Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.10:8.2.10 Koepelorganisaties
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.10
8.2.10 Koepelorganisaties
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609033:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.N.F. Zuidgeest, ‘De koepelvrijstelling als alternatief voor de fiscale eenheid BTW’, WFR 2006, p. 618.
Voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de behandeling van verzekerings- en financiële diensten, COM(2007) 747 definitief.
In de Nederlandstalige tekstversie betreft dit art. 137 ter (voorstel) BTW-richtlijn 2006.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 132 lid 1 onderdeel f BTW-richtlijn 2006 is een vrijstelling opgenomen voor diensten die worden verricht door zelfstandige groeperingen van personen, die activiteiten uitoefenen welke zijn vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn.1 Deze groeperingen, ook wel koepelorganisaties genoemd, moeten als doel hebben om diensten te verlenen aan hun leden, die direct nodig zijn voor de uitoefening van de activiteiten van die leden. Voorwaarden hierbij zijn dat de koepelorganisaties alleen terugbetaling van het aandeel in de gezamenlijke uitgaven vorderen, en dat de vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden. Voor de Nederlandse omzetbelasting is de koepelvrijstelling opgenomen in art. 11 lid 1 onderdeel u Wet OB 1968. De regeling is nader uitgewerkt in art. 9 Uitv.besl. OB 1968 en art. 9a Uitv.besch. OB 1968.
De relatie tussen de koepelorganisatie en de leden getuigt ook van verbondenheid. Hierin kan de verlengstukgedachte worden herkend: de koepel vormt een verlengstuk van de onderneming van de leden. In dit verband is er ook een parallel met de ‘strategische allianties’ die in hoofdstuk 2 aan bod zijn gekomen. Zonder de verbondenheid tussen de koepel en de leden is de vrijstelling in principe niet van toepassing. In HvJ EG 15 juni 1989, nr. C-348/87 (SUFA), FED 1989/559, was sprake van twee stichtingen, waarvan geen van beide lid was van de andere. Op de prestaties die de ene stichting aan de andere verrichtte, was de koepelvrijstelling daarom niet van toepassing.
In HR 10 augustus 2007, nr. 40 984, V-N 2007/40.25, is besloten een prejudiciële vraag te stellen of de koepelvrijstelling ook van toepassing is op diensten die de koepelorganisatie slechts aan één of enkele leden verricht. Deze zaak is bij het Hof van Justitie EG in behandeling onder nr. C-407/07. Een andere vraag is of een koepelorganisatie voor de toepassing van de vrijstelling uitsluitend aan haar leden moet presteren. Op 29 maart 2007 is in dit verband door een Belgisch gerechtshof een prejudiciële vraag gesteld over de toepassing van de vrijstelling van art. 13 A lid 1 onderdeel f Zesde richtlijn (thans art. 132 lid 1 onderdeel f BTW-richtlijn 2006). In deze zaak met nr. C-168/07 (SA Axa Belgium) is het de vraag of de vrijstelling alleen geldt indien de koepelorganisatie uitsluitend diensten voor haar leden verricht, of dat er ook mag worden gepresteerd aan niet-leden.
Ten aanzien van de koepelvrijstelling is nog vermeldenswaardig dat de Europese Commissie op 28 november 2007 een richtlijnvoorstel heeft gepubliceerd, met wijzigingen ten aanzien van de behandeling van financiële- en verzekeringsdiensten.2 Een onderdeel van dit voorstel is de introductie van een afzonderlijke koepelvrijstelling voor samenwerkende groepen van financiële dienstverleners in art. 137b (voorstel) BTW-richtlijn 2006.3 Deze nieuwe vrijstelling krijgt een plaats naast de bestaande koepelvrijstelling van art. 132 lid 1 onderdeel f BTW-richtlijn 2006.