Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.5.1.1
6.5.1.1 Praktische uitwerking
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565031:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.4.3.
Zie hoofdstuk 2, paragrafen 2.4.3 en 2.6.1.
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.4.3.
HR (strafkamer) 6 maart 2012, NJ 2012/176, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, r.o. 7.2; Hof ’s-Hertogenbosch (strafkamer) 6 januari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AU9266, r.o. N2.
HR (belastingkamer) 20 december 2002, BNB 2003/95, ECLI:NL:HR:2002:AF2262 (een arrest in verband met kwade trouw), r.o. 3.1.2.1: “… dat het Hof niet van belang heeft geoordeeld dat belanghebbende mogelijk heeft gemeend dat haar standpunt omtrent de fiscale gevolgen… in redelijkheid pleitbaar was. Daaraan ligt klaarblijkelijk de – juiste – opvatting ten grondslag dat indien een belastingplichtige aan de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt teneinde de beoordeling door de inspecteur van de juistheid van de aangifte te bemoeilijken, hij te kwader trouw heeft gehandeld.” Deze situatie lijkt zich ook voor te hebben gedaan bij Rb. Groningen (sector strafrecht) 11 april 2008, ECLI:NL:RBGRO:2008:BC9320 en bij HR 12 september 2003, BNB 2004/75, ECLI:NL:HR:2003:AE4480. Op grond van de voorgestelde eenduidige benadering zou het denkbaar zijn dat in deze zaken, ondanks het pleitbare standpunt, wel tot opzet had moeten worden geconcludeerd.
Hof ’s-Hertogenbosch (strafkamer) 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2963, r.o. 6.
Volgens de zojuist beschreven oplossing zal de rechter bij een pleitbaar standpunt verweer in het kader van de vaststelling van het opzet moeten onderzoeken of aan de onjuiste aangifte een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt ten grondslag ligt. Een dergelijk standpunt heeft immers een andere invulling van het aanvaardingsvereiste tot gevolg.
Het oordeel dat een standpunt naar objectieve maatstaven pleitbaar is, vormt in beginsel geen bewijsoordeel.1 Strikt genomen hoeft de belastingplichtige voor de vaststelling dat een standpunt naar objectieve maatstaven pleitbaar is, zelfs niet te stellen of te beargumenteren dat zijn standpunt pleitbaar is.2 Niet alleen de belastingrechter, maar ook de strafrechter is naar mijn mening bevoegd om uit eigen beweging te onderzoeken of kan worden gesproken van een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt.3
De conclusie dat een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt voorhanden is, brengt niet (meer) mee dat het opzet ontbreekt, maar dat het openbaar ministerie of de inspecteur in het kader van het bewijs van het opzet moet aantonen of aannemelijk maken dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte geen standpunt op het oog heeft gehad (de hiervoor in paragraaf 6.3.1.1 besproken situatie) of niet heeft verondersteld dat het standpunt pleitbaar was (de hiervoor in paragraaf 6.3.1.2 besproken situatie).
Aanwijzingen dat de in paragraaf 6.3.1.1 besproken situatie zich voordoet zijn bijvoorbeeld te vinden in de omstandigheid dat de belastingplichtige weigert toe te lichten waarom het standpunt naar zijn mening pleitbaar is of dat de belastingplichtige pas in een laat stadium, bijvoorbeeld bij de rechter, met de stelling komt dat het standpunt pleitbaar is. Hoewel de belastingplichtige voor de vaststelling dat een standpunt naar objectieve maatstaven pleitbaar is niet hoeft te stellen en beargumenteren dat zijn standpunt pleitbaar is, kan de omstandigheid dat hij dit niet of pas laat heeft gedaan derhalve wel een aanwijzing vormen dat hij het standpunt op het moment van het doen van de aangifte niet op het oog heeft gehad.
De in paragraaf 6.3.1.2 besproken situatie, de situatie waarin de belastingplichtige bewust een standpunt heeft ingenomen dat naar objectieve maatstaven pleitbaar blijkt te zijn, maar niet heeft verondersteld dat zijn standpunt pleitbaar was, vormt naar mijn mening een uitzonderingsgeval. Objectief gezien ligt het voor de hand dat een belastingplichtige die bewust een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt heeft ingenomen, ook heeft verondersteld dat zijn standpunt pleitbaar zou zijn. Er zijn immers voldoende uit het recht of de jurisprudentie afkomstige argumenten voor dat standpunt beschikbaar. De omstandigheid dat een belastingplichtige na het indienen van de aangifte krampachtig het contact met de inspecteur uit de weg gaat,4 of de inspecteur ter voorkoming van een discussie over het standpunt in de aangifte of na het indienen van de aangifte met onjuiste informatie bewust op het verkeerde been zet,5 kan een aanwijzing vormen dat de belastingplichtige, hoewel de onjuiste aangifte wel op een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt is gebaseerd, op het moment van het doen van de aangifte toch heeft verondersteld dat zijn standpunt niet pleitbaar is.
Uit de omstandigheid dat een belastingplichtige niet over zijn standpunt met de inspecteur in overleg is getreden, kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat hij heeft verondersteld dat zijn standpunt niet pleitbaar is.6 Dat is met name niet het geval als de belastingplichtige op geen enkele wijze tot overleg met de inspecteur is gehouden.