Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.2.2
6.3.2.2 De rechtsbetrekking in geschil
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460799:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 157. Vergelijk in deze richting ook reeds HR 28 mei 1999, NJ 1999, 694, r.o. 3.7 (m.nt. Snijders), waarin art. 192 lid 1 (oud) Rv van overeenkomstige toepassing is verklaard in een alimentatieprocedure: ‘Zulks is in overeenstemming met de steeds verder gaande doorwerking van de beginselen van een behoorlijke procesorde zoals deze blijkens de rechtspraak van het EHRM besloten liggen in art. 6 EVRM.’ Treffend is voorts de noot van Snijders (onder 3) in NJ 1999, 413 (onder HR 9 januari 1998): ‘Nagenoeg het complete civiele parket bij de Hoge Raad en ook een deel van de doctrine bepleit inmiddels →(...) met kracht van argumenten, dat meer in het algemeen in rekestprocedures het recht op getuigenbewijs dient te bestaan, uitzonderingen daargelaten. (...). Ik vrees dat wij niet aan een dergelijke generalisatie zullen ontkomen, ook al zal dit ten koste gaan van het tot dusverre informele, geconcentreerde karakter van de rekestprocedure, waardoor desiderata als snelheid, eenvoud en prijsvriendelijkheid minder tot hun recht zullen komen. Art. 6 EVRM geeft waarborgen, maar stelt hiermee ook eisen, zoals die van hoor en wederhoor en “equality of arms”.’
Vergelijk HR 15 mei 1987, NJ 1988, 164, r.o. 3.4 (m.nt. Heemskerk): ‘Uitgaande van deze vaststellingen moet worden geoordeeld dat de door [het Hof] gegeven beslissing betrekking had op een andere rechtsvraag – anders gezegd: op een andere rechtsbetrekking in geschil – dan die welke ter beantwoording stond in de onderhavige procedure.’
Veegens in zijn noot in NJ 1964, 423 (onder HR 15 februari 1963).
Veegens 1972, p. 53-54.
HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413, r.o. 3.2 (m.nt. Vranken).
197. De rechtsbetrekking in geschil kan blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad worden vertaald als de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt.1 Het is voor toepassing van art. 236 Rv geen voorwaarde dat deze rechtsvraag het ‘alles beheersende geschilpunt’ betreft, aldus Veegens: ‘Er is geen grond onherroepelijk besliste punten, die niet alles beheersend zijn, van het gezag van gewijsde uit te zonderen.’2 Veegens voegt hier in 1972 aan toe: ‘Gezag van gewijsde is inherent aan alle proces- en materieelrechtelijke beslissingen die noodzakelijk zijn ter bepaling van de concrete rechtsverhouding van pp. en het dictum dragen.’3 De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 14 oktober 1988 in gelijke zin: ‘Anders dan het middel aanvoert, is in dit verband niet van belang of in de eerste procedure andere geschilpunten aan de orde zijn geweest die als ‘overheersend’ of ‘alles overheersend’ kunnen worden aangemerkt, zoals evenmin van belang is of in de onderhavige procedure dergelijke andere geschilpunten aan de orde zijn.’4 De vraag welke in een concreet geval de rechtsbetrekking in geschil is, betreft een interpretatievraag. Soms wordt woordelijk aangesloten bij een wettelijke bepaling, soms wordt zij meer materieel omschreven, zo blijkt uit de jurisprudentie.5