle omstandigheden of enkel in bepaalde, en zo ja, in welke?
(• • •)'
Tot een prejudiciële beslissing van het HvJ EG is het echter niet gekomen, omdat partijen de zaak voortijdig hebben geschikt.7