Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.7.1:9.7.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.7.1
9.7.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450434:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de wetsgeschiedenis van het godslasteringsverbod blijkt dat de wetgever van 1932 een dynamisch-objectiverende definitie gaf van de wettelijke termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’. Ten grondslag aan deze definitie lag een dynamisch objectief godsbegrip. In de visie van de wetgever was het niet het beledigde subject dat bepaalt wat het godsbegrip inhoudt, maar werd dit bepaald door de in de samenleving aanwezige en waarneembare opvattingen over de betekenis van God. De wetgever die in 2014 besloten heeft tot schrapping van het verbod op de godslastering heeft een ander godsbegrip. Volgens deze wetgever levert het godslasteringsverbod een probleem op ten aanzien van de rechtsgelijkheid, omdat in de zienswijze van de wetgever niet-christenen zich niet of nauwelijks op dit verbod zouden kunnen beroepen. De wetsgeschiedenis ondersteunt, gezien de dynamisch-objectiverende definitie van de wettelijke termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ deze conclusie niet. Niet kan ontkend worden dat het verbod zich hoofdzakelijk richt op het godsbegrip van de monotheïstische godsdiensten, maar het gaat te ver om te stellen dat niet-christenen zich niet op het godslasteringsverbod zouden kunnen beroepen. De dynamisch-objectiverende definitie gaat uit van het in de samenleving aanwezige godsbegrip, ook als dit zou veranderen door de komst of het verdwijnen van godsdiensten.
De wettelijke term God (van ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’) heeft in de jurisprudentie nooit tot problemen geleid. In bijna alle zaken was duidelijk dat de lastering betrekking had op de gevoelens met betrekking tot de christelijke God of de God van andere grote bekende religieuze tradities. We kunnen concluderen dat de rechter in deze zaken veronderstelt dat voor iedereen duidelijk is dat er godsdienst in het spel is. Hij toetst de opvatting van het rechtssubject niet aan opvattingen van derden of aan openbare bronnen en stelt ook niet expliciet dat hij zich laat leiden door de opvattingen van het rechtssubject.