Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/1.1.5
1.1.5 Arbeidsrelativisme: is werken wel zo belangrijk?
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS576792:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
M. van Hasselt, ‘Verbetering reïntegratie en verhoging arbeidsparticipatie: volksverlakkerij?’, 17 maart 2008, http://basisinkomen.nl/wp/opinie/.
D.C.H.M. Pieters, ‘Aan het werk…beschouwingen over het arbeidsethos in het socialezekerheidsrecht van vandaag en morgen’, oratie 19 september 1986 in: F.M. Noordam (red.), Sociaalrechtelijke Oraties 1977-1997, Kluwer: Deventer 1998, p.113-159.
Ook De Beer wijst op de belangrijke invloed van vrijwilligerswerk op het gevoel van welbevinden, p.27.
De Beer, p.31-32.
Zie ook het hiervoor besproken SCP 2008.
Inactiviteit in betaald werk. Mijn eerdere stelling dat niet-werken (in betaalde arbeid) niet altijd onwenselijk wordt gevonden gaat volgens De Beer dus op vanuit werknemersperspectief.
S. Riepema, Ziekte of verzuim?, VKBanen.nl, 11 oktober 2011.
De Beer, p.31-32.
T. Heerts, http://www.socialevraagstukken.nl/site/2013/12/10/al-het-werk-is-zingevend-ook-het-vrijwillige/ geraadpleegd op 25 januari 2014.
Bij al die wierook voor ‘de zegen’ van betaald werk past een kanttekening. De nadruk op arbeidsparticipatie en re-integratie wordt wel eens ‘arbeidsfundamentalisme’ genoemd.1 Ergens las ik de spreuk ‘mensen zijn niet ongeschikt voor arbeid, arbeid is ongeschikt voor mensen.’ In deze gedachtegang moet de arbeidsongeschikte mens zelf de kern zijn en niet zijn vermogen met arbeid bij te dragen aan de maatschappij. Reguliere betaalde arbeid hoeft immers niet altijd het maatschappelijk waardevolste gebruik te zijn van het resterende arbeidsvermogen.
Pieters neemt daar helder stelling in.2 Arbeid heeft een positieve zedelijke waarde. Het is van oudsher essentieel voor de persoonlijke menswording door zelfontplooiing. Ook voor de samenleving is het essentieel dat alle leden naar beste vermogen bijdragen tot de collectieve behoeftebevrediging. De diepere ethische betekenis van arbeidsplicht wordt echter miskend door alleen naar financiële aspecten te kijken. Het traditioneel arbeidsethos, waar de plicht tot werken centraal staat, lijkt volgens hem te worden verdrongen door een materialistisch arbeidsethos dat de plicht centraal stelt om in eigen onderhoud te voorzien.
Deze kijk op arbeid komt volgens Pieters naar voren bij het verschil inwaardering van onbetaalde en betaalde arbeid: de eerste moet wijken voor de tweede, hoewel de eerste ook maatschappelijke waarde heeft.3 Pieters betreurt deze verschuiving:
‘Immers, niet de waardigheid van elke persoon zich te realiseren en maatschappelijke erkenning te vinden door zijn arbeid, wordt nagestreefd, maar slechts de ‘economische zelfstandigheid’ van individuen. Met het weghalen van mensen van hun maatschappelijk uiterst waardevolle onbetaalde taken, als daar bijvoorbeeld zijn de opvoeding van kleine kinderen of de verzorging van een zwaar zieke huisgenoot, wordt de emancipatie van de betrokkenen…niet gediend, de samenleving evenmin.’
De maatschappelijke waarde van onbetaald werk relativeert dus de tegenwoordige nadruk op betaalde arbeid. Daarnaast zijn er negatieve bijwerkingen van de nadruk op betaalde arbeid, stelt De Beer, juist bij arbeidsongeschiktheid.4 Zowel de werkgever, de werknemer als de samenleving zouden bij werken voordelen hebben, als een soort Haarlemmerolie. Voor de immateriële en intrinsieke voordelen van arbeid zijn wel aanwijzingen te vinden,5 maar De Beer wijst tegelijk op een paradox. Het welbevinden van arbeidsongeschikten wordt nauwelijks beïnvloed door de inkomensachteruitgang bij ziekte. Als meer inkomen door werk niet zo heel belangrijk is, zou het aanvaarden van onbetaald werk gemakkelijker moeten zijn. Toch blijkt uit onderzoek dat onbetaald werk voor hen geen bevredigende vervanging is van betaald werk, terwijl dat wél zo is bij huisvrouwen of gepensioneerden.
Hij zoekt de verklaring in de maatschappelijke waardering van verschillende vormen van inactiviteit.6Waar de vutter zijn vroegpensioen heeft ‘verdiend’, wordt in de samenleving het niet-regulier werken van een arbeidsongeschikte werknemer nauwelijks geaccepteerd. ‘Ziekte overkomt je, verzuim is een keuze.’7 De arbeidsongeschikte wordt er volgens De Beer op aangekeken als hij zich niet spiegelt aan de werkenden en passief aan de kant blijft staan. De werkende laat zich door het werk (‘druk, druk, druk’, ratrace) in beslag nemen, zodat ontspanning en zorgtaken er onder lijden. Stress en psychische klachten liggen als negatieve bijwerking op de loer. De arbeidsongeschikte wordt tegelijk verweten geen bijdrage te leveren aan de welvaart en de verzorgingsstaat tot last te zijn; ook geen fraai verschijnsel. Zo lijkt de druk op maximale arbeidsparticipatie te leiden naar versterking van een tweedeling in de samenleving. Hoe meer nadruk op regulier werk (gezondheidsgevaar voor werkenden), hoe pregnanter het verschil met niet-werkenden (verwijt van niet-meedoen). De nadruk op betaald werk levert dan maatschappelijk -in termen van sociale samenhang en gelijkheid- niets op.8 Wat Pieters en De Beer gemeen hebben is een zeker arbeidsrelativisme: alleen maar kijken naar (meer) betaald werk is eenzijdig en kan ongewenste neveneffecten hebben. Hun gedachten zijn onverminderd actueel, gelet bijvoorbeeld op het pleidooi van FNV-voorzitter Heerts in december 2013 voor herwaardering van onbetaald werk en het voorkomen van tegenstellingen door de nadruk op betaald werk.9
De conclusie mag wat mij betreft niet zijn dat het streven naar verhogen van de arbeidsparticipatie in betaald werk wordt losgelaten. Mijn punt is vooral om duidelijk te maken dat in dit onderzoek de vooronderstelling wordt gedaan dat de nadruk op activering van arbeidsvermogen door re-integratie positief is. Over die vooronderstelling kan echter ook anders worden gedacht.