Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.1
1.1 Samenwerking door non-profitorganisaties
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975734:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
IMD World Competitiveness Center 2023, p. 25.
De definitie van dit begrip wordt nader uitgewerkt in par. 1.6.3.
Het begrip bracht veel discussie en commotie teweeg, hetgeen er onder ander toe leidde dat het Genootschap Onze Taal het woord uitriep tot woord van het jaar 2013. De term was echter geenszins nieuw. Zo maakte o.a. ook het kabinet-Balkenende IV er gebruik van. De fiscale aspecten van de overstap van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving zijn uitgewerkt in L.G.M. Stevens 2008.
Ontleend aan Raad voor het openbaar bestuur 2015, p. 2.
Zie bijv. Provan & Milward 2001 en Karré & In ’t Veld 2007, p. 197.
Hilhorst, Oorthuizen & Termeer 2007, p. 277.
Vgl. Van Doesum 2009, p. 45.
Kaats & Opheij 2012, p. 17.
Zie Auditrapportage 2014 en Wolting 2006, p. 13.
Tjeenk Willink & Sixma 2023.
Van Kempen 2022.
Zie hierover nader par. 1.6.3.
Staat van het Bestuur 2022, p. 81. Het aantal samenwerkingsverbanden vertegenwoordigt zowel de regio-indelingen die vanuit het Rijk zijn gemaakt, als de meer informele samenwerkingsverbanden. Zie ook www.regioatlas.nl (geraadpleegd op 15 juni 2024).
Nederland scoort in internationale ranglijsten traditioneel hoog als het gaat om zaken als infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg.1 Deze zaken zijn essentieel voor economische groei, werkgelegenheid en een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Om dit hoge niveau te behouden zijn betrouwbare en sterke uitvoeringsorganisaties nodig. De uitvoering van publieke taken geschiedt in Nederland niet alleen door de klassieke overheidsinstellingen als het Rijk, provincies en gemeenten, maar ook door een grote pluriforme groep organisaties die zich op het grensvlak van het publieke en private domein bevindt. Veelal gaat het om instellingen die een maatschappelijk belang behartigen, zoals onderwijsinstellingen, woningcorporaties en zorginstellingen. In dit onderzoek worden deze publiekrechtelijke en privaatrechtelijke organisaties gezamenlijk aangeduid als non-profitorganisaties.2
De organisatie en taakopvatting van non-profitorganisaties zijn constant in beweging. De afgelopen jaren zijn taken door de overheid verzelfstandigd of geprivatiseerd, bijvoorbeeld door de decentralisaties in het sociale domein.3 Als gevolg hiervan zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Naast een verschuiving van taken is de non-profit sector getroffen door verscheidene bezuinigingsoperaties, waarbij de van de overheid afkomstige bijdragen en subsidies zijn verminderd. De kabinetten Rutte I tot en met IV deden een dringend beroep op het particulier initiatief en schetsten het ideaalbeeld van een ‘participatiesamenleving’ waarin burgers, bedrijven en instellingen een eigen verantwoordelijkheid nemen voor het algemeen belang.4 Deze tendens kan ook wel worden getypeerd als ‘vermaatschappelijking’.5 Voornoemde ontwikkelingen hebben er mede voor gezorgd dat veel non-profitorganisaties zich zijn gaan herbezinnen op de organisatie en uitvoering van hun maatschappelijke taken. De verzwaring van taken en bevoegdheden, de samenhang in de problematiek en de toenemende druk op schaalvergroting vormen onder meer de verklaring dat de non-profitorganisaties de afgelopen jaren meer zijn gaan opereren in (tijdelijke) allianties en netwerken.6 In sommige sectoren, zoals ontwikkelingshulpverlening, is samenwerking diep geworteld in culturele waarden.7
Samenwerking is regelmatig essentieel omdat veel non-profitorganisaties te klein zijn om hun maatschappelijke taken zelfstandig te behartigen en op allerlei terreinen voldoende deskundigheid te verkrijgen. Door samen te werken kunnen vaardigheden, expertise en perspectieven van de verschillende deelnemers worden samengevoegd, waardoor de kwaliteit van de dienstverlening kan verbeteren. Dit leidt tot meer deskundigheid van het personeel, een verbetering van de efficiency en een verlaging van de kosten. Samenwerking valt dan ook te omschrijven als het afstemmen van gedragingen door twee of meer zelfstandige (niet gelieerde) partijen met het oog op het genereren van meerwaarde.8
De grote vraagstukken waarmee onze samenleving geconfronteerd wordt, kan geen enkele organisatie zelfstandig oplossen.9 Er is sprake van een sterke consensus dat samenwerking tussen verschillende instellingen en bedrijven van wezenlijk belang is om aan de huidige en toekomstige vragen van de economie en de arbeidsmarkt te kunnen voldoen.10 Zo hebben de afspraken die zijn vastgelegd in het Klimaatakkoord van Parijs de afgelopen jaren gezorgd voor een enorme groei aan publiek-private initiatieven tussen netbeheerders en organisaties om de energietransitie te versnellen.11 Daarnaast heeft in veel sectoren ketensamenwerking de afgelopen jaren een grote vlucht genomen. Dit betreft structurele (projectoverstijgende) samenwerking tussen verschillende partijen die actief zijn in eenzelfde keten. Een voorbeeld hiervan is samenwerking tussen de grote hoeveelheid zelfstandige partijen die actief is in de geboortezorg en die elk verantwoordelijk zijn voor een ‘schakel’ in deze keten (o.a. gynaecologen, verloskundigen en kraamzorg). Het doel hiervan is om de zorg naadloos op elkaar aan te laten sluiten en de kwaliteit van de zorg te verbeteren.12
In kwantitatieve zin bestaat geen allesomvattend overzicht van het aantal samenwerkingsverbanden waarbij één of meer non-profitorganisaties is betrokken. Dit valt mijns inziens te verklaren door het pluriforme karakter van deze groep.13 Wel is uit onderzoek over het jaar 2022 bekend dat er 1.248 regionale samenwerkingsverbanden zijn, waarbij ten minste één overheidsorganisatie is betrokken. Dit aantal is met 17% gestegen ten opzichte van 2017. Bij 94% van deze samenwerkingsverbanden is ten minste één gemeente betrokken. Provincies, waterschappen en het Rijk zijn deelnemer in respectievelijk 27%, 13% en 16% van de samenwerkingsverbanden.14