Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.2.3
6.3.2.3 ‘Beslissingen betreffende’ de rechtsbetrekking in geschil
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465592:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tekenend voor het laatste is de conclusie (overwegingen 2.6 en 2.7) van A-G Asser bij HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413: ‘In r.o. 4.3 geeft het hof het geschilpunt weer dat in de onderhavige procedure (...) aan de orde was gesteld, nl. de vraag of de suikerziekte zo onbeduidend was dat [W] bij de beantwoording van de vragen van de gezondheidsverklaring redelijkerwijs niet had kunnen behoeven te bedenken, dat deze behoorde tot de ziekteverschijnselen, waarnaar hem werd gevraagd en WUH daarom handelt in strijd met de goede trouw, indien het beroep op art. 5 Algemene Bepalingen wordt gehandhaafd. Het ging aldus om letterlijk dezelfde vraag als het hof in r.o. 4.5 van zijn arrest van 1983 had behandeld.
Woorden van Asser: Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud) Rv, aant. 10.
Woorden van Beukers: Beukers 1994, p. 67.
Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud), aant. 6. Een voorbeeld van een procesrechtelijk verweer is een ontvankelijkheidsverweer. Asser geeft als voorbeeld van een materieelrechtelijk verweer ten aanzien van de grondslag van de vordering het verweer dat de huurovereenkomst, op grond waarvan een aantal huurtermijnen wordt gevorderd, nietig is.
Beukers 1994, p. 68.
Veegens 1972, p. 53. Aldus ook Gras 1994, p. 235.
HR 30 september 1994, NJ 1996, 198, r.o. 4 (m.nt. Brunner). Vergelijk: Veegens 1972, p. 32; Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud), aant. 6; Beukers 1994, p. 99 e.v.; Gras 1994, paragraaf 8.4.1 en 8.4.5.
HR 16 december 1994, NJ 1995, 213, r.o. 3.3. Vergelijk: Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud), aant. 5; Beukers 1994, p. 116.
Vergelijk Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud), aant. 9.
A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (overweging 2.5) bij HR 13 oktober 2000, NJ 2001, 210.
Conclusie (overweging 2.18) van A-G Asser bij HR 19 november 1993, NJ 1994, 175.
Verstekverlening houdt in dat de rechter niet alleen vaststelt dat een verweerder niet is verschenen, maar ook dat deze behoorlijk was opgeroepen, aldus HR 17 januari 1992, NJ 1992, 263, r.o. 3.3. In verzoekschriftprocedures kan in het algemeen gesproken geen verstek worden verleend tegen een verweerder die niet verschijnt: Ynzonides 1996, hoofdstuk 6; Boekman 1996, p. 40.
Wel gezag van gewijsde: Ynzonides 1996, p. 57. Geen gezag van gewijsde: Stein/Rueb 2009, p. 190.
198. Ingevolge art. 236 Rv hebben de beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Hiermee wordt gedoeld op de beslissingen vervat in de motivering (de rechtsoverwegingen, het declaratief: het gedeelte waarin wordt overwogen dat en op’ welke gronden de vordering wordt toe- of afgewezen dan wel eiser daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard1 respectievelijk het gedeelte waarin de rechter zijn oordeel geeft over de rechtsverhouding2 ). Het gezag van gewijsde strekt zich ook uit tot beslissingen op procesrechtelijke verweren waarop de vordering zou moeten stranden of op materieelrechtelijke verweren ten aanzien van de grondslag van de vordering3, alsook tot de kwalificatie op grond waarvan een vordering wordt toegewezen (bijvoorbeeld: ‘wanprestatie’ of ‘onrechtmatige daad’).4 Ik wijs nogmaals op weergave door Veegens: gezag van gewijsde is inherent aan alle proces- en materieelrechtelijke beslissingen die noodzakelijk zijn ter bepaling van de concrete rechtsverhouding van partijen en het dictum dragen.5
De ruime omschrijving van Veegens bevat tegelijkertijd een belangrijke beperking. Beslissingen die niet noodzakelijk zijn ter bepaling van de concrete rechtsverhouding en die het dictum niet dragen – met andere woorden, beslissingen ten overvloede, ook wel ‘onnodige beslissingen’ genoemd – kunnen geen bindende kracht hebben in het volgende geding.6 Hetzelfde geldt, zo voeg ik toe, voor voorlopige beslissingen (waarbij met name moet worden gedacht aan beslissingen in voorlopige voorzieningenprocedures)7 en beslissingen waarmee de rechter buiten de rechtsstrijd treedt, behalve als de rechter gehoorzaamt aan zijn plicht ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen.8 Ook komt geen gezag van gewijsde toe aan beslissingen die weliswaar het geding beëindigen, maar de rechtsbetrekking in geschil als zodanig niet raken: ‘Hiervan is onder meer sprake indien de vordering wordt ontzegd of een verweer wordt gepasseerd, omdat niet is voldaan aan de stelplicht ten aanzien van de grondslag daarvan.’9 Hiervan dient echter, zo merkt advocaat-generaal Asser op in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 19 november 1993, wel te worden onderscheiden de situatie ‘dat de rechter wel een oordeel heeft gegeven over de rechtsbetrekking in geschil op basis van gestelde feiten of rechten, doch heeft uitgesproken dat die feiten of rechten niet leiden tot de ingeroepen rechtsgevolgen. Dat is immers een beslissing aangaande de rechtsbetrekking in geschil: zij bestaat niet of leidt niet tot het door de eiser ingeroepen rechtsgevolg. Het beroep op het gezag van gewijsde van zo’n beslissing zorgt er voor dat in een later geding die rechtsbetrekking niet nog eens ter discussie kan worden gesteld. Geschillen moeten eens een einde kunnen nemen, lites f iniri oportet.’10 Over de vraag of ook gezag van gewijsde kan worden toegekend aan beslissingen betreffende de rechtsbetrekking in geschil die zijn vervat in een verstekvonnis11, wordt verschillend gedacht.12 Ten slotte, verdedigd wordt dat het executiegeding (zie art. 430 e.v. Rv) en de schadestaatprocedure (art. 612-615b Rv) ten opzichte van het hoofdgeding niet zijn op te vatten als een ander geding in de zin van art. 236 lid 1 Rv. Beslissingen in een vonnis in het hoofdgeding hebben ‘vanzelf en zonder dat daarop een beroep behoeft te worden gedaan’ bindende kracht in het executiegeding respectievelijk de schadestaatprocedure.13