Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.5.5.1.1
7.7.5.5.1.1 Ingebruikneming door huurder in boekjaar waarin huurder het onroerend goed met btw is gaan huren
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291072:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
NV, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 5, p. 13 en Kamerstukken I 1995/96, 24 172, nr. 20b, p. 2 en ministeriële regeling van 22 december 1995, nr. WV95/891M, V-N 1996/318, 33, toelichting op artikel I, onderdeel b.
Anders: conclusie A-G Van Hilten 27 januari 2011, nr. 09/01909, V-N 2011/20.19, punten 5.13, 5.14 en 5.26 die - omdat de parlementaire geschiedenis hierover geen uitsluitsel geeft - aanknoopt bij het doel van de invoering van de 90%-eis: het voorkomen dat belastingplichtigen met vrijgestelde prestaties of niet-ondernemers voordeel kunnen trekken uit de optie voor belaste verhuur. Hoewel het juist is dat dit de achterliggende gedachte is van de 90%-eis, verklaart dit doel naar mijn mening niet waarom de huurder het gehuurde onroerend goed feitelijk in gebruik moet hebben genomen in het boekjaar waarin hij het met een optie voor belaste verhuur is gaan huren. Aan dit doel wordt immers ook volledig voldaan indien de huurder het onroerend goed op de toetsmomenten 1 en 2 nog niet feitelijk heeft gebruikt, maar hij wel het (aantoonbare) voornemen heeft om dit onroerend goed voor ten minste 90% voor aftrekgerechtigde doeleinden te gaan gebruiken.
Conclusie A-G Van Hilten 27 januari 2011, nr. 09/01909, V-N 2011/20.19, punten 5.7.
HR 10 oktober 2008, nr. 41.570, BNB 2009/26, m.nt. Bijl, r.o. 4.2.2. In dit arrest had een gemeente allerlei roerende goederen aangeschaft voor de inzameling van huishoudelijk afval, waaronder twee huisvuilwagens, duocontainers, stadsemmers, afvalcontainers en vorkheftrucks. De duocontainers waren vóór 12 april 1994 uitgezet. Naar het oordeel van de Hoge Raad zijn de duocontainers door die uitzetting in gebruik genomen. Met betrekking tot de andere goederen dan de duo-containers stond in cassatie slechts vast dat een aantal van deze goederen was (aangepast en) getest om deze klaar te maken voor het beoogde gebruik. Het oordeel van de Hoge Raad maakt duidelijk dat het klaarmaken van goederen voor het beoogde gebruik nog geen ingebruikneming van die goederen inhoudt.
Anders: Bijl, noot bij HR 23 september 2011, nr. 09/01909, BNB 2011/293 en Van Norden, noot bij HR 23 september 2011, nr. 09/01909, FED 2012/14.
Hoewel de Hoge Raad refereert aan het ‘door de huurder verrichten of laten verrichten van feitelijke handelingen in of aan het pand’, moet hierin naar mijn mening geen beperking van de rechtsregel tot gebouwen worden gelezen. Steun voor die opvatting is te vinden in de omstandigheid dat de Hoge Raad het gehuurde kantoorgebouw in dezelfde zin ook aanduidt als ‘de gehuurde zaak’. Dit laat onverlet dat de Hoge Raad er beter aan gedaan had om in de rechtsregel consequent te kiezen voor de aanduiding ‘de (gehuurde) zaak’, omdat de 90%-eis op grond van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB en art. 6a Uitv.besch. OB geldt voor de verhuur van alle onroerende goederen (en dus ook voor de verhuur van onbebouwde terreinen). In een voorkomend geval verdient het aanbeveling als de Hoge Raad zijn rechtsregel op dit punt verbetert.
HR 23 september 2011, nr. 09/01909, BNB 2011/293, m.nt. Bijl.
Bijl, noot bij HR 23 september 2011, nr. 09/01909, BNB 2011/293.
In de noot van Bijl bij HR 23 september 2011, nr. 09/01909, BNB 2011/293, de noot van Van Norden bij HR 23 september 2011, nr. 09/01909, FED 2012/14 en het commentaar van Wolf bij HR 23 september 2011, nr. 09/01909, NTFR 2011/2261 mis ik die nuance.
Heeft de huurder het onroerend goed op de toetsmomenten 1 en 2 nog niet in gebruik genomen, dan is niet voldaan aan de 90%-eis.1 Ook in dat geval vervalt de optie voor belaste verhuur met terugwerkende kracht. Van ingebruikneming door de huurder is blijkens de parlementaire geschiedenis sprake op het moment dat de huurder het onroerend goed voor het eerst feitelijk gaat gebruiken.2 Voor het onderscheid tussen het vermoedelijke gebruik en het (eerste) feitelijke gebruik door de huurder heeft de wetgever willen aansluiten bij de bestaande aftrekregeling, en meer specifiek art. 15 lid 4 Wet OB, op grond waarvan een onderscheid wordt gemaakt tussen de bestemming van de afgenomen goederen en diensten op het tijdstip waarop de btw aan de belastingplichtige in rekening is gebracht dan wel wordt verschuldigd enerzijds en het tijdstip waarop de belastingplichtige de afgenomen goederen en diensten gaat gebruiken anderzijds. Hieruit volgt dat art. 6a lid 5 Uitv.besch. OB beoogt de keuze voor belaste verhuur op basis van de bestemming van het onroerend goed voor ten minste 90% aftrekgerechtigde doeleinden te corrigeren, indien het daadwerkelijke of feitelijke gebruik van dit goed door de huurder uitblijft in het boekjaar waarin de huurder het onroerend goed met optie voor belaste verhuur is gaan huren.3 Waarom de wetgever deze restrictie van de 90%-eis wenselijk heeft geacht, is in de parlementaire geschiedenis – opmerkelijk genoeg – niet toegelicht.4
In het ‘Duocontainers-arrest’ heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een belastingplichtige door hem aangeschafte goederen in gebruik neemt in de zin van de Wet OB zodra hij deze feitelijk gaat bezigen en niet reeds door het (testen voor het) klaarmaken voor gebruik.5 Hoewel het Duocontainers-arrest betrekking heeft op het begrip ‘(gaan) gebruiken’ in art. 15 lid 4, tweede volzin Wet OB, is het opvallend dat de Hoge Raad zijn oordeel hiertoe niet beperkt (‘ingebruikneming in de zin van de Wet OB 1968’). Het is daarom geen wonder te noemen dat de vraag is opgekomen of die (strikte) uitleg van het begrip ‘(gaan) gebruiken ook van betekenis is voor de uitleg van het begrip ‘(in) gebruik (nemen)’ in art. 6a lid 5 Uitv.besch. OB. De Hoge Raad heeft die vraag naar mijn mening ontkennend beantwoord.6 De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB 1968 en art. 6a Uitv.besch. OB reeds sprake is van gebruik voor doeleinden waarvoor (nagenoeg) volledig recht op aftrek bestaat, zodra de huurder in of aan het pand (lees: gebouw) feitelijk handelingen verricht of laat verrichten met het oog op het verrichten van handelingen waarvoor (ten minste voor 90%) recht op btw-aftrek bestaat.7 De handelingen waarvoor (ten minste voor 90%) recht op btw-aftrek bestaat, omvatten ook de (onder)verhuur waarbij geopteerd is voor btw-heffing. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor een geval waarin het niet daadwerkelijk tot belaste onderverhuur is gekomen, maar de feitelijk ingebruikneming van het onroerend goed door de huurder – het inrichten van een informatiebalie in de entree van het kantoorgebouw – was gericht op de belaste onderverhuur van afzonderlijke units.8
Voor een uitleg van het begrip ‘(in) gebruik (nemen)’ die afwijkt van de uitleg van het begrip ‘gaan gebruiken’ in art. 15 lid 4, tweede volzin Wet OB is geen steun te vinden in voormelde parlementaire geschiedenis. Ook vanuit het oogpunt van rechtseenheid is het op het eerste gezicht weinig fraai te noemen dat het testen en klaarmaken voor gebruik voor de toepassing van art. 15 lid 4, tweede volzin Wet OB niet leidt tot een ingebruikneming, maar voor de toepassing van art. 6a lid 5 Uitv.besch. OB wel. Ter relativering van deze bezwaren zij erop gewezen dat het begrip ‘ingebruikneming’ met betrekking tot verhuurde onroerende goederen sowieso al een verschillende inhoud heeft naargelang dit begrip wordt bezien door de bril van de verhuurder dan wel de huurder. Op grond van art. 15 lid 4 Wet OB is het moment van ingebruikneming van het onroerend goed door de verhuurder immers gelegen op het moment waarop de verhuur aanvangt, terwijl de ingebruikneming van dit onroerend goed door de huurder pas aanvangt op het moment waarop de huurder het gehuurde feitelijk gaat gebruiken. Daarnaast zij erop gewezen dat het begrip ‘gebruik’ in art. 15 lid 4 Wet OB bij de verhuur van onroerend goed uitsluitend relevant is voor het gebruik van de door de verhuurder aangeschafte goederen en diensten. De huurder heeft het onroerend goed dat hij huurt niet aangeschaft waardoor een herziening van de btw-aftrek wegens de ingebruikneming van dit onroerend goed bij hem niet aan de orde kan zijn. Bij de in de parlementaire geschiedenis beoogde aansluiting met het begrip ‘gebruik’ in art. 15 lid 4 Wet OB lijkt dit niet dan wel onvoldoende te zijn onderkend. Dat de Hoge Raad voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB en art. 6a Uitv.besch. OB heeft gekozen voor een zelfstandige, ruimere uitleg van het begrip ‘gebruik’ is naar mijn mening ook wenselijk op grond van de strekking van de optieregeling: het beginsel van de fiscale neutraliteit. De ruime uitleg van het begrip ‘(in) gebruik (nemen)’ door de Hoge Raad voorkomt cumulatie van btw (en daarmee concurrentieverstoring) in het geval waarin de huurder op toetsmoment 2 feitelijk handelingen heeft verricht of laten verrichten met het oog op handelingen waarvoor (ten minste voor 90%) recht op aftrek bestaat, maar waarin de huurder het gehuurde om welke reden dan ook niet in het boekjaar waarin de huurder het onroerend goed (met btw) is gaan gebruiken voor uitgaande prestaties.
Dat de feitelijke handelingen door of in opdracht van de huurder slechts in een beperkt deel van het gebouw – de entree – hebben plaatsgevonden, acht de Hoge Raad kennelijk niet van belang.9 Hierbij dient echter wel de kanttekening te worden geplaatst dat de inspecteur in deze zaak voor de rechtbank en het hof niet ter discussie heeft gesteld dat sprake is van één onroerend goed waardoor de Hoge Raad in cassatie uitgaat (en moest uitgaan) van de verhuur van ‘het pand’.10 Gelet op het voornemen van de huurder in deze zaak om het gebouw als business centre in afzonderlijke units onder te verhuren, is het niet uitgesloten dat het kantoorgebouw in deze zaak uit meerdere afzonderlijk in aanmerking te nemen onroerende goederen bestond waarvoor per onroerend goed beoordeeld had moeten worden of voldaan is aan de 90%-eis (zie 7.7.5.2). Dat de feitelijk handelingen door of in opdracht de huurder slechts in een beperkt deel van het gebouw hebben plaatsgevonden, kan naar mijn mening dus wel van belang zijn voor de vraag of het gehele gebouw of slechts één of meerdere gedeelten daarvan – afzonderlijke onroerende goederen (zie paragraaf 7.7.5.2)! – door de huurder in gebruik is genomen op toetsmoment 2.